Welke Risico’s worden benoemd in een V&G plan?

bron: Nota van toelichting Arbeidsomstandighedenbesluit

De arbeid die verricht wordt in de bedrijfstak bouw heeft een geheel eigen karakter, dat wordt gekenmerkt door een frequent wijzigende werkbezetting als gevolg van de gelijktijdige of achtereenvolgende aanwezigheid van verschillende ondernemingen op een bouwplaats, een doorlopende veranderende arbeidssituatie en de inzet van verschillend materieel en diverse soorten materialen, door middel waarvan een grote verscheidenheid van bouwwerken tot stand wordt gebracht.

Voorts is het aan een bouwonderneming verbonden personeel veelal over verschillende bouwlocaties verspreid en per bouwlocatie vaak ook nog over verschillende delen van het desbetreffende tot stand te brengen bouwwerk. De door werknemers op een bepaalde bouwplaats verrichte werkzaamheden zijn als zodanig dan ook tijdelijk van aard.

Gezien de bovenstaande karakterschets wordt de bouwnijverheid wel getypeerd als een sector van «zwervende fabrieken».

Gegeven de variatie in bouwlocaties, bouwmethoden en tot stand te brengen bouwwerken, hebben de op grond van de Arbeidsomstandighedenwet voorgeschreven maatregelen en voorzieningen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers in de bouw eveneens een tijdelijk of hoogstens semi-permanent karakter. Zij worden veelal per bouwobject ontwikkeld, aangebracht en tegelijkertijd (financieel) weer afgeschreven.

DE PARTICIPANTEN IN HET BOUWPROCES

Met betrekking tot de participanten in het bouwproces is sprake van een grote kring van betrokkenen. Niet alleen werkgevers (in de hoedanigheid van aannemers, nevenaannemers en onderaannemers) en werknemers, maar met name ook opdrachtgevers (in particuliere- en overheidssector), ontwerpers (op bouwkundig- en installatie-technisch gebied), constructeurs, installateurs en (toe)leveranciers spelen daarin een rol.

Alle genoemde partijen zijn in verschillende fasen vanuit verschillende functies beroepsmatig bij de totstandbrenging van een bouwwerk betrokken. Ieder vanuit een eigen onderneming met een eigen organisatie; met eigen doelstellingen en een eigen beleid, met inbegrip van het beleid ten aanzien van arbeidsomstandigheden.

De opdrachtgever moet op basis van artikel 2.28 een V&G-plan opstellen, als het bouwwerk bijzondere gevaren voor de veiligheid en gezondheid van werkenden met zich mee brengt of als een melding verplicht is. Dit V&G-plan moet deel uitmaken van het bestek en voor de aanvang van de werkzaamheden op de bouwplaats beschikbaar zijn.

ORGANISATIE

De wijze waarop de organisatie van het bouwproces wordt vormgegeven kent vele variëteiten. De meest klassieke vorm is die volgens het zogenoemde traditionele model, waarbij de aannemer zich verbindt tot de uitvoering van een van de opdrachtgever afkomstig ontwerp. In dit model zijn de verantwoordelijkheden met betrekking tot ontwerp en uitvoering in beginsel van elkaar gescheiden; de zorg voor het ontwerp berust in deze situatie bij de opdrachtgever en de aannemer is verantwoordelijk voor de zorgvuldige uitvoering daarvan.

Een andere vorm is die op basis van een door een bouwteam vervaardigd ontwerp, waarbij reeds in de ontwerpfase wordt meegesproken door een of meer vertegenwoordigers van de uitvoerende functie.

Als laatste varianten kunnen de bouw volgens concepten als turnkey, design and build en prestatiebestek en de bouw voor de markt door een bouwonderneming worden genoemd, waarbij de uitvoerder/aannemer zowel voor (de verdere uitwerking van) het ontwerp als voor de uitvoering zorgdraagt.  In dit soort contractvormen bemoeit de opdrachtgever zich in meer of mindere mate met het ontwerpproces en de kwaliteitsborging. Daarbij kan het ook voorkomen dat de ontwerpfase van de totstandkoming van een bouwwerk onderdeel uitmaakt van het contract met de uitvoerende partij. Conclusie daarover is dat de keuze om te werken met deze contractvorm niet afdoet aan de verantwoordelijkheden die de opdrachtgever in het kader van het Arbobesluit heeft.

De eindverantwoordelijkheid blijft bij de opdrachtgever berusten en is (publiekrechtelijk gezien) niet overdraagbaar.

In de ontwerpfase worden in de regel de belangrijkste keuzen met betrekking tot de constructies, de bouwelementen en het te gebruiken materiaal voor de totstandbrenging van het bouwwerk gemaakt. Keuzen, die in grote mate bepalend zijn voor de te hanteren bouwmethoden en daardoor van invloed op de veiligheid en gezondheid van werknemers tijdens de uitvoeringsfase van het bouwwerk. De in dat verband ter bescherming van die veiligheid en gezondheid te treffen maatregelen vergen financiële uitgaven die in de aansluitende prijsvormingsfase, waarin – al dan niet via aanbesteding – de feitelijke uitvoering van het bouwwerk aan een aannemer wordt opgedragen, een rol spelen.

Bij de werkvoorbereiding in de uitvoeringsfase van het bouwwerk zijn de in dat verband te nemen beslissingen opnieuw bepalend voor de mate waarin aandacht zal worden besteed aan de zorg voor arbeidsomstandigheden op de bouwplaats. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan beslissingen met betrekking tot een doelmatige samenwerking tussen de op een bouwplaats actieve werkgevers bij de arbeidsomstandighedenzorg.

Het is die verwevenheid van werkzaamheden, die veelheid van functies en die verscheidenheid van betrokkenen en wijzen waarop het bouwproces wordt georganiseerd, die het bouwen als arbeidsproces voor werknemers zo risicovol maken. Daardoor zijn de gevaren verbonden aan het werken in de bouw zo groot: de activiteiten van werknemers van de ene werkgever zullen immers vrijwel altijd van invloed zijn op de arbeidsomstandigheden van de werknemers van de andere werkgever(s). Een doeltreffende samenwerking bij het treffen van maatregelen en voorzieningen in de uitvoeringsfase van het bouwproces teneinde de daarbij optredende risico’s zoveel mogelijk in te perken, is daarbij dan ook van evident belang, evenals de voorbereidingen daarvoor in de ontwerpfase van dat proces.

Hierbij richt de Arbowet zich op de veiligheid van werknemers en zelfstandigen op de bouwplaats. De veiligheid voor de omgeving van de bouwplaats is geregeld in het Bouwbesluit 2012. Het bevoegd gezag kan een veiligheidsplan eisen, dat mede betrekking heeft op de afzetting van de bouwplaats.

V&G PLAN als coördinatie-instrument

Het veiligheids- en gezondheidsplan als coördinatie-instrument voor een doelmatig samenwerkingsverband op de bouwplaats.

De in artikel 2.28 (=V&G PLAN) van het arbobesluit voorgeschreven schriftelijke vastlegging van die samenwerking in de vorm van het veiligheids- en gezondheidsplan, vormt daarbij weliswaar een belangrijk hulpmiddel – bijvoorbeeld met het oog op de duidelijkheid omtrent gemaakte afspraken en het waarborgen van een goede communicatie ter zake – maar is geen doel op zich.

Waar het om gaat is dat de beoogde doelmatige samenwerking op een bouwplaats in het feitelijk gedrag van de betrokken werkgevers (werknemers) en eventueel zelfstandig werkenden tot uitdrukking moet komen. Het initiatief, de coördinatie en de coördinatie van de controle met betrekking tot die samenwerking is daarbij in handen gelegd van de coördinator voor de uitvoeringsfase.

In het kader van die verantwoordelijkheid moet deze coördinator – in overleg met de betrokken werkgevers en eventueel zelfstandig werkenden op de bouwplaats – afspraken maken over de toedeling van verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de te treffen maatregelen op het terrein van arbeidsomstandigheden en deze vervolgens vastleggen in het veiligheids- en gezondheidsplan, zo nodig uitgesplitst naar de diverse bouwfasen. Daarbij wordt ook afgesproken hoe en door welke werkgever daarop wordt toegezien en op welke wijze daarover wordt gerapporteerd. De coördinator bewerkstelligd dat de aldus gemaakte afspraken worden nagekomen en kan zo nodig aanwijzingen geven indien daaraan niet of op onvoldoende wijze uitvoering wordt gegeven.

BOUWPROCES

Ontwerpers moeten bij hun beslissingen tijdens het ontwerpproces rekening houden met de arbeidsomstandigheden van degenen die later op de bouwplaats met de uitvoering van het bouwwerk belast zullen worden. De principes die daarbij moeten worden toegepast zijn omschreven in de artikelen 3 (beleid), 5, eerste lid (RI&E) en derde lid, en 8  (VOET) van de Arbeidsomstandighedenwet en hoofdstuk 4, afdeling 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit; principes die ervan uitgaan dat aan het productieproces verbonden gevaren worden geïnventariseerd en geëvalueerd, dat gevaren in beginsel moeten worden voorkomen en anders zoveel mogelijk moeten worden beperkt bij de bron, dat collectieve beschermende maatregelen voorrang hebben boven individuele maatregelen, dat bij de inrichting van werkplekken en de keuze van werk- en productiemethoden de mens centraal dient te staan, dat alles met inachtneming van de ontwikkeling van de techniek op dit terrein.

Concreet betekent dit voor ontwerpers dat zij moeten nagaan:

  • of in het ontwerp rekening is gehouden met bijvoorbeeld veiligheidsvoorzieningen ten behoeve van de bouwplaats-afbakening zoals wegafzettingen en ruimte voor sanitair en schaftgelegenheid;
  • of de inzet, situering en reikwijdte van bouwkranen en ander zwaar materieel is voorzien;
  • of een zodanige bouwmethode mogelijk is dat de verschillende onderdelen van het bouwwerk, zoals gevel en dak tijdens bouw- en onderhoudswerkzaamheden veilig bereikbaar zijn, en
  • of bij de materiaalkeuze aandacht besteed is aan aspecten zoals gewicht, afmeting, ruwheid en giftigheid.

Ook dient te worden bezien of er mogelijk al voorzieningen aan het bouwwerk kunnen worden aangebracht (en eventueel in stand worden gehouden) waarvan bij latere onderhouds- of reinigingswerkzaamheden aan het dan gerealiseerde bouwwerk gebruik kan worden gemaakt. Te denken valt bijvoorbeeld aan bevestigingspunten voor steigers, vangnetten of dakrandbeveiligingen.

Voorzieningen met betrekking tot arbeidsomstandigheden worden op die manier een voorwaarde waaraan beslissingen al in de ontwerpfase worden getoetst.

Indien voor bepaalde facetten van het ontwerp, zoals het constructief-technische of installatie-technische gedeelte, afzonderlijke constructeurs of adviseurs zijn aangetrokken, moeten de bovengeschetste preventiebeginselen ten aanzien van elk facet worden toegepast en moet rekening worden gehouden met de mogelijk voor een bepaald facet reeds genomen beslissingen ter zake.

Bij een bouwwerk gaat het niet alleen om de totstandkoming van gebouwen, maar ook om civieltechnische bouwwerken, zoals die in de grond-, weg-, en waterbouw (GWW) plaatsvinden. Waarbij opdrachtgevers ook verantwoordelijkheid dragen voor risico’s bij werkzaamheden in of op de grond. In het algemeen gaat dit over risico’s zoals verontreinigde grond, de aanwezigheid van kabels, leidingen of conventionele explosieven in de grond of de draagkracht van de grond. Als deze risico’s spelen dienen deze te worden geïnventariseerd en geëvalueerd, opdat zo nodig maatregelen kunnen worden getroffen.

Indien tijdens de uitvoeringsfase risico’s optreden die in de ontwerpfase of bij de werkvoorbereiding in de uitvoeringsfase niet als zodanig zijn onderkend, of als er vanwege een wijziging van het bouwproces of de uitvoeringswijze tijdens de uitvoeringsfase nieuwe risico’s ontstaan, dan worden deze risico’s en de ter bestrijding daarvan te treffen maatregelen door de desbetreffende werkgever(s) beoordeeld, met de uitvoeringscoördinator besproken en vastgesteld, en door deze laatste in het veiligheids- en gezondheidsplan opgenomen. Voor zover nodig past de coördinator daarbij ook het dossier aan.

De gevaren welke benoemd zijn in het V&G PLAN

Op een bouwplaats werken meerdere partijen achtereenvolgend of gelijktijdig aan een bouwwerk. Hierdoor ontstaan overkoepelende risico’s die niet door elke werkgever afzonderlijk kunnen worden voorkomen. Daarnaast leidt het in elkaars nabijheid werken tot blootstelling aan gevaren die vreemd zijn aan het eigen werk. De bouwprocesbepalingen richten zich op de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever voor de coördinatie en samenwerking bij dit soort risico’s. De bepalingen laten onverlet dat iedere werkgever volledig verantwoordelijk blijft voor het veilig en gezond werken van de eigen werknemers.

Elke werkgever moet ten behoeve van het gezond en veilig werken voor zijn eigen personeel een RI&E opstellen. Als bouwwerken bijzondere gevaren met zich meebrengen zoals die opgenomen zijn in de niet-limitatieve lijst in bijlage II van de richtlijn 92/57/EEG of als het bouwwerk op grond van artikel 2.27  Arbeidsomstandighedenbesluit meldingsplichtig is, moet de opdrachtgever ervoor zorgen dat een V&G-plan wordt opgesteld. Dit plan is nodig vanwege en gerelateerd aan de «overkoepelende risico’s» die verbonden zijn met het werken op de bouwplaats en die iedere werkgever en zelfstandige niet voor zichzelf kan afdekken. Of er bijzondere gevaren en risico’s zijn moet blijken uit een specifieke projectgerichte inventarisatie daarvan. Deze inventarisatie is ook nodig om de coördinatie te kunnen voeren.

In het kader van de eerstgenoemde verantwoordelijkheid is de werkgever onder meer verplicht om de risico’s die het door hem gekozen productieproces voor de arbeid van zijn werknemers met zich brengt, te inventariseren en te evalueren en op basis daarvan doeltreffende maatregelen te treffen ter realisering van een effectief arbeidsomstandighedenbeleid. Bij ingrijpende wijziging van het productieproces moet deze inventarisatie en evaluatie opnieuw plaatsvinden en dienen eerder getroffen maatregelen zonodig te worden aangepast.

Voor werken en werkzaamheden die als (bijzonder) gevaarlijk worden beschouwd wordt verwezen naar de niet-limitatieve lijst in bijlage II van de richtlijn 92/57/EEG, die onder meer melding maakt van werkzaamheden waarbij sprake is van de blootstelling van werknemers aan gezondheidsschadelijke stoffen of ioniserende straling, het gebruik van springstoffen of de (de)montage van zware geprefabriceerde elementen en werken waarbij het gevaar van bedelving, vastraken of vallen door de aard van de werkzaamheden of de gebruikte werkmethoden bijzonder groot moet worden geacht.

Met nadruk zij erop gewezen dat sprake dient te zijn van gevaren, die de aan de reguliere bouwactiviteiten verbonden gebruikelijke risico’s, overstijgen.

Teneinde de aan het bouwproces verbonden gevaren te kunnen inventariseren en evalueren met het oog op de ter bestrijding daarvan vast te stellen maatregelen en voorzieningen, dienen de door de afzonderlijke werkgevers (op grond van artikel 5, eerste lid, van de Arbowet) verrichte inventarisaties en evaluaties en de op basis daarvan voorziene maatregelen, te worden geïntegreerd en afgestemd op de in de ontwerpfase met betrekking tot het bouwontwerp geïnventariseerde en geëvalueerde arborisico’s en de daarbij aangegeven mogelijk beschermende maatregelen.

Van een dergelijke geïntegreerde risico-inventarisatie en -evaluatie zal, zoals hiervoor uiteengezet, in het stadium waarin het veiligheids- en gezondheidsplan moet worden opgesteld, in de meeste gevallen nog geen sprake kunnen zijn. De onder art. 2.28, tweede lid onder b van het Arbobesluit bedoelde inventarisatie en evaluatie kan in die gevallen dan nog niet meer omvatten dan de met betrekking tot het ontwerp van het bouwwerk geanalyseerde arborisico’s en de op basis daarvan te treffen mogelijk beschermende maatregelen. Deze risicobeoordeling dient onderdeel uit te maken van het bestek, bijvoorbeeld in de vorm van een besteksanalyse, ten behoeve van potentiële of beoogde aannemer(s).

Voor wat betreft de inhoud van het V&G plan stelt artikel 2.28, tweede lid onder b: een inventarisatie en evaluatie van de specifieke gevaren voor het betreffende bouwwerk, waaronder de eventuele aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 4.37, verontreinigde grond, verontreinigd water of grondwater of verontreinigde waterbodems, en specifieke gevaren die het gevolg zijn van de gelijktijdige en achtereenvolgende uitvoering van de bouwwerkzaamheden en in voorkomend geval van de wisselwerking met doorgaande exploitatiewerkzaamheden.

Omdat in de bouw in feite sprake is van een «zwervend» en in vele opzichten uniek productieproces, dient door een bouwwerkgever voor elk nieuw project en elke nieuwe bouwlocatie te worden beoordeeld of de voor de bedrijfseigene activiteiten gemaakte risico-inventarisatie en -evaluatie en de op basis daarvan getroffen maatregelen en voorzieningen op het terrein van veiligheid en gezondheid, nog doeltreffend zijn voor de voor dat project, op die locatie heersende omstandigheden. Voorts moet in situaties waarin verschillende werkgevers bij het (bouw)productieproces zijn betrokken, een doelmatige samenwerking met betrekking tot de zorg voor de arbeidsomstandigheden plaatsvinden.

De risico-inventarisatie en -evaluatie in het V&G PLAN

De bouwplaats is hierbij te beschouwen als een eenmalige en unieke organisatie voor de productie van een bouwwerk. Het V&G-plan kan gezien worden als een risico-inventarisatie en -evaluatie voor de bouwplaatsspecifieke risico’s: er moeten risico’s van het specifieke bouwwerk, de specifieke locatie en werkplek alsmede de specifieke processen worden geïnventariseerd, maatregelen worden ontwikkeld en uitgevoerd, toezicht worden gehouden op die maatregelen en aan de werknemers op de bouwplaats moet adequate voorlichting en instructie worden gegeven. Terwijl de RIE gericht is op de gevaren en risico’s die horen bij het werk van de individuele werkgevers, gaat het bij het V&G-plan om gevaren die de gebruikelijke risico’s overstijgenzoals gevaren door het werken met extra risico voor bedelving, vastraken of vallen of gevaren door werkzaamheden uitgevoerd onder overdruk–, gevaren die ontstaan door de gelijktijdige of opeenvolgende werkzaamheden van de diverse partijen (werkgevers, hun werknemers en zelfstandigen) op de bouwplaats en gevaren die voortvloeien uit de samenloop van een bouwproces met een doorlopende exploitatie.

Terwijl de individuele werkgever zich richt op de gevaren en risico’s verbonden aan de werkzaamheden van zijn personeel, richt de opdrachtgever zich op gevaren en risico’s die meerdere of alle partijen op of naast de bouwplaats raken.

Het V&G-plan wordt in de praktijk soms als een papieren exercitie gezien en worden er  stukken opgenomen die algemeen van karakter zijn en ook op andere bouwwerken betrekking kunnen hebben. In het tweede lid, onderdeel b,  van artikel 2.28 Arbobesluit is daarom duidelijk gemaakt dat het gaat om een V&G-plan dat is toegeschreven op de risico’s van het specifieke bouwwerk.

Het gaat om de specifieke gevaren die kunnen voorkomen in dat bouwwerk en de maatregelen om deze gevaren te bestrijden en als dat niet mogelijk is de risico’s te beheersen.

In de praktijk blijkt dat het V&G-plan te veel een product is dat als administratieve verplichting wordt gezien die eenmalig moet worden nagekomen, in plaats van dat het als uitgangspunt dient voor maatregelen in de uitvoeringsfase ter bescherming van de werkenden op de bouwplaats. In het besluit is daarom duidelijker aangegeven dat het gaat om risico’s en maatregelen, die verbonden zijn aan het specifieke bouwwerk en bouwproces.

Partijen die achtereenvolgend of gelijktijdig werkzaam zijn op de bouwplaats moeten hun werkzaamheden zodanig op elkaar afstemmen, dat de werkzaamheden van de één niet leiden tot risico’s voor de ander. Dit is het zo genoemde samenloopgevaar. Het gaat hierbij om werkzaamheden waarbij partijen samen in één werkgebied of na elkaar werken en niet of onvoldoende op de hoogte zijn van elkaars werkprocessen en -gevaren.

Voorbeelden hiervan zijn het naast elkaar werken, waarbij de ene werknemer beschermd is tegen de gevaren van zijn eigen werkzaamheden, maar de werknemer van een andere werkgever daarnaast niet; het werken in aan- en afrijdroutes van andere partijen en het gevaar lopen aangereden te worden; en het boven een ander werken, waarbij het gevaar bestaat de ander te treffen met vallende of bewegende arbeids-middelen of materialen. De coördinator voor de ontwerpfase ziet toe op het, tijdens het ontwerpproces, beoordelen van de risico’s die het gevolg zijn van de keuzen die in het ontwerpproces worden gemaakt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan risico’s verbonden aan de plek van het bouwwerk op de locatie, de vorm, het volume, de voorkeur voor uitstraling van het bouwwerk en materiaalkeus. De coördinator voor de uitvoeringsfase ziet toe op de toepassing van maatregelen, inclusief bouwmethode en organisatie van het proces, stelt zeker dat werkzaamheden goed op elkaar worden afgestemd, bewerkstelligt dat er voorlichting is en neemt zo nodig doeltreffende maatregelen als werkgevers of zelfstandigen naar zijn oordeel niet correct uitvoering geven aan hun verplichtingen ter zake.

De risico’s kunnen overigens ook betrekking hebben op risico’s die voortvloeien uit een doorlopende exploitatie, zoals genoemd in artikel 2.28, tweede lid, onderdeel b, van het Arbobesluit. Bij doorlopende exploitatie gaat het er om dat de gebruikelijke activiteiten doorgaan, ondanks de bouwwerkzaamheden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om werkzaamheden aan de snelweg of het spoor, terwijl de naastliggende rijbanen of spoorrails in gebruik blijven of om renovatie aan een gebouw, terwijl het gebouw volledig in gebruik blijft, zoals een productielocatie, een winkel, ziekenhuis of school die door moet draaien.

De risico’s die verbonden zijn aan een doorlopende exploitatie moeten in de ontwerpfase worden gesignaleerd en ondervangen. Daarbij gaat het niet alleen om een veilige werkomgeving, maar ook om de veiligheid van derden op of naast de bouwplaats.

Als er risico’s bij werkzaamheden in of op de grond zijn waaraan werknemers of zelfstandigen blootgesteld kunnen worden, zoals verontreinigde grond, de aanwezigheid van kabels, leidingen of conventionele explosieven in de grond, of een beperkte draagkracht van de grond moet de werkgever deze risico’s benoemen in de risicoinventarisatie en -evaluatie (RIE). Als deze risico’s spelen op een specifieke bouwplaats, moet de werkgever daarover worden geïnformeerd, zodat hij maatregelen kan nemen om deze risico’s te vermijden of te beperken. In verband met het voorkomen van gevaar voor derden (artikel 10 Arbowet) moeten ook zelfstandigen en andere derden op gevaren worden gewezen. In het algemeen is daarvoor een bodemonderzoek nodig. Hoewel de arbeidsomstandighedenregelgeving niet een bodemonderzoek voorschrijft, kan een opdrachtgever als deze risico’s spelen de voorwaarden genoemd in artikel 2.26 moeilijk naleven zonder dit onderzoek te laten doen.

Aanvullende ONDERZOEK als onderdeel van het V&G PLAN

Terwijl in het verleden in het V&G-plan kon worden volstaan met het vermelden van de vereiste bestanddelen, dienen nu relevante informatie, onderzoeken en rapporten integraal, bijvoorbeeld als bijlage, opgenomen te worden in het V&G-plan. Daarmee wordt bereikt dat alle informatie die van belang is voor gezond en veilig werken in de uitvoeringsfase in één document is opgenomen. Het gaat hier niet alleen om de ontwerpfase maar ook om de uitvoeringsfase.

Bodemonderzoek

Dit betekent ook dat het hier moet gaan om een onderzoek, dat een goed inzicht geeft, en dat het bijvoorbeeld het bodemonderzoek moet voldoen aan de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening (dus voldoen aan de relevante normen, dan wel aan een alternatief, als daarmee aantoonbaar een vergelijkbaar veiligheidsniveau wordt gegarandeerd). Veelal is een bodemonderzoek ook verplicht op basis van bijvoorbeeld de milieuregelgeving, zoals de Wet bodembescherming, of doordat het een voorwaarde is voor een bouwvergunning. In dat geval wordt gekeken naar de belangen die voortvloeien uit de daarvoor relevante regelgeving. Voor de bescherming van werkenden gelden de verplichtingen op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving. In artikel 2.26 is toegevoegd een verwijzing naar hoofdstuk 4, afdeling 5, van het Arbobesluit; de afdeling die gaat over asbest. Handhaving ten aanzien van asbest was al mogelijk.

Verontreinigde grond is niet altijd als zodanig te herkennen. Daarom moet hier onderzoek naar worden gedaan. Op www.bodemloket.nl is voor veel locaties te zien of gegevens bekend zijn. Ook gemeenten, provincies en waterschappen hebben hierover vaak gegevens. Of een locatie verontreinigd is kan onder meer blijken uit een verkleuring van de grond, een aantasting van bestaande kabels en leidingen en aanwijzingen over historisch gebruik (zoals industrieel gebruik, benzinestations, wasserijen of stortplaatsen). Onderzoek naar de draagkracht van de grond is vereist om te voorkomen dat materieel wegzakt of afgravingen instorten. In het V&G-plan dient voor de werkzaamheden relevante informatie opgenomen te worden. Dit heeft onder meer betrekking op de resultaten van een bodemonderzoek. Hiermee wordt ook zeker gesteld dat de resultaten van een bodemonderzoek beschikbaar zijn op de bouwplaats, voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden.

Asbestinventarisatie

De gezondheidsrisico’s van blootstelling aan asbest zijn groot. Opdrachtgevers moeten in bepaalde gevallen asbestinventarisatierapporten laten opstellen, deze rapporten aan de saneerder overhandigen, werkzaamheden melden aan de Inspectie SZW en werken met een gecertificeerd bedrijf, als dit is voorgeschreven. Dit vloeit al voort uit de bouwprocesbepalingen, met name artikel 2.26 en artikel 2.28 van het Arbobesluit, in combinatie met hoofdstuk 4, afdeling 5, van het Arbobesluit, dat gaat over aanvullende voorschriften voor het werken met asbest. Verder is in artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit al geregeld dat de opdrachtgever over een asbestinventarisatierapport moet beschikken.

in artikel 2.26 Arbobesluit wordt nu verwezen naar de bepalingen in het Arbobesluit over asbest; het asbestinventarisatierapport moet worden opgenomen in het V&G-plan en dit plan dient ook informatie te bevatten over risico’s door de aanwezigheid van asbest en asbesthoudende producten; verder is aan artikel 2.32, van voornoemd besluit, als verplichting voor de opdrachtgever toegevoegd om het asbestinventarisatierapport over te dragen en aan artikel 9.6 Arbobesluit de verplichting om te werken met een gecertificeerd bedrijf.

VERPLICHTINGEN OPDRACHTGEVER

Artikel 9.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit regelt dat de opdrachtgever verplicht is tot naleving van de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 2.26 tot en met 2.29 en artikel 2.32 in voorkomende gevallen de artikelen 4.54a, vierde lid, en 4.54d, eerste lid.

In het kort komt het neer op de volgende onderwerpen:

Art. 2.26 : Algemene uitgangspunten inzake veiligheid en gezondheid bij het ontwerpen van een bouwwerk

Art. 2.27 : Melding

Art. 2.28 : Veiligheids- en gezondheidsplan

Art. 2.29 : Aanstelling coördinatoren

Art. 2.32 : Aanvullende verplichtingen opdrachtgever

Art. 4.54a, vierde lid: Opmaken rapport Asbestinventarisatie

Art. 4.54d, eerste lid: asbestverwijdering door een hiervoor gecertificeerd bedrijf

Aanvullende informatie:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.