Rechtspraak


ZOEKEN IN DATABANK RECHTERLIJKE UITSPRAKEN ONLINE

 

Geen gebruik veiligheidsschoenen ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden te
zware sanctie.

Val door trapsgat 50% aansprakelijkheid bij eigenaar van schip, 50% eigen schuld van loods.

Ongeval werknemer eigen schuld

Bron: RECHT.NLNIEUWS

Werkgeveraansprakelijkheid bij arbeidsongevallen in vogelvlucht

In dit artikel wordt in vogelvlucht uiteengezet hoe het bij arbeidsongevallen met de aansprakelijkheid van werkgevers is gesteld, onder verwijzing naar relevante jurisprudentie vanaf 2007.

69 gedachten over “Rechtspraak”

  1. 40.000 euro boete voor bouwbedrijf na dood medewerker

    Zwolle, 28 november 2019
    Een bouwbedrijf uit Groningen krijgt een geldboete opgelegd van 40.000 euro na een dodelijk bedrijfsongeval op een bouwplaats. Op 26 april 2017 overleed een medewerker nadat een betonnen wand op hem was gevallen. Omdat het bouwbedrijf niet opzettelijk handelde, is de straf lager dan de officier van justitie had geëist.

    Ernstig tekort geschoten

    Het bouwbedrijf is ernstig tekort geschoten bij het bieden van een veilige werkomgeving voor haar werknemers. De rechtbank oordeelt dat het bedrijf de risico’s beter had moeten inschatten. De werkgever had maatregelen moeten nemen om ongevallen te voorkomen. Dat dit niet is gebeurd rekent de rechtbank het bedrijf dan ook zwaar aan.

    Ongeschikt materiaal
    Het bouwbedrijf heeft op meerdere manieren de Arbowet overtreden. Bij het plaatsen en stellen van de betonnen wanden werd gebruik gemaakt van bepaalde ankers die niet geschikt waren voor gebruik in gestort beton. Daarnaast werden de ankers niet aangedraaid met het juiste gereedschap. Ook was er geen toezicht op de werkzaamheden door een daartoe speciaal aangewezen persoon en werd er gewerkt op de plek waar de wand, als die zou omvallen, neer zou komen.

    Strafmaat
    De straf is lager dan de officier van justitie eiste, omdat de rechtbank oordeelt dat er in het dossier geen bewijs is waaruit kan blijken dat het bouwbedrijf zich vooraf bewust was van de risico’s voor de medewerkers, maar desondanks verzuimde de nodige maatregelen te treffen. Hierdoor is er, anders dan de officier van justitie meende, geen sprake van een misdrijf, maar van een overtreding.

    Uitspraken
    ECLI:NL:RBOVE:2019:4467

  2. De Afdeling herhaalt haar jurisprudentie: bij een ‘verdachte’ rechtspersoon komt het zwijgrecht in beginsel alleen toe aan de bestuurders van die rechtspersoon

    De uitspraak van 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2801) betreft werknemers van een asbestverwijderingsbedrijf die bezig zijn met werkzaamheden in een pand. Na een melding van het asbestverwijderingsbedrijf zelf, vindt een inspectie plaats. Na een gesprek met de werknemers constateert de inspecteur dat sloopwerkzaamheden worden verricht, terwijl er in het pand asbesthoudende materialen zijn die nog niet zijn verwijderd. Het bedrijf krijgt om die reden een boete op grond van artikel 4.48a lid 1 Arbobesluit. Aan de boete ligt onder andere een verklaring van de werknemer van het asbestverwijderingsbedrijf ten grondslag.

    Bij de Afdeling staat de vraag centraal of de verklaring van een werknemer als bewijs mag dienen. Het asbestverwijderingsbedrijf vindt van niet aangezien de toezichthouder de werknemer niet op zijn zwijgrecht heeft gewezen en daarmee de cautieplicht, neergelegd in artikel 5:10a lid 2 Awb, zou zijn geschonden. De Afdeling kiest echter een lijn die zij in eerdere rechtspraak al heeft uitgestippeld:

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2115), volgt uit artikel 5:10a van de Awb dat de cautieplicht bestaat wanneer naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat de betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Blijft in een zodanig geval de cautie ten onrechte achterwege, dan kan de verklaring van de betrokkene in de regel niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd. Verder komt bij boeteoplegging aan een rechtspersoon het zwijgrecht, waarop door een cautie moet worden gewezen, slechts toe aan de bestuurders (zie onder meer de uitspraak van 27 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL0746).”

    Aangezien de werknemer geen bestuurder is van het asbestverwijderingsbedrijf had de toezichthouder niet de plicht om de cautie aan de werknemer te geven. De verklaring mocht dienen als bewijs

    Dilemma voor de werknemers

    Naast de constatering dat het zwijgrecht uitgehold kan worden als toezichthouders via werknemers allerlei informatie verkrijgen die zij anders niet zouden hebben gekregen van de werkgever/bestuurder(s), brengt het de werknemers in de praktijk ook voor een lastig dilemma: de werknemer is op grond van artikel 5:20 Awb verplicht om medewerking te verlenen aan de toezichthouder. Hem komt geen beroep op het zwijgrecht toe en het weigeren van medewerking is nota bene strafbaar. Niet meewerken lijkt daarom geen optie. Echter, wel meewerken kan ook ongunstig uitpakken voor de werknemer. Het zal de werknemer immers niet in dank worden afgenomen bij de werkgever als hij belastende verklaringen aflegt over de ‘verdachte’ rechtspersoon. Arbeidsrechtelijke consequenties zijn voor de werknemer dus niet uit te sluiten.

    Zijn er uitzonderingen?

    Is het gevolg van deze rechtspraak dat werknemers altijd verplicht zijn om antwoord te geven op vragen van toezichthouders? Het antwoord is nee. In drie situaties komt de werknemer het zwijgrecht namelijk wel toe en zal de toezichthouder de cautie moeten geven:

    1. Indien de werknemer tevens bestuurder is van de verdachte rechtspersoon (dit bleek al uit het voorgaande)
    2. Indien de werknemer persoonlijk risico loopt op een bestraffende sanctie. Dit zal het geval zijn als de werknemer als opdrachtgever of als feitelijk leidinggevende heeft opgetreden bij de overtreding (artikel 5:1 lid 3 Awb)
    3. Indien de wet het zwijgrecht expliciet toekent aan werknemers. Dit is bijvoorbeeld gebeurt in artikel 12i Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Hierin is bepaald dat het zwijgrecht niet alleen toekomt aan bestuurders, maar aan alle voor de marktorganisatie werkzame natuurlijke personen.

    Het bericht ‘De Afdeling herhaalt haar jurisprudentie: bij een ‘verdachte’ rechtspersoon komt het zwijgrecht in beginsel alleen toe aan de bestuurders van die rechtspersoon‘ is een bericht van Stibbeblog.nl.

  3. Rechtbank verklaart bezwaarschrift dagvaarding in strafzaak over bedrijfsongeval met dodelijk afloop gegrond

    28 Augustus 2019/ Joyce Verhaert

    Rechtbank Overijssel 14 juni 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:2375

    Aan klaagster is bij dagvaarding, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat zij: als werkgever handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of de daarop berustende bepalingen waardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was.

    Het bezwaar

    De raadsvrouw van klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat haar cliënt buiten vervolging dient te worden gesteld, omdat haar cliënt niet als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) kan worden aangemerkt en er ook niet onder het gezag van haar cliënt, zoals bedoeld in die wet, arbeid is verricht. Het is daarom hoogst onwaarschijnlijk te achten dat de strafrechter, later oordelend, haar cliënt ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen.

    Het standpunt van de officier van justitie

    De officier van justitie heeft geconcludeerd, onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof Arnhem van 31 augustus 2010, parketnummer 21/00453-09, tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift. Hij heeft daartoe aangevoerd dat klaagster wel degelijk werkgever is in de zin van de Arbowet en voorts dat sprake is geweest van een gezagsverhouding. Dit maakt dat de situatie zich niet voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter, later oordelend, klaagster ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen.

    Het oordeel van de rechtbank

    De op de indiening van het bezwaarschrift volgende raadkamerprocedure draagt een summier karakter. Wel is van belang dat onderscheid moet worden gemaakt tussen feitelijke verweren, juridische verweren en gemengde verweren. Het criterium is of het ‘hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten’. Zuiver juridische vraagpunten kunnen in het kader van de bezwaarschriftprocedure volledig worden beoordeeld. De toetsing wijkt in dat geval niet af van die van de zittingsrechter.

    In deze zaak staan de feiten vast en staat een puur juridische vraag centraal. Tussen de officier van justitie en de verdediging bestaat geen discussie over de feiten, maar slechts over de juridische duiding daarvan. De rechtbank stelt in dat kader vast dat namens klaagster B.V. opdracht was gegeven aan bedrijf B.V. (hierna: bedrijf B.V.) om een afzuiginstallatie te plaatsen. De montagewerkzaamheden zijn door bedrijf B.V. uitbesteed aan de heren Naam 1 en Naam 2, beiden zelfstandig ondernemers. Van belang is dat bedrijf B.V. bij het opstellen van de offerte heeft aangegeven dat er een hoogwerker zou moeten worden geregeld. De heer medeklager, directeur van klaagster B.V., heeft toen gezegd dat dit niet nodig was, omdat er een vorkheftruck met bak aanwezig was in het bedrijfspand. Van deze constructie is uiteindelijk ook gebruikgemaakt. Bij de werkzaamheden is de bak gekanteld en is de heer Naam 2 als gevolg daarvan overleden. Later is uit onderzoek van de Inspectie SZW gebleken dat het gebruik op deze wijze van de vorkheftruck met bak vermoedelijk niet voldoet aan de veiligheidsvoorschriften en –regels.

    De vraag is of klaagster als werkgever kan worden aangemerkt in de zin van de Arbowet. Bij de beantwoording van de vraag, moet worden gekeken naar de definities van het begrip ‘werkgever’, zoals genoemd in de Arbowet.

    Artikel 1, eerste lid, onder a van de Arbowet bepaalt dat onder werkgever wordt verstaan:

    1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

    2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°..

    Artikel 1, tweede lid, onder a van de Arbowet bepaalt dat mede onder werkgever wordt verstaan:

    1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;

    2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen.

    Gesteld noch gebleken is dat er een arbeidsovereenkomst bestond tussen klaagster en Naam 1. Evenmin is gesteld of gebleken dat er een dergelijke overeenkomst bestond tussen klaagster en Naam 2. Ook is niet gesteld of gebleken dat Naam 1 en Naam 2 aan klaagster ter beschikking waren gesteld als bedoeld in de Arbowet. Beiden waren zelfstandig ondernemers, die werkzaamheden verrichtten die buiten de expertise van klaagster vielen en welke werkzaamheden juist daarom door klaagster waren uitbesteed aan het ter zake kundig bedrijf, te weten bedrijf B.V.. Voorts oordeelt de rechtbank dat niet uit de stukken kan worden afgeleid dat de onderhavige werkzaamheden werden uitgevoerd onder gezag van klaagster. De enkele mededelingen van medeklager dat klaagster beschikte over een vorkheftruck met een bak en dat het huren van een hoogwerker niet nodig was, zijn daarvoor onvoldoende. De rechtbank hecht voorts geen waarde aan de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheid dat contact is geweest tussen medeklager enerzijds en Naam 1 en Naam 2 anderzijds over de plek waar de afzuiginstallatie moest komen en dat er voor vragen iemand beschikbaar was. Dit komt immers overeen met het gegeven dat de opdracht vanuit klaagster B.V. slechts is gegeven als ‘klant’. Hoe dan ook kan die omstandigheid nog niet de conclusie rechtvaardigen (ook niet in combinatie met de voormelde mededelingen) dat er sprake was van een gezagsverhouding zoals bedoeld in de Arbowet.

    Op grond van het vorenstaande wordt geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig is en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, het ten laste gelegde geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. Het bezwaarschrift zal daarom gegrond worden verklaard en verdachte zal buiten vervolging worden gesteld.

    Lees hier de volledige uitspraak.

  4. Boete voor transportbedrijf uit Dedemsvaart na ongeval met boekencontainer blijft in stand
    Bron:www.destentor.nl
    Een transportbedrijf in Dedemsvaart is terecht beboet voor het overtreden van de Arbowet in 2017. Dat oordeelt de bestuursrechter in Zwolle. Bij het uitladen bij een school in Ede viel een rolcontainer vol schoolboeken van de laadklep en kwam op een leerling terecht die een handje hielp met het lossen. Het meisje liep gebroken ruggenwervels en een neusbreuk op.
    Het ongeval gebeurde op 14 augustus 2017 bij het Pallas Athene College in Ede. Een chauffeur van Oegema Transport kwam containers vol boeken afleveren en zoals zo vaak bij andere scholen ook gebeurt hielpen leerlingen de rolcontainers de school in te rijden: ze krijgen daar een zakcentje voor. Het ging mis toen de laadklep op de hoogste stand stond en een container eraf rolde. Het meisje liep op dat moment vlak achter de wagen langs en is geraakt door het object.
    Geen veilige werkwijze
    De inspecteur van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het ongeval onderzocht en geconcludeerd dat de werkgever van de chauffeur geen veilige werkwijze heeft gehanteerd. Tegen de boete van 21.600 euro heeft het transportbedrijf bezwaar aangetekend, maar de rechter gaf het ongelijk.
    Het bedrijf had weliswaar in de zogenoemde Risico-inventarisatie & evaluatie vastgelegd dat ‘risicovolle situaties voor omstanders [moet] worden voorkomen.’ Maar volgens de rechter is die bepaling onvoldoende uitgewerkt in concrete aanwijzingen. Die aanwijzingen hadden kunnen zijn: wat de afstand mag zijn voor omstanders door bijvoorbeeld een gebied rond de laadklep af te zetten met linten, of geen hulp van derden (in dit geval scholieren) te accepteren. Er zijn ook met de school geen nadere afspraken gemaakt over veiligheidsmaatregelen. Ook de instructies aan (beginnende) chauffeurs waarop het bedrijf zich beroept, zijn volgens de rechter te weinig concreet geweest.

  5. ECLI:NL:RBAMS:2019:4431

    • Verrijkte uitspraak

      Uitspraak delen

      Uitspraak

      RECHTBANK AMSTERDAM

      Bestuursrecht

      zaaknummer: AMS 18/3241

      uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2019 in de zaak tussen

      [eiseres] te [plaatsnaam] , eiseres

      (gemachtigde: [naam] ),

      en

      de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (voorheen de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), verweerder

      (gemachtigde: [naam] ).

      Procesverloop

      Met het besluit van 26 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 10.800,- wegens overtreding van artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).

      Met het besluit van 28 maart 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

      Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

      Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

      Met een besluit van 3 mei 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de hoogte van de boete vastgesteld op € 9.450,-.

      Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn [naam] ( [naam] ) en [functie]1[functie] [naam] als getuigen gehoord.

      Overwegingen

      Feiten

      1. Uit het boeterapport van 13 juni 2016 blijkt dat op 21 januari 2016 op een bouwterrein van [naam] in [plaatsnaam] een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden. [naam] is als [functie] in dienst bij het bedrijf van eiseres. [naam] was bezig met het inladen van bouwhekken. Het was die dag de tweede rit met bouwhekken en daarom lagen de voor het laden benodigde hijsbanden al in de laadbak van de vrachtwagen. Om bij de hijsbanden in de laadbak te kunnen komen had [naam] de zijklep van de laadbak laten zakken tot een 90 gradenhoek, zodat de zijklep in het verlengde van de vloer van de laadbak stond. De hijsbanden lagen ongeveer een halve meter vanaf de zijkant van de vloer van de laadbak. [naam] stond op de zijklep en stapte naar de eerste hijsband, stapte terug naar de kant van de zijklep en gooide de hijsband naar beneden. [naam] is van de zijklep gevallen toen hij met de tweede hijsband naar de rand van de zijklep is gestapt. [naam] is ongeveer 1,52 meter naar beneden gevallen. Hij is met zijn linkerelleboog op de voet van een bouwhek gevallen, waardoor deze elleboog uit de kom is gegaan en gebroken.

      Besluiten

      1. Verweerder heeft eiseres een boete opgelegd van € 10.800,- en daaraan het boeterapport ten grondslag gelegd. Deze boete heeft verweerder in het bestreden besluit I gehandhaafd. Volgens verweerder is op grond van artikel 3.16, tweede lid, van het Arbobesluit sprake van valgevaar bij de aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden. De aanwezigheid van een voet van een bouwhek op de grond dichtbij de laadklep is een risicoverhogende omstandigheid, omdat het vallen op een voorwerp de gevolgen van een val vergroot. Artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit is volgens verweerder overtreden, omdat bij het verrichten van arbeid, waarbij valgevaar bestond, het gevaar niet is tegengegaan door het aanbrengen van een voorziening.
      2. In het bestreden besluit II heeft verweerder aanleiding gezien om de evenredigheid van de hoogte van de boete opnieuw te beoordelen. Vanwege de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het letsel en de duur van de ziekenhuisopname, is de boete vastgesteld op € 9.450,-.

      Wettelijk kader

      1. In artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit is voorgeschreven dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer is aangebracht of het gevaar is tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Op grond van het tweede lid is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.

      Het bestreden besluit I

      5.1.

      De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep het bestreden besluit II heeft genomen, waarmee het bestreden besluit I is vervangen. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij een inhoudelijke boordeling van het bestreden besluit I. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

      5.2.

      Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van eiseres mede betrekking op het bestreden besluit II.

      Het bestreden besluit II

      1. Eiseres heeft aangevoerd dat het voorval heeft plaatsgevonden op een bouwplaats, waar altijd wel iets op de grond ligt. Verweerder heeft niet vooraf objectief het valgevaar beoordeeld, maar heeft achteraf vanwege een ingetreden gevolg dat gevaar geconstrueerd.

      Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij wel een maatregel ter beperking van een eventueel valrisico heeft genomen. [naam] heeft de zijklep van de laadbak van de vrachtwagen horizontaal geplaatst, waarmee een bordes was gecreëerd. Het aanbrengen van een bordes of werkvloer is een voorziening genoemd in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit.

      1. Volgens verweerder kan de betonnen voet van het hekwerk de gevolgen van een val verergeren en is deze daarom een risicoverhogende omstandigheid. Gezien het aanwezig geachte valgevaar had een leuningwerk aangebracht dienen te zijn tijdens de werkzaamheden. De laadklep, voor zover deze als bordes kwalificeert, is geen veilig bordes aangezien een leuningwerk daarop ontbreekt.
      2. In de toelichting bij artikel 3.16, tweede lid, van het Arbobesluit2 is vermeld dat in deze bepaling is opgenomen dat bij omstandigheden die het risico van vallen vergroten maatregelen moeten worden genomen. Bij omstandigheden die het risico van vallen vergroten kan gedacht worden aan weersomstandigheden, het werken boven een gevaarlijk oppervlak of het werken met gevaarlijke arbeidsmiddelen. Hieruit volgt dat onder risicoverhogende omstandigheden ook moeten worden verstaan omstandigheden die de gevolgen van een val vergroten.3 Uit het gegeven dat [naam] van de zijklep viel en toen op de betonnen voet van het hekwerk is gevallen, concludeert de rechtbank dat die betonnen voet zo dicht bij de werkplaats van [naam] stond dat er een risicoverhogende omstandigheid was. Dat betekent dat er valgevaar was.
      3. Vervolgens is het de vraag of de door eiseres toegepaste voorziening, het horizontaal plaatsen van de zijklep, een voorziening is als bedoeld in het eerste lid van
        artikel 3.16 van het Arbobesluit.
      4. De rechtbank oordeelt als volgt. Door het uitklappen van de zijklep in een horizontale positie is extra ruimte gecreëerd op het niveau van de laadbak van de vrachtwagen. Deze zijklep is even lang als de laadbak van de vrachtwagen en de breedte is door eiseres geschat op ongeveer 70 centimeter. Eiseres heeft toegelicht dat die extra ruimte nodig is om te voorkomen dat werkzaamheden worden uitgevoerd staande op de lading in de laadbak. Zo kan het voor het losmaken of aanslaan (vasthaken) van de lading nodig zijn om vanaf de zijklep te werken. De rechtbank stelt vast dat door het uitklappen van de zijklep een extra werkruimte is gecreëerd en dat die extra werkruimte, anders dan een laadbak met lading, geen oneffenheden kent. In de zogenoemde taakrisicoanalyse is een instructie opgenomen over hoe met de geopende zijklep gewerkt moet worden.4 Eiseres heeft, mede gelet op deze instructie, terecht aangevoerd dat het uitklappen van de zijklep op de wijze als hiervoor omschreven een voorziening is als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.16 van het Arbobesluit.

      Conclusies

      1. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond zal worden verklaard omdat er geen overtreding is van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II.
      2. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
      3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

      Beslissing

      De rechtbank:

      – verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

      verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;

      vernietigt het bestreden besluit II;

      herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II;

      draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;

      veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
      € 2.048,-.

      Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter, en

      1. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. F.L. Bolkestein, leden, in aanwezigheid van
        mr. C. Pasteuning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2019.

      griffier

      rechter

      De voorzitter is verhinderd

      de uitspraak te ondertekenen.

      Afschrift verzonden aan partijen op:

      Rechtsmiddel

      Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

      Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

      1 Kwaliteit, Arbo en Milieu.

      2Stb. 2006, 674, p. 12.

      3 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:536.

      4 In deze instructie staat o.a.: “Blijf hierbij zo veel mogelijk uit de kant en blijf dicht bij de zijde van de laadbak.”

  6. Aldi aansprakelijk voor val caissière in supermarkt

    Bron:www.distrifood.nl

    Ben je als werkgever aansprakelijk als je werknemer na werktijd uitglijdt op de winkelvloer tijdens het doen van boodschappen? Dat werd recent door het Hof Den Haag beoordeeld. Een blog van Dico Bogerd.

    Wat was de situatie? Er heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij de medewerkster letsel heeft opgelopen. Zij was op de dag van het ongeval in dienst bij Aldi in de functie van caissière. De dag na het ongeval heeft werkneemster zich ziek gemeld en heeft zij haar huisarts bezocht. Zij heeft haar werkzaamheden voor het einde van het dienstverband niet meer hervat. Ze had een tijdelijk contract.

    De medewerkster heeft Aldi aansprakelijk gesteld voor het ongeval. Aldi stelt dat de medewerkster pas ten val is gekomen na sluitingstijd bij het doen van boodschappen en ten val kwam op de natte vloer waar zij – nota bene zelf – 10 minuten daarvoor had gedweild vanwege een gevallen pot erwten/wortelen.

    Kantonrechter wijst verzoeken af

    De kantonrechter gaat mee met de visie van Aldi en wijst de verzoeken van de medewerkster af, omdat het ongeval niet plaatsvond “in de uitoefening van haar werkzaamheden” en er ook geen sprake is van een schending van de zorgplicht. Er is volgens de kantonrechter sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

    Hof vat begrip werkplek ruim op

    Het Hof ziet dit echter anders. Het hof stelt voorop dat zowel het begrip ‘werkzaamheden’ als het begrip ‘werkplek’ ruim moet worden opgevat. Verder bepaalt artikel 3.2. van het Arbobesluit dat arbeidsplaatsen veilig toegankelijk moeten zijn en veilig (moeten) kunnen worden verlaten.

    Als ervan wordt uitgegaan dat de medewerkster na afronding van haar werkzaamheden en na sluitingstijd boodschappen heeft gedaan dan geldt dat zij die boodschappen op haar werkplek heeft gedaan, en in ieder geval heeft gedaan vóórdat zij het filiaal, na afronding van haar werkzaamheden die dag, had verlaten.

    Het begrip ‘werkzaamheden’ en het begrip ‘werkplek’ moet ruim worden opgevat

    Het Hof is van oordeel dat deze handelingen zo nauw in verband staan tot het dienstverband bij Aldi en de uitoefening van haar werkzaamheden, dat het ongeval dat haar is overkomen heeft te gelden als een ongeval in de uitoefening van haar werkzaamheden. Aldi is dan in principe voor de schade aansprakelijk tenzij Aldi aantoont dat zij haar zorgplicht is nagekomen.

    Zorgplicht

    De toedracht van het ongeval kan niet goed meer worden vastgesteld. Het Hof loopt daarom een aantal zaken langs, om te beoordelen of Aldi aan haar zorgplicht heeft voldaan.

    1. Op grond van het Arbobesluit moeten vloeren van arbeidsplaatsen zo veel mogelijk vrij zijn van oneffenheden en moeten zij verder zo veel mogelijk vast, stabiel en stroef zijn. Niet gebleken is dat bij de inrichting op enige wijze rekening is gehouden met het voorkomen van het vallen van boodschappen tijdens het vullen.
    2. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de vloer van het filiaal specifieke kenmerken bevat die slip- of valgevaar zoveel mogelijk beperken.
    3. Verder heeft Aldi ook geen schoenen verstrekt of eisen gesteld aan de schoenen van het personeel om het valgevaar op de vloer te beperken.
    4. Aldi heeft geen Risico Inventarisatie en Evaluatie (RIE) overgelegd waaruit kan blijken welke veiligheids- en omgevingsrisico’s er in het filiaal zijn ten aanzien van valgevaar en er is ook geen plan van aanpak opgesteld.
    5. Tenslotte is niet gebleken dat een geel waarschuwingsbord op de natte vloer was neergezet.

    Het Hof is dan ook van oordeel dat Aldi niet bewezen heeft dat zij deze maatregelen of andere toereikende maatregelen heeft genomen. Het Hof concludeert dan ook dat Aldi niet aan haar zorgplicht heeft voldaan en zij aansprakelijk is voor de door de medewerkster geleden en nog te lijden schade.

    Kortom: het is ontzettend belangrijk om in de winkel te zorgen dat aan de voorschriften – die soms wat formeel aanvoelen – is voldaan en dat het personeel ook doordrongen is van het opvolgen van de regels. Anders kan dit grote gevolgen hebben.

    Een blog van Dico Bogerd, arbeidsrechtspecialist retail bij BVD advocaten.

    Eerste publicatie door Dico Bogerd / BVD Advocaten op 28 jun 2019

    Laatste update: 28 jun 2019

  7. Opdrachtgever ZZP’er onder omstandigheden aansprakelijk voor letselschade door arbeidsongeval
    Bron:Barneveldsekrant.nl

    BARNEVELD
    Dat een werkgever in beginsel aansprakelijk is voor letselschade die een werknemer oploopt door een tijdens het dienstverband overkomen arbeidsongeval weten veel mensen wel. De wet (artikel 7:658 lid 2 BW) bepaalt dat de werkgever jegens zijn werknemer aansprakelijk is voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij bewijst dat hij aan zijn zorgplicht voor een veilige werkplek heeft voldaan of de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Maar hoe zit dat bij een ZZP’er?
    EXPLOSIEF GEGROEID
    Het aantal zzp’ers is in Nederland explosief gegroeid. In 2018 startten er maar liefst 168.000 zzp’ers. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) telde Nederland op 1 januari 2019 1,9 miljoen ondernemingen, waarvan maar liefst 1.237.734 zzp’ers. De arbeidsrechtelijke bescherming die werknemers in loondienst genieten geldt in veel gevallen niet voor zzp’ers. Als zzp’er kies je bewust voor het zelfstandig ondernemerschap met alle daarbij behorende kansen maar ook risico’s. Als zzp’er wordt je geacht je eigen risico’s te dragen, waaronder ook het risico dat je als gevolg van een arbeidsongeval arbeidsongeschikt raakt en van de één op de andere dag zonder inkomen zit. Om dit financiële risico (deels) af te dekken kan weliswaar een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV-verzekering) worden afgesloten, maar de hoge premie is voor veel zzp’ers niet op te brengen en/of staat in geen verhouding tot de beperkte uitkering bij arbeidsongeschiktheid. Nu slechts 20% van de zzp’ers een AOV-verzekering heeft loopt 80% van de zzp’ers een groot risico dat zij bij arbeidsongeschiktheid niet meer aan hun maandelijkse betalingsverplichtingen kunnen voldoen. Dat kan uiteraard grote gevolgen hebben, zowel voor de zzp’er zelf als zijn eventuele gezin.
    Hoewel zzp’ers niet dezelfde bescherming genieten als werknemers heeft de Hoge Raad reeds in 2012 een arrest gewezen in een zaak van een zzp’er die tijdens reparatiewerkzaamheden aan machines bij zijn opdrachtgever met zijn been in de machine terecht was gekomen, waardoor een deel van zijn been moest worden geamputeerd. In dit arrest is bepaald dat de reeds in 1998 in werking getreden ‘Wet flexibiliteit en zekerheid’ ook bescherming kan bieden aan zzp’ers die door een arbeidsongeval letsel oplopen. Tot dat moment bestond er in de literatuur en rechtspraak namelijk discussie over de vraag of ook zzp’ers bescherming konden ontlenen aan artikel 7:658 lid 4 BW of dat deze wetsbepaling alleen bescherming bood bij o.a. uitzendwerk, uitlening, stagiairs en vrijwilligers. Het betreffende wetsartikel luidt als volgt: “Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.”
    De Hoge Raad oordeelde in lijn met de wetsgeschiedenis dat de achtergrond van lid 4 is dat de vrijheid van degene die een beroep of bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door werknemers of door anderen niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval. Het is dus wenselijk dat de opdrachtgever die arbeid laat verrichten in zijn bedrijf aansprakelijk is voor een ongeval als hij verwijtbaar tekort is geschoten in zijn zorgplicht voor een veilige werkplek. Hoewel de Hoge Raad hiermee duidelijk heeft gemaakt dat een zzp’er onder het beschermingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW kan vallen, moet wel voldaan worden aan drie voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat de zzp’er voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van de opdrachtgever. De tweede voorwaarde is dat de zzp’er zich in een met een gewone werknemer vergelijkbare positie bevindt, waarbij moet gelden dat de zzp’er werkzaamheden voor de opdrachtgever heeft verricht die tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoren. De uitgevoerde werkzaamheden hadden gelet op de wijze waarop de opdrachtgever invulling gaf aan zijn bedrijf dus ook door eigen werknemers kunnen worden uitgevoerd. En tot slot geldt als derde voorwaarde dat de opdrachtgever zijn zorgplicht jegens de zzp’er moet hebben geschonden. Indien aan deze voorwaarden is voldaan kan de zzp’er een succesvol beroep doen op de bescherming van artikel 7:658 lid 4 BW en zal de opdrachtgever de schade die de zzp’er door het arbeidsongeval lijdt moeten vergoeden.
    SCHADE KAN AANZIENLIJK ZIJN

    De schade die een zzp’er door een arbeidsongeval lijdt kan aanzienlijk zijn. De schade kan bijvoorbeeld bestaan uit inkomstenderving door de uitval van de zzp’er, kosten voor een vervangende arbeidskracht die de werkzaamheden tijdelijk heeft overgenomen, medische kosten, schade wegens hulpbehoefte in het huishouden, schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid doordat bepaalde onderhoudswerkzaamheden in en aan de woning en/of de tuin niet meer zelf kunnen worden gedaan, reiskosten etc. Daarnaast kan de zzp’er die letsel oploopt door een arbeidsongeval waarvoor een opdrachtgever aansprakelijk is uiteraard ook aanspraak maken op een smartengeldvergoeding. Zowel over de vraag of is voldaan aan genoemde drie voorwaarden voor het vestigen van de aansprakelijkheid als over de vaststelling van de aard en omvang van de aan het ongeval toerekenbare schade bestaat vaak veel discussie met de aansprakelijkheidsverzekeraar van de opdrachtgever. De zzp’er staat hierbij tegenover een verzekeraar die niet alleen over veel meer kennis van zaken beschikt maar ook veel diepere zakken. De strijd om de vaststelling van de aansprakelijkheid en vergoeding van de schade is bij voorbaat dus al een ongelijke strijd. Zzp’ers doen er in voorkomend geval dan ook verstandig aan om zich in een zo vroeg mogelijk stadium te laten bijstaan door een gekwalificeerde letselschadeadvocaat.
    Aangeboden door: mr. F.A. (Frans) Janse Letselschade & Arbeidsrecht Advocaat Janse Advocaten, Barneveld 

  8. Vrijspraak van schuld aan bedrijfsongeval Hedel

     

    Arnhem, 04 april 2019

    De rechtbank spreekt een 56-jarige man uit Rosmalen vrij van het overtreden van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. De man, vestigingsmanager, werd ervan verdacht dat hij als werkgever, feitelijk leidinggevende, onvoldoende heeft gedaan om zijn werknemers te wijzen op het nemen van veiligheidsmaatregelen. Volgens de rechtbank is hier geen sprake van. 

    Op 21 mei 2015 vond in Hedel een dodelijk bedrijfsongeval plaats. Bij het lossen van goederen met een Kooiaap viel het voertuig op de steile weg van de dijk naar beneden. De chauffeur kwam onder de Kooiaap terecht. Waarschijnlijk droeg hij geen veiligheidsgordel.

    Voldoende gewezen op dragen gordel

    De vestigingsmanager is als werkgever en feitelijk leidinggevende als verdachte aangemerkt voor het overtreden van de Arbeidsomstandigheden wet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. De rechtbank oordeelt dat de man voldoende heeft gedaan om zijn werknemers op het dragen van de veiligheidsgordel te wijzen, maar ook op de risico’s van het niet dragen daarvan. Binnen het bedrijf heeft hij daar ook voldoende op toegezien.

     

    Omdat het werken met de Kooiaap niet was opgenomen in de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E), is strikt genomen niet voldaan aan de eisen van artikel 5 van de Arbeidsomstandigheden wet. Maar binnen het bedrijf waren voldoende maatregelen genomen om het risico van het werken met de Kooiaap te beperken. Zo gingen de chauffeurs regelmatig naar cursus. Ook de hercertificering was uitbesteed aan een deskundig bedrijf en binnen het bedrijf hingen op meerdere plaatsen posters met waarschuwende afbeeldingen.

     

    Vrijspraak

    De enkele omstandigheid dat het werken met de Kooiaap niet in de RI&E was opgenomen, leidt er naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden niet toe dat hier sprake was van een strafbare overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet. De rechtbank spreekt de man daarom vrij van alle verwijten die hem werden gemaakt.

  9. Fataal bedrijfsongeval mestbedrijf Waalwijk: veroordeling wegens dood door schuld
     
    Breda, 03 april 2019
    Een meststoffenbedrijf uit Waalwijk en zijn directeur zijn woensdag veroordeeld wegens dood door schuld. In 2014 bezweek een muur in een loods van het bedrijf onder het gewicht van een grote hoeveelheid kunstmest , waardoor twee mannen om het leven kwamen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant houdt het bedrijf en zijn directeur hier verantwoordelijk voor. Aan de directeur zijn een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een taakstraf van 180 uur opgelegd. Het bedrijf krijgt een boete van 180.000 euro, waarvan 50.000 euro voorwaardelijk. De proeftijd is in beide gevallen twee jaar.
    Bezweken
    Op 11 september 2014 kreeg een werknemer van het bedrijf ’s ochtends de opdracht een vak voor mestopslag leeg te scheppen met een zogeheten verreiker. Hij moest een grote hoeveelheid kunstmest in het vak ernaast storten, dat al helemaal volgeladen was. Hiermee moest ruimte worden gemaakt voor nieuwe aanvoer van kunstmest. Later in de middag is de medewerker terug naar de verreiker gegaan, die in het leeggemaakte vak stond. Een medewerker van de leverancier van het voertuig was meegelopen vanwege een mankement. Juist toen de mannen bij het voertuig waren, viel de scheidingsmuur om. De mannen, 54 en 22 jaar oud, raakten bedolven onder de betonblokken en overleden ter plaatse.
    Vergunning
    Uit onderzoek na het ongeval is gebleken dat de scheidingsmuren tussen de vakken uit het lood stonden en dat de betonnen blokken waar de muren uit opgebouwd waren, soms gebroken waren en aangetast waren door corrosie, veroorzaakt door de opslag van kunstmest. In het vak van de omgevallen muur bleek ruim 800 ton kunstmest te liggen, terwijl er een vergunning lag voor de opslag 250 ton kunstmest per vak. In de loods bleek sprake van slecht onderhoud en roestvorming.
    Ernstig tekort geschoten
    De rechtbank vindt dat het bedrijf en zijn directeur ernstig tekort zijn geschoten bij het bieden van een veilige werkomgeving voor werknemers en bezoekers. Het voor iedereen duidelijk zichtbare gebrek aan onderhoud en het gebrek aan veiligheidsmaatregelen heeft pas tot besef van de ernst van de situatie geleid toen het te laat was en het dodelijk ongeval had plaatsgevonden. Maximale productie en opbrengst stonden kennelijk voorop, en niet de veiligheid van medewerkers. Iedere werkgever behoort de veiligheid van zijn personeel op de allereerste plaats te zetten en dat was hier niet het geval. De rechtbank veroordeelt de directeur en zijn bedrijf wegens dood door schuld, overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
    Nader onderzoek
    De zaak is in 2017 een eerste keer inhoudelijk behandeld door de rechtbank. Na de zitting besloot de rechtbank alsnog dat een aantal zaken nader onderzocht moest worden. Ze wees een tussenvonnis waarin de onderzoeksvragen over de wijze van beladen van het vak waarin de kunstmest werd opgeslagen, geformuleerd werden. Twee weken geleden werd de zaak opnieuw behandeld. In het vonnis van woensdag is rekening gehouden met de lange tijd die zat tussen het ongeval en de inhoudelijke zitting en met het blanco strafblad van de directeur.

  10. Schadevergoeding na overlijden schilder

    Een schildersbedrijf moet van de rechter een schadevergoeding betalen aan de dochter van een overleden werknemer. De man overleed in 2001 aan de gevolgen van blaaskanker. 

    De dochter heeft het schildersbedrijf aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van de ziekte en het overlijden van haar vader. Volgens de vrouw is hij tijdens zijn werk blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen doordat het schildersbedrijf niet had gezorgd voor een goede bescherming daartegen.

    Volgens het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is het schildersbedrijf voor een deel aansprakelijk voor de geleden schade.

    De zaak diende eerder bij de kantonrechter in Lelystad en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dat hof bepaalde dat het schildersbedrijf aansprakelijk was voor de geleden schade en daarom een schadevergoeding moest betalen. Het schildersbedrijf was het daar niet mee eens, waarna de Hoge Raad zich over de zaak boog.

    Volgens de Hoge Raad was het hof er ten onrechte van uitgegaan dat voor het antwoord op de vraag of de gezondheidsklachten van de werknemer kunnen zijn veroorzaakt door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen, de grootte van de kans daarop niet van belang is.

    Ook had het hof volgens de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd dat het schildersbedrijf zijn zorgplicht had geschonden. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om dit nader te onderzoeken.

    Deskundigenonderzoek

    Het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch heeft 2 deskundigen onderzoek laten doen naar het verband tussen de gezondheidsschade van de man en de arbeidsomstandigheden bij het schildersbedrijf.

    Daaruit is gebleken dat er een verband bestaat tussen het werk en het ontstaan van de blaaskanker. Bovendien heeft het bedrijf zijn zorgplicht geschonden: de ventilatie en de persoonlijke beschermingsmiddelen waren onvoldoende en het bedrijf heeft niet genoeg voorlichting gegeven over de gezondheidsrisico’s.

    Volgens het hof is de kans dat de kanker is veroorzaakt door het werk als schilder te onzeker om het schildersbedrijf volledig aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Zo was de man ook bij eerdere werkgevers al in aanraking gekomen met kankerverwekkende stoffen.

    Het schildersbedrijf is wel gedeeltelijk aansprakelijk voor de ziekte van de man. Het aandeel van het bedrijf in de geleden schade wordt door het hof geschat op 25%. In een afzonderlijke schadestaatprocedure kan de hoogte van de te betalen vergoeding worden bepaald.

  11. Arbeidsongeval treft sollicitant, heeft hij recht op doorbetaling van zijn salaris?

    Een sollicitant loopt als onderdeel van de sollicitatieprocedure een dagje mee in een bedrijf. Hem overkomt tijdens die dag een ernstig arbeidsongeval. De sollicitant vindt dat hij op de loonlijst hoort te staan en eist doorbetaling van zijn salaris, dan wel een vergoeding van gederfde inkomsten. Maar heeft hij daar ook recht op?

    Alles lijkt goed te gaan voor de sollicitant op 11 juni 2018. Hij loopt een dagje mee met een ervaren kracht in het bedrijf waar hij zelf ook als orderpicker een contract voor onbepaalde tijd hoopt te krijgen. Hij luncht met de andere medewerkers en gaat weer aan de slag. Dan slaat het noodlot toe. Zware glasplaten vallen van een heftruck op het been van de sollicitant. Hij loopt door dit arbeidsongeval een gecompliceerde beenbreuk op.

    Ziektewetuitkering

    De sollicitant vraagt bij het UWV een Ziektewetuitkering aan. Hij krijgt aanvankelijk nul op het rekest omdat hij niet in dienst is bij een werkgever die voor hem premie betaalt en hij daarom dus niet onder een werknemersverzekering valt. De sollicitant maakt hier succesvol bezwaar tegen.

    Mondelinge toezegging

    Daarmee is zijn strijd echter nog niet gestreden. De advocaat van de sollicitant sommeert de werkgever om de werknemer te betalen voor de meeloopdag op 11 juni. Maar daar eindigt het niet mee. De sollicitant zegt dat dit zijn eerste werkdag was en dat er mondeling is toegezegd dat hij hierna in dienst zou komen. Hij vindt dus dat hij vanaf 12 juni maandelijks zijn loon van vijftienhonderd euro moet ontvangen, of een vergoeding voor gederfde inkomsten.

    De werkgever is een heel andere mening toegedaan. Het is bij het bedrijf gebruikelijk om sollicitanten eerst een dag mee te laten lopen als onderdeel van de sollicitatieprocedure. Zo kunnen beide partijen bepalen of ze bij elkaar passen. Pas daarna wordt er gesproken over een arbeidsovereenkomst.

    Hogerberoep

    Volgens de kantonrechter maakt de sollicitant onvoldoende hard dat er voor hem een andere afspraak is gemaakt en zijn claim wordt afgewezen. De sollicitant gaat daarop in hoger beroep.

    Het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch overweegt het volgende. Een arbeidsovereenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding (artikel 6:217 BW). Aanbod en aanvaarding kunnen mondeling plaatsvinden. Voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst is niet noodzakelijk dat de overeenkomst schriftelijk is vastgelegd, zij het dat bepaalde bedingen zoals een proeftijdbeding (artikel 7:652 BW) alleen geldig zijn als zij schriftelijk zijn overeengekomen.

    Arbeidsovereenkomst zonder expliciete afspraken

    Ook is het volgens het hof niet uitgesloten dat een arbeidsovereenkomst tot stand komt zonder dat expliciet een gedetailleerde afspraak over de arbeidsvoorwaarden is gemaakt; die arbeidsvoorwaarden kunnen onder omstandigheden zo nodig in een later stadium door de rechter worden vastgesteld. Het gerechtshof noemt het onwaarschijnlijk dat de sollicitant ermee heeft ingestemd om op maandag 11 juni 2018 gratis en voor niets een dag te komen werken. Met zijn meeloopdag heeft hij dus op zijn minst ‘in enige mate aan het arbeidsproces deelgenomen’.

    Bijzonder beding

    Namens de werkgever stellen verschillende personen echter dat sollicitanten altijd eerst een dag meelopen voor hen een arbeidsovereenkomst wordt aangeboden. Met deze sollicitant is dan ook nog niet gesproken over kwesties als het aantal uren per week waarvoor de arbeidsovereenkomst zou worden aangegaan, de hoogte van het loon, de vraag of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd zou gelden en de vraag of een proeftijdbeding of enig ander bijzonder beding in de overeenkomst zou moeten worden opgenomen. Het hof gaat er daarom niet vanuit dat er een arbeidsovereenkomst is.

    Vergoeding van gederfde inkomsten

    Hoe zit het dan met de vergoeding van gederfde inkomsten? Door het arbeidsongeval kan de sollicitant gedurende langere tijd niet werken. Volgens het hof valt het wel mee met die gederfde inkomsten. De sollicitant heeft immers met succes bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV. Hij ontvangt dus een Ziektewetuitkering van 800 euro netto per maand. Dat is 700 euro minder dan de man zou hebben verdiend wanneer hij in dienst was gekomen van het bedrijf. Tussen het ongeval en de rechtszaak in hoger beroep zit ongeveer acht maanden. Het hof berekent dat acht keer 700 euro een bedrag oplevert van 5600 euro aan inkomsten die hij is misgelopen.

    Voorschotten van verzekeraar

    De verzekeraar van de werkgever heeft echter al twee keer een bedrag overgemaakt als voorschot op de totale schade. De eerste keer was dat een bedrag van 5000 euro, gevolgd door een bedrag van 7500 euro. In totaal heeft de werknemer dus al 12500 euro ontvangen. Het hof gaat er vanuit dat dit voldoende is om de geleden inkomensschade van 5600 euro en ook de inkomensderving voor een aantal toekomstige maanden te dekken. Er is volgens het hof geen enkele reden om aan te nemen dat de verzekeraar in de toekomst zal weigeren om aanvullende voorschotten te betalen, wanneer daar goede reden toe is.

    Oordeel van het hof

    De werkgever hoeft de sollicitant daarom niet ook nog eens maandelijks 1500 euro als vergoeding voor gederfde inkomsten. Nu de claim in hoger beroep is afgewezen, moet de sollicitant de proceskosten betalen.

    Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | ECLI:NL:GHSHE:2019:491

    Bron:PWNET.nl

  12. ECLI:NL:RBOBR:2018:5430

    Uitspraak delen

    Link gekopieerd naar het klembord

    Instantie

    Rechtbank Oost-Brabant

    Datum uitspraak

    06-11-2018

    Datum publicatie

    06-11-2018

    Zaaknummer

    01/995089-17

    Rechtsgebieden

    Strafrecht

    Bijzondere kenmerken

    Eerste aanleg – meervoudig

    Inhoudsindicatie

    Verdachte wordt als hoofdaannemer aansprakelijk bevonden aan de dood van een werknemer van een onderaannemer tijdens de uitvoering van sloopwerkzaamheden aan een woning. Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,– waarvan € 20.000,– voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar

    Vindplaatsen

    Rechtspraak.nl

    Verrijkte uitspraak

    Uitspraak delen

    Uitspraak

    vonnis

    RECHTBANK OOST-BRABANT

    Strafrecht

    Parketnummer: 01/995089-17

    Datum uitspraak: 6 november 2018

    Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

    [Verdachte] ,

    gevestigd te [postcode] , [adres] .

    Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 oktober 2018.

    De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

    De tenlastelegging.

    De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juli 2018.

    Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 oktober 2018 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

    zij op of omstreeks 1 december 2016 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

    zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en/of nalatig tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

    een of meer werknemers arbeid heeft laten verrichten bestaande uit het bouwen en/of gedeeltelijk slopen van een woning aan [straatnaam] aldaar, terwijl

    – die plek onveilig was omdat een muur en/of wand van aan elkaar gelijmde (kalkzandsteen)blokken niet was vastgezet en/of geschoord of anderszins tegen

    omvallen was beveiligd, welke muur of wand zijn stabiliteit had verloren door

    het laten slopen van de daaraan verbonden achterwand en/of

    – die werkzaamheden werden verricht zonder voortdurend of voldoende toezicht

    en/of

    die werkzaamheden werden verricht door werknemers die daarvoor onvoldoende vaardigheden en/of deskundigheid hadden en/of daarvoor onvoldoende waren geïnstrueerd

    ten gevolge waarvan bedoelde muur is omgevallen op [slachtoffer]

    waardoor het (mede) aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

    zij op of omstreeks 1 december 2016 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als werkgever, al dan niet opzettelijk,

    bij het bouwen en/of (gedeeltelijk) slopen van een woning aan [straatnaam] aldaar, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen,

    door in strijd met artikel

    – 3.3, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit de arbeidsplaats niet zodanig in te richten, dat de daar aanwezige voorwerpen of stoffen geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleverden door instorten en/of omvallen, immers was een muur of wand van aan elkaar gelijmde (kalkzandsteen)blokken, niet vastgezet en/of voorzien van een schoor en/of

    – 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, niet te voorkomen of indien dat niet mogelijk was zoveel mogelijk te beperken

    terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten,

    levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer

    werknemers, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was.

    De formele voorvragen.

    Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

    Bewijs

    Bewijsmiddelen.

    Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

    Inleiding.

    Op 1 december 2016 heeft zich op een bouwlocatie aan [straatnaam] te Mierlo een ongeval voorgedaan waarbij [slachtoffer] , die daar werkzaam was als sloper, werd bedolven onder een omvallende muur en daarbij is komen te overlijden. De bouwlocatie betrof een in aanbouw zijnde woning waarvan nog slechts de (funderings-)vloer was aangebracht en binnenmuren waren opgetrokken. De bouwlocatie maakte deel uit van een groter project “ [projectnaam] ” dat bestond uit de bouw van negen naast elkaar gelegen woningen en één woning die daarvan losstond: de onderhavige bouwlocatie.

    Verdachte [Verdachte] was (hoofd-)aannemer in het project en had [medeverdachte] in onderaanneming gecontracteerd voor het verrichten van grondwerken; later, half november 2016, heeft [medeverdachte] nog werken aangenomen bestaande uit het slopen van muren, waaronder de sloop van een in de bouw reeds opgetrokken kalkstenen muur. Dat werk werd op 15 november 2016 bekeken op de bouwlocatie door de uitvoerder van [Verdachte] , [getuige 3] , samen met de uitvoerder van [medeverdachte] , [getuige 2] , bekeken.

    Op 1 december 2016 waren in verband met de aangenomen sloopwerkzaamheden in het project [getuige 4] , als voorman in dienstbetrekking bij [medeverdachte] , en de door [medeverdachte] ingehuurde [slachtoffer] en [getuige 1] aan het werk. Nadat zij die ochtend klaar waren met sloopwerkzaamheden elders in het project werd in overleg met [getuige 2] en [getuige 3] besloten dat zij die dag ook een achterwand van de woning, op de onderhavige bouwlocatie zouden wegbreken.

    De te slopen achterwand was aan de beide uiteinden verbonden met een zijmuur die haaks op de achterwand stond. Nadat de achterwand gesloopt was kwam één zijmuur – de muur die later is omgevallen – nagenoeg op zichzelf te staan, slechts door middel van een latei verbonden met een in het verlengde, op enige afstand staande andere binnenmuur. De uiteinden van deze latei lagen boven op beide in elkaars verlengde staande muren. De binnenmuur die is omgevallen, was niet geschoord zoals andere binnenmuren dat duidelijk zichtbaar wél waren – waaronder de andere aan de achterwand bevestigde binnenmuur welke tegenover de omgevallen muur stond. Toen de zijmuur omviel was de achterwand reeds geheel afgebroken en was [slachtoffer] juist naast de muur bezig met zijn werkzaamheden in verband met de sloop.

    Het standpunt van de officier van justitie.

    De officier van justitie acht op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

    Het standpunt van de verdediging.

    Primair is de verdediging van mening dat voor beide feiten vrijspraak dient te volgen omdat de onder 1en 2 verweten gedragingen niet aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Verdachte heeft [medeverdachte] ingehuurd om de sloopwerkzaamheden uit te voeren die op dat gebied deskundigheid heeft. Sloopwerkzaamheden passen niet in de bedrijfsvoering van verdachte; zij sloopt zelf niet. De enige concrete bemoeienis met de sloop heeft alleen de uitvoerder van verdachte, de heer [getuige 3] , gehad doordat hij op 1 december 2016 de handslopers de muur heeft aangewezen die gesloopt diende te worden. Hij deed dat slechts bij wijze van collegiale dienstverlening omdat de uitvoerder van [medeverdachte] verhinderd was.

    Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat verdachte niet als werkgever is aan te merken in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

    Het oordeel van de rechtbank 1 .

    Bewijsoverwegingen van de rechtbank.

    De rechtbank acht gelet op de bewijsmiddelen opgenomen in de bijlage bewezen dat het mede aan de schuld van verdachte te wijten is dat [slachtoffer] is overleden.

    Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet terwijl daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers ontstond of te verwachten was.

    Uit de processtukken blijk het volgende:

    [Verdachte] was de bouwkundig hoofdaannemer van het project “ [projectnaam] ” te Mierlo, waarvan de bouw van de woning [straatnaam] onderdeel uitmaakte.

    [Verdachte] heeft [medeverdachte] , dat een bedrijf heeft op het gebied van o.a. “grond(water)sanering, straatwerk, grondwerk, sloopwerk en asbestsanering”2 als onderaannemer gecontracteerd. De werkzaamheden van [medeverdachte] op het project bestonden op de dag van het ongeval onder andere uit het slopen van de achtermuur van voormelde woning.

    De uitvoerder van [medeverdachte] , [getuige 2] , heeft op 15 november 2016 samen met de uitvoerder van [Verdachte] , [getuige 3] , deze achtermuur bekeken in verband met de gewenste sloop daarvan.

    Op 1 december 2016, toen [getuige 4] , [slachtoffer] en [getuige 1] klaar waren met hun sloopwerkzaamheden elders in het project, heeft [getuige 2] gebeld met [getuige 3] met de vraag of hij aan de drie werklieden van [medeverdachte] de muur wilde aanwijzen die gesloopt moest worden. [getuige 3] heeft dat vervolgens gedaan en heeft daarbij nog de instructies gegeven dat de muur er tot de fundering uit moest en daarna moest worden “aangeheeld” en dat de muur in stukken gesloopt moest worden, omdat hij dermate groot was dat ze deze niet zomaar zouden kunnen laten omvallen. Daarna is [getuige 3] weer van de bouwplaats vertrokken3. [getuige 4] is daarna samen met de anderen met de sloop van de muur begonnen.

    Op basis van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de werkzaamheden van de uitvoerder van [medeverdachte] in verband met de sloop en de feitelijke sloopwerkzaamheden zijn verricht door personen die ten behoeve van [medeverdachte] werkten en dat deze werkzaamheden hebben plaats gevonden in de normale bedrijfsuitvoering van [medeverdachte] die de opdracht tot sloop had aangenomen, zodat de werkzaamheden [medeverdachte] ook dienstig zijn geweest. De zorg voor een veilige arbeidsplaats was op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (mede) een verantwoordelijkheid van [medeverdachte] als de werkgever. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bovenbedoelde met de sloopwerkzaamheden samenhangende gedragingen zijn verricht in de sfeer van [medeverdachte] , zijnde een rechtspersoon, en aan [medeverdachte] ook kunnen worden toegerekend.

    Ook is de rechtbank van oordeel dat de met de sloop van de muur samenhangende werkzaamheden van (met name de uitvoerder van) [Verdachte] en met name verband houdende met het zorgdragen voor een veilige bouwlocatie, toegerekend kunnen worden aan [Verdachte] . Op grond van de Woningwet (artikel 1a, tweede lid) is een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein

    gebruikt of laat gebruiken, verplicht ervoor zorg te dragen, voor zover dat in diens vermogen ligt, dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Dat [Verdachte] daarvan op de hoogte moet zijn geweest blijkt reeds uit het feit dat in het desbetreffende projectplan onder het hoofdstuk2: Veiligheids- en Gezondheidsplan met betrekking tot het sloopwerk wordt verwezen naar het op de Woningwet gebaseerde Bouwbesluit 2012, hoofdstuk 8 Bouw- en sloopwerkzaamheden4.

    [directeur] , directeur van [Verdachte] , heeft verklaard dat het de taak van zijn uitvoerder [getuige 3] was toe te zien op de bewaking van planning en kwaliteit. Ook had deze de taak om te controleren of de schoren van de muren op de juiste posities waren geplaatst5. [getuige 3] is voorafgaand aan de sloop in november 2016 samen met uitvoerder [getuige 2] en op 1 december 2016 ook daadwerkelijk op de bouwlocatie geweest in verband met de sloopwerkzaamheden waarvoor [Verdachte] opdracht heeft gegeven. Op 1 december 2016 heeft [getuige 3] verder daadwerkelijk aanwijzingen gegeven met betrekking tot de sloop en heeft, als professional, een inschatting kunnen en moeten maken van de staat waarin de bouwlocatie zou komen te verkeren na sloop van de achterwand teneinde te voldoen aan de taak en zorgplicht van [Verdachte] . De gedragingen van [getuige 3] betroffen handelingen in dienst van [Verdachte] , die behoorden in de normale bedrijfsvoering en die dienstig waren aan het bedrijf en zijn taakuitoefening.

    Medeplegen:

    Artikel 1 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet luidt “In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    1. werkgever:

    1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

    2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;

    Het slachtoffer [slachtoffer] was door [medeverdachte] ingehuurd via het [uitzendbureau] . [medeverdachte] was derhalve aan te merken als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet artikel 1. lid 1 sub a onder 2.

    [Verdachte] is op grond van de Arfbeidsomstandighedenwet niet aan te merken als werkgever van [slachtoffer] aangezien [slachtoffer] niet ter beschikking is gesteld aan [Verdachte] .

    Volgens bestendige rechtspraak (HR 28 februari 2006, LJN AU9096; HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5575) kan een kwaliteitsdelict worden medegepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit mist, terwijl niet is vereist dat de medeplegers eenzelfde rol vervullen of dezelfde soort gedragingen verrichten bij de uitvoering van het delict.

    De rechtbank stelt vast dat de sloopwerkzaamheden zijn verricht na voorafgaand overleg tussen de uitvoerder van [medeverdachte] en de uitvoerder van [Verdachte] op de bouwlocatie van [Verdachte] waarbij beide uitvoerders de werklocatie voor de sloop met de vele op de binnenmuren aangebrachte schoren hebben bezichtigd en het sloopwerk hebben kunnen inschatten en ook hebben ingeschat, getuige de verklaring van [getuige 2] dat hij samen met [getuige 3] is gaan kijken en het werk inschatte als “heel simpel, een heel gemakkelijk werkje”. De werkzaamheden werden feitelijk uitgevoerd door personen die voor [medeverdachte] werkzaam waren. De opdracht tot de feitelijke aanvang van de werkzaamheden werd – na overleg tussen beide uitvoerders – gegeven door de uitvoerder van [Verdachte] die daarbij nog een aantal instructies heeft gegeven en zich dus met de feitelijke uitvoering heeft bemoeid. Naar het oordeel van de rechtbank hebben daarmee [medeverdachte] , als werkgever, en [Verdachte] als hoofdaannemer in bewuste en nauwe samenwerking besloten tot het geven van de opdracht tot, en daarmee tot het laten verrichten van de sloopwerkzaamheden door [getuige 4] , [slachtoffer] en [getuige 1] onder de omstandigheden op de bouwlocatie zoals deze door hen werd aangetroffen.

    Beoordeling van de feiten 1 en 2

    Zowel verdachte [Verdachte] als medeverdachte [medeverdachte] als zijn doende geweest om uitvoering te geven aan de opdracht om een muur van een in aanbouw zijnde woning te slopen. Op beide partijen rustte een zorgplicht aangaande de veiligheid: de plicht om te zorgen voor de veiligheid van de tewerkgestelde werklieden en de plicht om te zorgen voor de veiligheid van de bouwlocatie op zichzelf. Voortvloeiend uit die zorgplicht hadden beide verdachten de plicht om voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden, daarvan een veiligheidsanalyse te maken, ook al leken deze werkzaamheden van beperkte omvang. Namens beide verdachten hadden de respectievelijke uitvoerders die ter plaatse van de bouwlocatie zijn gegaan, een taak om een inschatting te maken van de omvang en aard, maar daarmee ook van de veiligheidsaspecten van het te verrichten sloopwerk.

    Weliswaar werd een instructie gegeven over de wijze van afbreken van de muur, maar blijkens de verklaring van voorman [getuige 4] werd deze instructie niet gevolgd. Uit die verklaring blijkt ook dat tijdens het slopen door [slachtoffer] en [getuige 1] daarop geen enkel toezicht werd gehouden: voorman [getuige 4] verliet met toestemming van uitvoerder [getuige 2] nog voor de aanvang van de daadwerkelijke sloop de bouwlocatie en kwam terug toen de muur reeds geheel was gesloopt. Uitvoerder [getuige 2] was in het geheel niet aanwezig, en uitvoerder [getuige 3] was onmiddellijk na het geven van zijn instructies vertrokken.

    Maar ernstiger, in elk geval achteraf fataal, bleek het feit dat ondanks dat op vele plaatsen duidelijk zichtbaar in de woning de binnenmuren waren geschoord, kennelijk in het geheel niet is stil gestaan bij het gevolg van het slopen van de achterwand, te weten dat een binnenmuur kwam los te staan van die achterwand waaraan deze binnenmuur zijn stabiliteit ontleende, en dat deze met het wegvallen van de achterwand zijn stabiliteit zou verliezen. [getuige 3] heeft verklaard dat hij wist dat de metalen hoekverbinding tussen binnenmuur en achterwand onder andere diende voor de stabilisatie van beide muren maar dat niet is nagedacht over de consequenties van het verwijderen van die hoekverbinding door het slopen. [getuige 2] heeft verklaard dat het slopen van de achterwand een simpel werkje was en dat achteraf gezien, de muur geschoord had moeten worden: de rest van de muren staat niet voor niets geschoord, maar hij had niet als gevaar gesignaleerd dat de later omgevallen muur niet geschoord stond, aldus [getuige 2] . Voorman [getuige 4] verklaarde dat hij zichzelf het verwijt maakte dat hij het niet had gezien, terwijl zelfs een ander klein tussenmuurtje wel was geschoord. Noch [getuige 3] , over wie de directeur van [Verdachte] verklaarde dat deze tot taak had te controleren of de schoren op de binnenmuren correct waren aangebracht, noch [getuige 2] en evenmin voorman [getuige 4] van de zijde van [medeverdachte] hebben stil gestaan bij de risico’s die na sloop van de

    achterwand zouden ontstaan door een binnenmuur die los zou komen te staan en anders dan de andere binnenmuren niet geschoord zou zijn.

    Naar het oordeel van de rechtbank waren die risico’s zeker voor professionele uitvoerders van in de bouw werkzame en ervaren bedrijven duidelijk zichtbaar en hadden gelet op de zorgplicht van verdachten voor de veiligheid van werklieden en bouwplaats, ook onderkend moeten worden. Het schoren van de bewuste binnenmuur had op een eenvoudige manier het omvallen van de muur voorkomen. Bij die risico’s werd echter in het geheel niet stilgestaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat daarmee minst genomen bewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard, dat – in strijd met het bepaalde in artikel 3.3, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit – de arbeidsplaats gevaar voor de veiligheid of de gezondheid door het omvallen van een muur opleverde, aangezien deze niet was voorzien van een schoor, en dat door geen (aanvullende) maatregelen te treffen (bijvoorbeeld) door die binnenmuur alsnog te schoren – in strijd met het bepaalde in artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit – het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen niet werd voorkomen. Gelet daarop en gezien het feit dat beide verdachten ervaren ondernemingen zijn met ervaren uitvoerders op het werk is de rechtbank ook van oordeel dat verdachten,tezamen handelend in dezen, redelijkerwijs moesten weten dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de aldaar werkzame [slachtoffer] ontstond of te verwachten was.

    Met het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] (voorwaardelijk) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3.3, tweede lid en 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl verdachten redelijkerwijs moesten weten dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer, [slachtoffer] ontstond of te verwachten was.

    De beoordeling van schuld in de zin van artikel 307 Sr met betrekking tot feit 1.

    Gelet op hetgeen hierboven is vastgesteld en overwogen is naar het oordeel van de rechtbank tevens komen vast te staan dat verdachte [Verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] werknemers sloopwerkzaamheden heeft laten verrichten terwijl – zoals ten laste gelegd onder het eerste gedachtestreepje – die werkplek onveilig was omdat een muur niet was geschoord of anderszins tegen omvallen was beveiligd, welke muur zijn stabiliteit had verloren door de sloop van de daaraan bevestigde achterwand. Tevens is uit de bewijsmiddelen gebleken dat tijdens de daadwerkelijke sloopwerkzaamheden geen toezicht werd gehouden op de verrichtingen van de heren [slachtoffer] en [getuige 1] , en dat nadat de muur was weggehaald weliswaar [getuige 4] , voorman van [medeverdachte] , aanwezig was die toezag op de met de sloop samenhangende opruimwerkzaamheden, maar dat deze voorman onvoldoende toezicht heeft gehouden op de veiligheidsaspecten van de werkplaats waar door hen werd gewerkt, hetgeen ten

    laste is gelegd onder het tweede gedachtestreepje. In voldoende adequaat en deskundig toezicht had moeten worden voorzien aangezien reeds vóór de sloop door zowel [Verdachte] als [medeverdachte] – zoals hiervoor reeds overwogen – onderkend had moeten worden dat met het afbreken van de achterwand er instabiliteit van de binnenmuur en daarmee een gevaar voor omvallen zou ontstaan. Dat toezicht was temeer nodig nu het sloopwerk werd verricht door twee werklieden waarvan [slachtoffer] eigenlijk vloerenlegger was en nog relatief weinig ervaring had met sloopwerkzaamheden, terwijl noch de uitvoerders noch de voorman [getuige 4] voldoende op de hoogte waren van de mate van deskundigheid van [slachtoffer] . Daarbij komt dat in het geheel geen instructie is gegeven ten aanzien van de situatie van instabiliteit die zou ontstaan door de sloop en de te nemen maatregelen om de muur tegen omvallen te beschermen, waardoor naar het oordeel van de rechtbank ook is komen vast te staan dat de werklieden onvoldoende waren geïnstrueerd, zoals ten laste gelegd onder het derde gedachtestreepje.

    Nadat de stabiliteit van een binnenmuur door de sloop van de achterwand was komen weg te vallen, zijn [slachtoffer] en [getuige 1] op de bouwplaats de hen opgedragen met de sloop verband houdende opruimwerkzaamheden blijven verrichten, zich niet of onvoldoende bewust van het gevaar van omvallen van die binnenmuur, waarna de binnenmuur door de ontstane instabiliteit zijwaarts is omgevallen en [slachtoffer] , die daar juist met zijn werkzaamheden bezig was, heeft bedolven

    Naar het oordeel van de rechtbank heeft het door verdachte en en medeverdachte [medeverdachte] niet naleven van de op hen rustende zorgplichten met betrekking tot de veiligheidsaspecten de kans dat een werknemer zou komen te overlijden voorzienbaar in zodanige mate verhoogd dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan verdachte ten dezen handelend tezamen met medeverdachte [medeverdachte] kan worden toegerekend.

    De rechtbank is van oordeel dat [Verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , door op een dergelijke wijze om te gaan met de veiligheid van de werknemers en met de in acht te nemen zorg en waakzaamheid voor de veiligheid op de bouwlocatie, ernstig tekort is geschoten in de na te leven zorgplicht voor die veiligheid en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

    Gelet op de hiervoor reeds uiteengezette feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer] mede aan de schuld van verdachte is te wijten.

    De bewezenverklaring.

    Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

    1. op 1 december 2016 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

    zeer onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en nalatig tezamen en in vereniging met een ander,

    werknemers arbeid heeft laten verrichten bestaande uit het gedeeltelijk slopen van een woning aan [straatnaam] aldaar, terwijl

    – die plek onveilig was omdat een muur van aan elkaar gelijmde (kalkzandsteen)blokken niet was geschoord of anderszins tegen omvallen was beveiligd, welke muur zijn stabiliteit had verloren door het laten slopen van de daaraan verbonden achterwand en

    – die werkzaamheden werden verricht zonder voldoende toezicht en

    – die werkzaamheden werden verricht door werknemers die daarvoor onvoldoende waren geïnstrueerd

    ten gevolge waarvan bedoelde muur is omgevallen op [slachtoffer]

    waardoor het mede aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

    1. op 1 december 2016 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met een ander, als werkgever, opzettelijk,

    bij het gedeeltelijk slopen van een woning aan [straatnaam] aldaar, handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen,

    door in strijd met artikel

    – 3.3, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit de arbeidsplaats niet zodanig in te richten, dat de daar aanwezige voorwerpen of stoffen geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleverden door omvallen,

    immers was een muur van aan elkaar gelijmde (kalkzandsteen)blokken, niet voorzien van een schoor, en

    – 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het gevaar te worden getroffen

    door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, niet te voorkomen of indien dat niet mogelijk was zoveel mogelijk te beperken

    terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten,

    levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer

    werknemers, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was.

    Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

    De strafbaarheid van het feit.

    Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

    Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

    De strafbaarheid van verdachte.

    Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

    Oplegging van straf en/of maatregel.

    De eis van de officier van justitie.

    De officier van justitie vordert voor de feiten 1 en 2 een geldboete van € 40.000,- waarvan € 20.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

    Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

    Het standpunt van de verdediging.

    De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

    Het oordeel van de rechtbank.

    Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de bedrijfseconomische omstandigheden van verdachte.

    De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

    Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van dood door schuld en van handelingen in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet waardoor levensgevaar ontstond of te verwachten was. Het slachtoffer had de opdracht gekregen om samen met zijn collega een achtermuur van een woning te slopen. Door het slopen van de achtermuur was een zijmuur instabiel geworden en is deze omgevallen op het slachtoffer. De uitvoerder had moeten zien dat door het slopen van de achtermuur de werkplaats onveilig werd omdat de zijmuur niet was geschoord en door de sloop van de muur niet meer was gestabiliseerd. Ten tijde van het slopen

    van de muur was er geen toezicht, instructie vooraf werd onvoldoende gegeven en maatregelen ter voorkoming van ongevallen werden achterwege gelaten.. Verdachte is verwijtbaar aanmerkelijk tekort geschoten in de zorg die van haar verwacht werd.

    De dood van het slachtoffer heeft een grote impact op zijn gezin. Niet alleen het verlies van een man en een vader heeft het gezin te verwerken, maar het verlies heeft ook financiële gevolgen, nu het slachtoffer de kostwinnaar was.

    De rechtbank beseft dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, het leed van de nabestaanden van het slachtoffer niet ongedaan zal kunnen maken. Niettemin zal de rechtbank deze tragische gevolgen bij de strafoplegging betrekken.

    De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake vaneen soortgelijk feit.

    De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

    De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde straf opleggen nu de rechtbank van oordeel is dat de hoogte van de straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Aangezien verdachte niet eerder is veroordeelde zal de rechtbank een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen.

    Toepasselijke wetsartikelen.

    De beslissing is gegrond op:

    artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47, 51, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht,

    artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, en

    artikelen 1, 2 en 6 van de wet op de economische delicten.

    DE UITSPRAAK

    De rechtbank:

    verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

    verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

    Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

    Ten aanzien van feit 1:Medeplegen van aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.Ten aanzien van feit 2:Medeplegen van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

    verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

    Ten aanzien van feit 1 en feit 2:Geldboete van € 40.000,- waarvan € 20.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

     

    Dit vonnis is gewezen door:

    1. M.Th. van Vliet, voorzitter,
    2. W.F. Koolen en mr. B. Damen, leden,

    in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,

    en is uitgesproken op 6 november 2018.

    Mr. B. Damen is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

    1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het Proces-verbaal Arbeidsomstandigheden d.d. 31 juli 2017 van de Inspectie SZW, zaaknummer 411602290, met bijlagen genummerd van 1 tot en met 20. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

    2Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 30 maart 2017, bijlage 9

    3Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 5 december 2016, bijlage 7A, pagina 2 en 3

    4Bijlage 18, pagina 89 van het proces-verbaal Arbeidsomstandigheden

    5Proces-verbaal van verhoor van getuige [directeur] d.d. 9 mei 2017, pagina 51

    ECLI:NL:RBOBR:2018:5429

    Uitspraak delen

    Link gekopieerd naar het klembord

    Instantie

    Rechtbank Oost-Brabant

    Datum uitspraak

    06-11-2018

    Datum publicatie

    06-11-2018

    Zaaknummer

    01/995088-17

    Rechtsgebieden

    Strafrecht

    Bijzondere kenmerken

    Eerste aanleg – meervoudig

    Inhoudsindicatie

    Verdachte is als onderaannemer aansprakelijk voor de dood van een werknemer tijdens sloopwerkzaamheden aan een woning. Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,– waarvan € 20.000,– voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

    Vindplaatsen

    Rechtspraak.nl

    Verrijkte uitspraak

    Uitspraak delen

    Uitspraak

    vonnis

    RECHTBANK OOST-BRABANT

    Strafrecht

    Parketnummer: 01/995088-17

    Datum uitspraak: 6 november 2018

    Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

    [verdachte] ,

    gevestigd te [postcode] , [adres 1] .

    Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 oktober 2018.

    De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

    De tenlastelegging.

    De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juli 2018.

    Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 oktober 2018 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

    1. zij op of omstreeks 1 december 2016 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

    zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en/of nalatig tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

    een of meer werknemers arbeid heeft laten verrichten bestaande uit het bouwen en/of gedeeltelijk slopen van een woning aan [straatnaam] , terwijl

    – die plek onveilig was omdat een muur en/of wand van aan elkaar gelijmde (kalkzandsteen)blokken niet was vastgezet en/of geschoord of anderszins tegen

    omvallen was beveiligd, welke muur of wand zijn stabiliteit had verloren door

    het laten slopen van de daaraan verbonden achterwand en/of

    – die werkzaamheden werden verricht zonder voortdurend of voldoende toezicht en/of – die werkzaamheden werden verricht door werknemers die daarvoor onvoldoende vaardigheden en/of deskundigheid hadden en/of daarvoor onvoldoende waren geïnstrueerd

    ten gevolge waarvan bedoelde muur is omgevallen op [slachtoffer]

    waardoor het (mede) aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

    1. zij op of omstreeks 1 december 2016 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als werkgever, al dan niet opzettelijk,

    bij het bouwen en/of (gedeeltelijk) slopen van een woning aan [straatnaam] , handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen,

    door in strijd met artikel

    – 3.3, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit de arbeidsplaats niet zodanig in te richten, dat de daar aanwezige voorwerpen of stoffen geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleverden door instorten en/of omvallen, immers was een muur of wand van aan elkaar gelijmde (kalkzandsteen)blokken, niet vastgezet en/of voorzien van een schoor en/of

    – 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, niet te voorkomen of indien dat niet mogelijk was zoveel mogelijk te beperken

    terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten,

    levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer

    werknemers, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was.

    De formele voorvragen.

    Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

    Bewijs

    Bewijsmiddelen.

    Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

    Inleiding.

    Op 1 december 2016 heeft zich op een bouwlocatie aan de [adres 2] te Mierlo een ongeval voorgedaan waarbij [slachtoffer] , die daar werkzaam was als sloper, werd bedolven onder een omvallende muur en daarbij is komen te overlijden. De bouwlocatie maakte deel uit van een groter bouwproject en betrof een in aanbouw zijnde woning waarvan nog slechts de (funderings-)vloer was aangebracht en binnenmuren waren opgetrokken. De bouwlocatie maakte deel uit van een groter project “ [naam bouwproject] ” dat bestond uit de bouw van negen naast elkaar gelegen woningen en één woning die daarvan losstond: de onderhavige bouwlocatie.

    [medeverdachte] was (hoofd-)aannemer in het project en had [verdachte] in onderaanneming gecontracteerd voor het verrichten van grondwerken; later, half november 2016, heeft [verdachte] nog werken aangenomen bestaande uit het slopen van muren, waaronder de sloop van een in de bouw reeds opgetrokken kalkstenen muur. Dat werk werd op 15 november 2016 bekeken op de bouwlocatie door de uitvoerder van [verdachte] , [getuige 3] , samen met de uitvoerder van [medeverdachte] , [getuige 2] .

    Op 1 december 2016 waren in verband met de aangenomen sloopwerkzaamheden in het project [werknemer] , als voorman in dienstbetrekking bij [verdachte] , en de door [verdachte] ingehuurde [slachtoffer] en [getuige 1] aan het werk. Nadat zij die ochtend klaar waren met sloopwerkzaamheden elders in het project werd in overleg met [getuige 3] en [getuige 2] besloten dat zij die dag ook een achterwand van de woning op de onderhavige bouwlocatie zouden wegbreken.

    De te slopen achterwand was aan de beide uiteinden verbonden met een zijmuur die haaks op de achterwand stond. Nadat de achterwand gesloopt was kwam één zijmuur – de muur die later is omgevallen – nagenoeg op zichzelf te staan, slechts door middel van een latei verbonden met een in het verlengde, op enige afstand staande andere binnenmuur. De uiteinden van deze latei lagen boven op beide in elkaars verlengde staande muren. De binnenmuur die is omgevallen, was niet geschoord zoals andere binnenmuren dat duidelijk zichtbaar wél waren – waaronder de andere aan de achterwand bevestigde binnenmuur, welke tegenover de omgevallen muur stond. Toen de zijmuur omviel was de achterwand reeds geheel afgebroken en was [slachtoffer] juist naast de muur bezig met zijn werkzaamheden in verband met de sloop.

    Het standpunt van de officier van justitie.

    De officier van justitie acht op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

    Het standpunt van de verdediging.

    De verdediging is van mening dat [verdachte] niet alle gedragingen van degenen die voor haar werken, kan controleren. Bij [verdachte] is altijd veel aandacht geweest voor veilig werken en onderkent men het belang van het treffen van preventieve maatregelen om veilig werken mogelijk te maken. De verdediging is van mening dat [verdachte] geen onvoorzichtigheid of onachtzaamheid kan worden verweten en dat derhalve geen sprake is van schuld. De uitvoerder van [medeverdachte] , [getuige 2] , is ter plaatse geweest en heeft de slopers aangewezen welke muur gesloopt moest worden, en had moeten onderkennen dat met het slopen van die muur, de stabiliteit van de andere muur onvoldoende werd. Ook van [werknemer] , werknemer van [verdachte] met ruime ervaring op het gebied van slopen, en van beide door [verdachte] ingehuurde ervaren handslopers [getuige 1] en (het latere slachtoffer) [slachtoffer] mocht [verdachte] verwachten dat zij zouden hebben onderkend dat door de sloopwerkzaamheden de overblijvende muur instabiel zou worden en dat zij de nodige preventieve maatregelen zouden nemen. Rekening houdend met de eenvoud van de sloopopdracht en met ieders ervaring op het gebied van slopen kan dan ook niet gezegd worden dat [verdachte] beide handslopers [getuige 1] en [slachtoffer] onvoldoende heeft geïnstrueerd of dat [verdachte] onvoldoende toezicht heeft gehouden.

    Ook blijkt volgens de verdediging nergens uit dat [verdachte] de gevaar zettende of gevaarvolle situatie kende of bewust heeft genegeerd dan wel dat zij bewust geen actie heeft ondernomen om de situatie te verbeteren. De verdediging is van mening dat er geen sprake is van opzet.

    Het oordeel van de rechtbank. 1

    Bewijsoverwegingen van de rechtbank.

    De rechtbank acht gelet op de bewijsmiddelen opgenomen in de bijlage bewezen dat het mede aan de schuld van verdachte te wijten is dat [slachtoffer] is overleden.

    Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet terwijl daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers ontstond of te verwachten was.

    Uit de processtukken blijkt het volgende:

    [medeverdachte] was de bouwkundig hoofdaannemer van het project “ [naam bouwproject] ” te Mierlo, waarvan de bouw van de woning [adres 2] onderdeel uitmaakte.

    [medeverdachte] heeft [verdachte] , dat een bedrijf heeft op het gebied van o.a. “grond(water)sanering, straatwerk, grondwerk, sloopwerk en asbestsanering”2 als onderaannemer gecontracteerd. De werkzaamheden van [verdachte] op het project bestonden op de dag van het ongeval onder andere uit het slopen van de achtermuur van voormelde woning.

    De uitvoerder van [verdachte] , [getuige 3] , heeft op 15 november 2016 samen met de uitvoerder van [medeverdachte] , [getuige 2] , deze achtermuur bekeken in verband met de gewenste sloop daarvan.

    Op 1 december 2016, toen [werknemer] , [slachtoffer] en [getuige 1] klaar waren met hun sloopwerkzaamheden elders in het project, heeft [getuige 3] gebeld met [getuige 2] met de vraag of hij aan de drie werklieden van [verdachte] de muur wilde aanwijzen die gesloopt moest worden. [getuige 2] heeft dat vervolgens gedaan en heeft daarbij nog de instructies gegeven dat de muur er tot de fundering uit moest en daarna moest worden “aangeheeld” en dat de muur in stukken gesloopt moest worden, omdat hij dermate groot was dat ze deze niet zomaar zouden kunnen laten omvallen. Daarna is [getuige 2] weer van de bouwplaats vertrokken3. [werknemer] is daarna samen met de anderen met de sloop van de muur begonnen.

    Op basis van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de werkzaamheden van de uitvoerder van [verdachte] in verband met de sloop en de feitelijke sloopwerkzaamheden zijn verricht door personen die ten behoeve van [verdachte] werkten en dat deze werkzaamheden hebben plaats gevonden in de normale bedrijfsuitvoering van [verdachte] die de opdracht tot sloop had aangenomen, zodat de werkzaamheden [verdachte] ook dienstig zijn geweest. De zorg voor een veilige arbeidsplaats was op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (mede) een verantwoordelijkheid van [verdachte] als de werkgever. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bovenbedoelde met de sloopwerkzaamheden samenhangende gedragingen zijn verricht in de sfeer van [verdachte] , zijnde een rechtspersoon, en aan [verdachte] ook kunnen worden toegerekend.

    Ook is de rechtbank van oordeel dat de met de sloop van de muur samenhangende werkzaamheden van met name de uitvoerder van [medeverdachte] en met name verband houdende met het zorgdragen voor een veilige bouwlocatie, toegerekend kunnen worden aan [medeverdachte] . Op grond van de Woningwet (artikel 1a, tweede lid) is een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, verplicht ervoor zorg te dragen, voor zover dat in diens vermogen ligt, dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Dat [medeverdachte] daarvan op de hoogte moet zijn geweest blijkt reeds uit het feit dat in het desbetreffende projectplan onder het hoofdstuk 2: Veiligheids- en Gezondheidsplan met betrekking tot het sloopwerk wordt verwezen naar het op de Woningwet gebaseerde Bouwbesluit 2012, hoofdstuk 8 Bouw- en sloopwerkzaamheden.

    [directeur] , directeur van [medeverdachte] , heeft verklaard dat het de taak van zijn uitvoerder [getuige 2] was toe te zien op de bewaking van planning en kwaliteit. Ook had deze de taak om te controleren of de schoren van de muren op de juiste posities waren geplaatst. [getuige 2] is voorafgaand aan de sloop samen met uitvoerder [getuige 3] en op 1 december 2016 ook daadwerkelijk op de bouwlocatie geweest in verband met de sloopwerkzaamheden waarvoor [medeverdachte] opdracht heeft gegeven. Op 1 december 2016 heeft [getuige 2] verder daadwerkelijk aanwijzingen gegeven met betrekking tot de sloop en heeft, als professional, een inschatting kunnen en moeten maken van de staat waarin de bouwlocatie zou komen te verkeren na sloop van de achterwand teneinde te voldoen aan de taak en zorgplicht van [medeverdachte] . De gedragingen van [getuige 2] betroffen handelingen in dienst van [medeverdachte] , die behoorden in de normale bedrijfsvoering en die dienstig waren aan het bedrijf en zijn taakuitoefening.

    Medeplegen:

    Artikel 1, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet luidt “In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    1. werkgever:

    1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

    2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;

    Het slachtoffer [slachtoffer] was door [verdachte] ingehuurd via het [uitzendbureau] . [verdachte] was derhalve aan te merken als werkgever in de zin van de artikel 1, eerste lid, aanhef en sub a, onder 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.

    [medeverdachte] is op grond van de Arbeidsomstandighedenwet niet aan te merken als werkgever van [slachtoffer] aangezien [slachtoffer] niet ter beschikking is gesteld aan [medeverdachte] .

    Volgens bestendige rechtspraak (HR 28 februari 2006, LJN AU9096; HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5575) kan een kwaliteitsdelict worden medegepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit mist, terwijl niet is vereist dat de medeplegers eenzelfde rol vervullen of dezelfde soort gedragingen verrichten bij de uitvoering van het delict.

    De rechtbank stelt vast dat de sloopwerkzaamheden zijn verricht na voorafgaand overleg tussen de uitvoerders van [verdachte] en de uitvoerder van [medeverdachte] op de bouwlocatie van [medeverdachte] waarbij beide uitvoerders de werklocatie voor de sloop met de vele op de binnenmuren aangebrachte schoren hebben bezichtigd en het sloopwerk hebben kunnen inschatten en ook hebben ingeschat, getuige de verklaring van [getuige 3] dat hij samen met [getuige 2] is gaan kijken en het werk inschatte als “heel simpel, een heel gemakkelijk werkje”. De werkzaamheden werden feitelijk uitgevoerd door personen die voor [verdachte] werkzaam waren. De opdracht tot de feitelijke aanvang van de werkzaamheden werd – na overleg tussen beide uitvoerders – gegeven door de uitvoerder van [medeverdachte] die daarbij nog een aantal instructies heeft gegeven en zich dus met de feitelijke uitvoering heeft bemoeid. Naar het oordeel van de rechtbank hebben daarmee [verdachte] , als werkgever, en [medeverdachte] als hoofdaannemer in bewuste en nauwe samenwerking besloten tot het geven van de opdracht tot, en daarmee tot het laten verrichten van de sloopwerkzaamheden door [werknemer] , [slachtoffer] en [getuige 1] onder de omstandigheden op de bouwlocatie zoals deze door hen werd aangetroffen.

    Beoordeling van de feiten 1 en 2

    Zowel verdachte [verdachte] als medeverdachte [medeverdachte] zijn doende geweest om uitvoering te geven aan de opdracht om een muur van een in aanbouw zijnde woning te slopen. Op beide partijen rustte een zorgplicht aangaande de veiligheid: de plicht om te zorgen voor de veiligheid van de tewerkgestelde werklieden en de plicht om te zorgen voor de veiligheid van de bouwlocatie op zichzelf. Voortvloeiend uit die zorgplicht hadden beide verdachten de plicht om voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden, daarvan een veiligheidsanalyse te maken, ook al leken

    deze werkzaamheden van beperkte omvang. Namens beide verdachten hadden de respectievelijke uitvoerders die ter plaatse van de bouwlocatie zijn gegaan, een taak om een inschatting te maken van de omvang en aard, maar daarmee ook van de veiligheidsaspecten van het te verrichten sloopwerk.

    Weliswaar werd een instructie gegeven over de wijze van afbreken van de muur, maar blijkens de verklaring van voorman [werknemer] werd deze instructie niet gevolgd. Uit die verklaring blijkt ook dat tijdens het slopen door [slachtoffer] en [getuige 1] daarop geen enkel toezicht werd gehouden: voorman [werknemer] verliet met toestemming van uitvoerder [getuige 3] nog voor de aanvang van de daadwerkelijke sloop de bouwlocatie en kwam terug toen de muur reeds geheel was gesloopt. Uitvoerder [getuige 3] was in het geheel niet aanwezig, en uitvoerder [getuige 2] was onmiddellijk na het geven van zijn instructies vertrokken.

    Maar ernstiger, in elk geval achteraf fataal, bleek het feit dat ondanks dat op vele plaatsen duidelijk zichtbaar in de woning de binnenmuren waren geschoord, kennelijk in het geheel niet is stilgestaan bij het gevolg van het slopen van de achterwand, te weten dat een binnenmuur kwam los te staan van die achterwand waaraan deze binnenmuur zijn stabiliteit ontleende, en dat deze met het wegvallen van de achterwand zijn stabiliteit zou verliezen. [getuige 2] heeft verklaard dat hij wist dat de metalen hoekverbinding tussen binnenmuur en achterwand onder andere diende voor de stabilisatie van beide muren maar dat niet is nagedacht over de consequenties van het verwijderen van die hoekverbinding door het slopen. [getuige 3] heeft verklaard dat het slopen van de achterwand een simpel werkje was en dat achteraf gezien, de muur geschoord had moeten worden: de rest van de muren staat niet voor niets geschoord, maar hij had niet als gevaar gesignaleerd dat de later omgevallen muur niet geschoord stond, aldus [getuige 3] . Voorman [werknemer] verklaarde dat hij zichzelf het verwijt maakte dat hij het niet had gezien, terwijl zelfs een ander klein tussenmuurtje wel was geschoord. Noch [getuige 2] , over wie de directeur van [medeverdachte] verklaarde dat deze tot taak had te controleren of de schoren op de binnenmuren correct waren aangebracht, noch [getuige 3] en evenmin voorman [werknemer] van de zijde van verdachte [verdachte] hebben stilgestaan bij de risico’s die na sloop van de achterwand zouden ontstaan door een binnenmuur die los zou komen te staan en anders dan de andere binnenmuren niet geschoord zou zijn.

    Naar het oordeel van de rechtbank waren die risico’s zeker voor professionele uitvoerders van in de bouw werkzame en ervaren bedrijven duidelijk zichtbaar en hadden gelet op de zorgplicht van verdachten voor de veiligheid van werklieden en bouwplaats, ook onderkend moeten worden. Het schoren van de bewuste binnenmuur had op een eenvoudige manier het omvallen van de muur voorkomen. Bij die risico’s werd echter in het geheel niet stilgestaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat daarmee minst genomen bewust de aanmerkelijke kans werd aanvaard, dat – in strijd met het bepaalde in artikel 3.3, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit – de arbeidsplaats gevaar voor de veiligheid of de gezondheid door het omvallen van een muur opleverde, aangezien deze niet was voorzien van een schoor, en dat door geen (aanvullende) maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door die binnenmuur alsnog te schoren – in strijd met het bepaalde in artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit – het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen niet werd voorkomen. Gelet daarop en gezien het feit dat beide verdachten ervaren ondernemingen zijn met ervaren uitvoerders op het werk is de rechtbank ook van oordeel dat verdachten,tezamen handelend in dezen, redelijkerwijs moesten weten dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de aldaar werkzame [slachtoffer] ontstond of te verwachten was.

    Met het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] (voorwaardelijk) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3.3, tweede lid en 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl verdachten redelijkerwijs moesten weten dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer, [slachtoffer] ontstond of te verwachten was.

    De beoordeling van schuld in de zin van artikel 307 Sr met betrekking tot feit 1.

    Gelet op hetgeen hierboven is vastgesteld en overwogen is naar het oordeel van de rechtbank tevens komen vast te staan dat verdachte [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] werknemers sloopwerkzaamheden heeft laten verrichten terwijl – zoals ten laste gelegd onder het eerste gedachtestreepje – die werkplek onveilig was omdat een muur niet was geschoord of anderszins tegen omvallen was beveiligd, welke muur zijn stabiliteit had verloren door de sloop van de daaraan bevestigde achterwand. Tevens is uit de bewijsmiddelen gebleken dat tijdens de daadwerkelijke sloopwerkzaamheden geen toezicht werd gehouden op de verrichtingen van de heren [slachtoffer] en [getuige 1] , en dat nadat de muur was weggehaald weliswaar [werknemer] , voorman van [verdachte] , aanwezig was die toezag op de met de sloop samenhangende opruimwerkzaamheden, maar dat deze voorman onvoldoende toezicht heeft gehouden op de veiligheidsaspecten van de werkplaats waar door hen werd gewerkt, hetgeen ten laste is gelegd onder het tweede gedachtestreepje. In voldoende adequaat en deskundig toezicht had moeten worden voorzien aangezien reeds vóór de sloop door zowel [verdachte] als [medeverdachte] – zoals hiervoor reeds overwogen – onderkend had moeten worden dat met het afbreken van de achterwand er instabiliteit van de binnenmuur en daarmee een gevaar voor omvallen zou ontstaan. Dat toezicht was temeer nodig nu het sloopwerk werd verricht door twee werklieden, waarvan [slachtoffer] eigenlijk vloerenlegger was en nog relatief weinig ervaring had met sloopwerkzaamheden, terwijl noch de uitvoerders noch de voorman [werknemer] voldoende op de hoogte waren van de mate van deskundigheid van [slachtoffer] . Daarbij komt dat in het geheel geen instructie is gegeven ten aanzien van de situatie van instabiliteit die zou ontstaan door de sloop en de te nemen maatregelen om de muur tegen omvallen te beschermen, waardoor naar het oordeel van de rechtbank ook is komen vast te staan dat de werklieden onvoldoende waren geïnstrueerd, zoals ten laste gelegd onder het derde gedachtestreepje.

    Nadat de stabiliteit van een binnenmuur door de sloop van de achterwand was komen weg te vallen, zijn [slachtoffer] en [getuige 1] op de bouwplaats de hen opgedragen met de sloop verband houdende opruimwerkzaamheden blijven verrichten, waarbij zij zich niet of onvoldoende bewust waren van het gevaar van omvallen van die binnenmuur, waarna de binnenmuur door de ontstane instabiliteit zijwaarts is omgevallen en [slachtoffer] , die daar juist met zijn werkzaamheden bezig was, heeft bedolven.

    Naar het oordeel van de rechtbank heeft het door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet naleven van de op hen rustende zorgplichten met betrekking tot de veiligheidsaspecten de kans dat een werknemer zou komen te overlijden voorzienbaar in zodanige mate verhoogd dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan verdachte ten dezen handelend tezamen met medeverdachte [medeverdachte] kan worden toegerekend.

    De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , door op een dergelijke wijze om te gaan met de veiligheid van haar werknemers en met de in acht te nemen zorg en waakzaamheid voor de veiligheid op de bouwlocatie, ernstig tekort is geschoten in de na te leven zorgplicht voor die veiligheid en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

    Gelet op de hiervoor reeds uiteengezette feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer] mede aan de schuld van verdachte is te wijten.

    De bewezenverklaring.

    Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

    1. op 1 december 2016 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

    zeer onvoorzichtig, onachtzaam, onzorgvuldig en nalatig

    tezamen en in vereniging met een ander, werknemers arbeid heeft laten verrichten bestaande uit het gedeeltelijk slopen van een woning aan [straatnaam] , terwijl

    – die plek onveilig was omdat een muur van aan elkaar gelijmde (kalkzandsteen)blokken niet was geschoord of anderszins tegen omvallen was beveiligd, welke muur zijn stabiliteit had verloren door het laten slopen van de daaraan verbonden achterwand en

    – die werkzaamheden werden verricht zonder voldoende toezicht en

    – die werkzaamheden werden verricht door werknemers die daarvoor onvoldoende waren geïnstrueerd

    ten gevolge waarvan bedoelde muur is omgevallen op [slachtoffer]

    waardoor het mede aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;

    1. op 1 december 2016 te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, tezamen en in vereniging met een ander, als werkgever, opzettelijk,

    bij het gedeeltelijk slopen van een woning aan [straatnaam] , handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen door in strijd met artikel

    – 3.3, tweede lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit de arbeidsplaats niet zodanig in te richten, dat de daar aanwezige voorwerpen of stoffen geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleverden door omvallen,

    immers was een muur van aan elkaar gelijmde (kalkzandsteen)blokken, niet voorzien van een schoor, en

    – 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit het gevaar te worden getroffen door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, niet te voorkomen of indien dat niet mogelijk was zoveel mogelijk te beperken terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was.

    Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

    De strafbaarheid van het feit.

    Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

    Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

    De strafbaarheid van verdachte.

    Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

    Oplegging van straf en/of maatregel.

    De eis van de officier van justitie.

    De officier van justitie vordert voor de feiten 1 en 2 een geldboete van € 40.000,- waarvan € 20.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

    Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

    Het standpunt van de verdediging.

    De verdediging is van mening dat de eis van de officier van justitie niet past bij verdachte aangezien verdachte een goed geordend bedrijf is met een veiligheidsbewustzijn. De zaak heeft ook civiele consequenties en daar is meer begrip voor.

    Het oordeel van de rechtbank.

    Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de bedrijfseconomische omstandigheden van verdachte.

    De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

    Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van dood door schuld en van handelingen in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet waardoor levensgevaar ontstond of te verwachten was. Het slachtoffer had de opdracht gekregen om samen met zijn collega een achtermuur van een woning te slopen. Door het slopen van de achtermuur was een zijmuur instabiel geworden en is omgevallen op het slachtoffer. De uitvoerder had moeten zien dat door het slopen van de achtermuur de werkplaats onveilig werd omdat de zijmuur niet was geschoord en door de sloop van de muur niet meer was gestabiliseerd. Ten tijde van het slopen van de muur was er geen toezicht, instructie vooraf werd onvoldoende gegeven en maatregelen ter voorkoming van ongevallen werden achterwege gelaten. Verdachte is verwijtbaar aanmerkelijk tekort geschoten in de zorg die van haar verwacht werd.

    De dood van het slachtoffer heeft een grote impact op zijn gezin. Niet alleen het verlies van een man en een vader heeft het gezin te verwerken, maar het verlies heeft ook financiële gevolgen, nu het slachtoffer de kostwinnaar was.

    De rechtbank beseft dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, het leed van de nabestaanden van het slachtoffer niet ongedaan zal kunnen maken. Niettemin zal de rechtbank deze tragische gevolgen bij de strafoplegging betrekken.

    De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld terzake een soortgelijk feit.

    De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

    De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde straf opleggen nu de rechtbank van oordeel is dat de hoogte van de straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Aangezien verdachte niet eerder is veroordeelde zal de rechtbank een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen.

    Toepasselijke wetsartikelen.

    De beslissing is gegrond op:

    artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47, 51, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht,

    artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, en

    artikelen 1, 2 en 6 van de wet op de economische delicten.

    DE UITSPRAAK

    De rechtbank:

    verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

    verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

    Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

    Ten aanzien van feit 1:Medeplegen van aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.Ten aanzien van feit 2:Medeplegen van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

    verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

    Ten aanzien van feit 1 en feit 2:Geldboete van € 40.000,- waarvan € 20.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

     

    Dit vonnis is gewezen door:

    1. M.Th. van Vliet, voorzitter,
    2. W.F. Koolen en mr. B. Damen, leden,

    in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,

    en is uitgesproken op 6 november 2018.

    Mr. B. Damen is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

    1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het Proces-verbaal Arbeidsomstandigheden d.d. 31 juli 2017 van de Inspectie SZW, zaaknummer 411602290, met bijlagen genummerd van 1 tot en met 20. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

    2Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 30 maart 2017, bijlage 9

    3Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 5 december 2016, bijlage 7A, pagina 2 en 3

  13. Instantie
    Rechtbank Midden-Nederland
    Datum uitspraak
    31-10-2018
    Datum publicatie
    18-01-2019
    Zaaknummer
    705049 UF VERZ 10-6310
    Rechtsgebieden
    Verbintenissenrecht
    Bijzondere kenmerken
    Eerste aanleg – enkelvoudig
    Inhoudsindicatie

    Arbeidsongeval met palletheftruck. De toedracht van het ongeval is niet komen vast te staan. Deze onzekerheid komt voor risico van de werkgever.

    Vindplaatsen
    Rechtspraak.nl

    Verrijkte uitspraak

    Uitspraak delen

    Print
    Opslaan als PDF
    Kopieer link

    Uitspraak

    RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

    Civiel recht
    kantonrechter

    locatie Utrecht

    zaaknummer: 705049 UF VERZ 10-6310 SM/1152

    Beschikking van 31 oktober 2018

    inzake

    [verzoeker] ,
    wonende te [woonplaats] ,
    verder ook te noemen [verzoeker] ,
    verzoekende partij,
    gemachtigde mr. S. Boer,

    tegen:

    1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

    [verweerster sub 1] B.V.
    gevestigd te Leusden,
    verder ook te noemen [verweerster sub 1] ,

    2. de naamloze vennootschap

    Zurich Insurance PLC,
    gevestigd en kantoorhoudend te ’s Gravenhage,
    verder te noemen Zurich
    verwerende partijen,
    gemachtigde mr. J. Streefkerk.

    Gedaagden gezamenlijk zullen worden aangeduid met [verweerster sub 1] c.s.

    1 De procedure

    Het verloop van de procedure blijkt uit:
    het verzoekschrift met producties,
    het verweerschrift met producties,
    de mondelinge behandeling waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
    de pleitnota van [verzoeker] .

    2 De feiten
    2.1.
    [verzoeker] heeft van 26 oktober 2012 tot en met 19 november 2012 en van 1 december 2015 tot en met 4 april 2016 als uitzendkracht gewerkt bij [verweerster sub 1] . In de tweede periode heeft hij gewerkt op een Electrische Pallettruc (hierna: de pallettruck). De pallettruck is een kleine vorkheftruck met een maximum snelheid van 8-10 km per uur. Op 4 april 2016 is [verzoeker] tijdens zijn werkzaamheden met de pallettruck in het magazijn van [verweerster sub 1] met zijn rechter voet bekneld geraakt tussen de pallettruck en een beveiligingsbeugel die was bevestigd aan een staande stalen H-balk in het magazijn. Als gevolg van de beklemming heeft [verzoeker] orthopedisch letsel opgelopen aan zijn rechter voet.

    2.2.
    De arbeidsinspectie heeft op 31 mei 2016 een (ongevallen)boeterapport opgemaakt. In het kader van dit onderzoek heeft de arbeidsinspecteur [verzoeker] en verschillende anderen als getuigen gehoord. De arbeidsinspectie heeft [verweerster sub 1] bij beschikking van 19 december 2016 een boete opgelegd.

    3 Het geschil
    3.1.
    [verzoeker] verzoekt dat de rechtbank voor recht verklaart dat [verweerster sub 1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het arbeidsongeval dat hem op 4 april 2016 is overkomen en dat Zurich als gevolg daarvan gehouden is de schade van [verzoeker] te vergoeden, met veroordeling van Zurich tot betaling van de kosten van het deelgeschil.

    3.2.
    [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [verweerster sub 1] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht als werkgever op grond van artikel 7:658 lid 1 BW, doordat zij geen maatregelen heeft genomen om de schade te voorkomen die hij heeft opgelopen door het bedrijfsongeval. De vordering tegen Zurich baseert [verzoeker] op artikel 7:954 BW op grond waarvan een benadeelde de mogelijkheid heeft om rechtstreeks van de aansprakelijkheidsverzekeraar een schadevergoeding te vorderen. Ter onderbouwing van zijn verzoek verwijst [verzoeker] onder meer naar het rapport van de arbeidsinspectie van 31 mei 2016.

    3.3.
    [verweerster sub 1] c.s. heeft gemotiveerd tegengesproken dat de botsing tegen de aanrijdbeugel door [verzoeker] het gevolg is van enige tekortkoming van [verweerster sub 1] . Volgens haar is de aanrijding het gevolg van een (dubbele of driedubbele) fout van [verzoeker] , die [verweerster sub 1] niet heeft kunnen voorkomen en heeft zij alle maatregelen getroffen die in redelijkheid van haar kunnen worden gevergd om het ongeval te voorkomen.

    4 De beoordeling
    4.1.
    Op grond van artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Op grond van het tweede lid van dit artikel is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

    4.2.
    De werknemer die zijn werkgever op grond van lid 2 van artikel 7:658 aanspreekt, moet stellen (en bij gemotiveerde betwisting bewijzen) dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, maar van hem mag niet worden verlangd dat hij aantoont wat precies de toedracht of oorzaak van het ongeval is geweest (vgl. HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR2001:AB1430 en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432).

    4.3.
    Vaststaat dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Tussen partijen is niet in geschil dat hij bij deze werkzaamheden als uitzendkracht voor de door [verweerster sub 1] in acht te nemen zorgverplichtingen vergelijkbaar was met een werknemer van [verweerster sub 1] (artikel 7:658 lid 4 BW). Verder zijn partijen het er over eens dat er bij [verzoeker] geen opzet was of bewuste roekeloosheid.

    4.4.

    Volgens [verzoeker] is het ongeluk als volgt gebeurd:
    Toen [verzoeker] om 22.00 uur klaar was met zijn pauze is hij met de pallettruck gaan rijden. Hij heeft tijdens het rijden willen voorkomen dat hij een aantal bakken zou raken, die ter hoogte van de H-balk waren opgestapeld. Omdat hij deze bakken in de gaten hield is [verzoeker] geschrokken toen hij de stalen H-balk met aanrijdbeveiliging plots op zich af zag komen. Hij kon deze balk eerst niet zien, omdat de bakken er voor stonden. [verzoeker] wilde van de pallettruck afspringen waarbij hij zijn voet buiten de cabine heeft geplaatst. Vervolgens is zijn voet bekneld geraakt tussen de pallettruck en de aanrijdbeveiliging.

    4.5.

    Volgens [verweerster sub 1] c.s. is het anders gegaan:
    De oorzaak van het ongeval is het gevolg van een stuurfout of onoplettendheid van [verzoeker] . Daardoor is hij tegen de H-balk is gebotst. Ter hoogte van de H-balk hebben enkele te transporteren bakken gestaan, maar er was meer dan voldoende ruimte voor de pallettruck om tussen die bakken en de H-balk door te rijden. [verweerster sub 1] gaat er vanuit dat [verzoeker] zijn rechtervoet buiten de pallettruck heeft gestoken. Als hij zijn voet gewoon binnen de pallettruck had gehouden – zoals de instructie was – was er niets gebeurd. Het is volgens [verweerster sub 1] uitgesloten dat [verzoeker] is geschrokken van de H-balk. Die balk was uitermate goed zichtbaar en stond daar altijd al. Verder zou, als [verzoeker] werkelijk links uit de pallettruck zou zijn gesprongen zijn linkervoet als eerste naar buiten zijn gekomen. In dat geval zou zijn rechtervoet onmogelijk bekneld hebben kunnen raken.

     
    4.6.
    Partijen schetsen dus een verschillende toedracht van het ongeval. Geen van de door de arbeidsinspectie gehoorde getuigen heeft het ongeval zien gebeuren en er is gesteld noch gebleken dat behalve [verzoeker] er iemand anders is die het ongeval heeft zien gebeuren. Daarover kan dan ook niet meer zekerheid worden gekregen. Op grond van hetgeen hierna wordt overwogen moet deze onzekerheid voor risico van [verweerster sub 1] blijven.
    4.7.
    Uit het rapport van de arbeidsinspectie (pagina 8 onder nummer 3 van dat rapport) blijkt dat volgens de regels voor vast- en flexibel personeel van [verweerster sub 1] een intern transportmiddel alleen bediend mag worden door medewerkers die hiervoor zijn opgeleid door interne trainers of door externe trainers die door [verweerster sub 1] zijn ingehuurd. De betreffende medewerker moet ook in het bezit zijn van een voor het betreffende transportmiddel geldig certificaat en de instructie ten aanzien van het gebruik van interne transportmiddelen hebben getekend. Ook de heer [A] , de leidinggevende van [verzoeker] , heeft tegenover de arbeidsinspectie verklaard dat ieder die werkt met de pallettruck een training moet hebben gehad over de bediening van de pallettruck en voorlichting over risico’s die het gebruik van de pallettruck met zich brengt. [verzoeker] had deze training niet gehad. [A] heeft daarover verklaard dat er een achterstand was in deze training, omdat er veel wisselingen en nieuwe werknemers waren.
    4.8.
    [A] heeft verder verklaard dat hij [verzoeker] mondelinge instructies heeft gegeven over het (veilig) gebruik van de palettruck. Dergelijke instructies gegeven tijdens het werk zijn niet vergelijkbaar met een training die speciaal is bedoeld voor overdracht van kennis over het gebruik van de palettruck en de daaraan verbonden gevaren. Degene die de training geeft is daarvoor speciaal opgeleid en de kennisoverdracht wordt gegeven buiten (de hectiek van) de werkvloer. [verzoeker] beschikte weliswaar over een certificaat voor het gebruik van de pallettruck dat hij had verkregen bij zijn vorige werkgever Post NL, maar dit is naar het oordeel van de kantonrechter op zichzelf onvoldoende reden om aan hem niet de eis te stellen dat hij voor hij met de pallettruck ging werken de gebruikelijke training bij [verweerster sub 1] volgde. Voor een werknemer zoals [verzoeker] , die al in het bezit is van een certificaat van een andere werkgever, had [verweerster sub 1] misschien een uitzondering op deze regel kunnen maken, als zij was nagegaan of [verzoeker] over voldoende vaardigheid beschikte voor een veilig gebruik van de pallettruck. Uit niets is echter gebleken dat [verweerster sub 1] daar speciale aandacht aan heeft besteed. [A] heeft verklaard dat hij [verzoeker] heeft uitgelegd dat hij “goed om zich heen moet kijken als hij met de pallettruck rijdt” en dat hij “moet afstappen als hij producten niet kan pakken”. Daaruit blijkt niet dat [A] aandacht heeft gehad voor de wijze waarop [verzoeker] de pallettruck gebruikte en heeft gecheckt of hij deze voldoende veilig gebruikte. Dat [verzoeker] de palettruck al enige tijd gebruikte, zoals [verweerster sub 1] stelt, zegt nog niet dat hij dit op een juiste en veilige wijze deed. Het ontbreken van een training en voorlichting over de risico’s is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval wel van belang, omdat zowel de lezing van [verzoeker] dat hij is geschrokken van de H-balk, als in de lezing van [verweerster sub 1] dat hij een stuurfout heeft gemaakt terwijl er feitelijk voldoende manoeuvreerruimte was, het beeld geeft van een medewerker die niet voldoende vaardig is in het gebruik van de pallettruck en onhandig en schrikachtig reageert op een voor hem onverwachte situatie.
    4.9.
    [verweerster sub 1] heeft in ieder geval niet voldaan aan haar eigen beleid om er voor te zorgen dat haar werknemers zo goed mogelijk voorbereid zijn om veilig gebruik te kunnen maken van de pallettruck. Zij heeft daarom niet aangetoond dat zij alle aanwijzingen heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Weliswaar kan door de vele nieuwe werknemers een achterstand in de trainingen ontstaan, maar door medewerkers zonder die training al op de pallettruck te laten rijden neemt [verweerster sub 1] het risico dat er fouten ontstaan
    4.10.
    De stelling van [verweerster sub 1] c.s. dat de schade niet zou zijn ontstaan als [verzoeker] zijn voet binnen de pallettruck zou hebben gehouden, zoals hij was geïnstrueerd, leidt niet tot een ander oordeel. Niet in geschil is dat [verzoeker] bekend was met dit voorschrift. De vraag of hij tijdens het rijden zijn voet wel of niet binnen de palettruck heeft gehad is een van de onzekerheden over de toedracht van het ongeval die gelet op de conclusie dat [verweerster sub 1] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, voor risico van [verweerster sub 1] komen.
    4.11.
    De kantonrechter zal het verzoek toewijzen en voor recht verklaren dat [verweerster sub 1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het arbeidsongeval dat [verzoeker] op 4 april 2014 is overkomen en dat Zurich de door [verzoeker] geleden schade moet vergoeden.
    4.12.
    Gelet op het voorgaande hoeven de overige verwijten die [verzoeker] [verweerster sub 1] heeft gemaakt geen bespreking.
    4.13.
    De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Bij de begroting van de kosten dient de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
    4.14.
    [verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 8.465,16 (30 uur, tegen een uurtarief van € 220,00, vermeerderd met 6% kantoorkosten en 21% btw). [verweerster sub 1] c.s. voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is, terwijl zij het uurtarief te hoog vindt. Over de kantoorkosten heeft [verweerster sub 1] c.s. naar voren gebracht, onder verwijzing naar jurisprudentie dat deze geschrapt moeten worden, aangezien deze toeslag dateert uit vervlogen tijden, toen nog gebruik werd gemaakt van telegrammen, telex e.d. en toen kopieën nog bijzonder (duur) waren. Met het gebruik van e-mail als communicatiemiddel is dit soort kantoorkosten vrijwel nihil geworden, waarmee volgens [verweerster sub 1] c.s. eens te meer duidelijk wordt dat het gaat om een verkapt honorarium.
    4.15.
    De kantonrechter zal bij de begroting uitgaan van het gehanteerde uurtarief van € 220,00. Deze zaak betreft naar het oordeel van de kantonrechter een niet per definitie eenvoudig deelgeschil, maar is ook niet dermate complex dat dit een tijdsbesteding van 30 uren rechtvaardigt. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 20 uren x € 220,00 vermeerderd met BTW, totaal € 5.324,00 te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 79,00. De rechtbank wijst de vergoeding van kantoorkosten af. [verzoeker] is niet ingegaan op het verweer dat daarvoor geen ruimte meer is en hij heeft deze kosten ook niet onderbouwd.
    5 De beslissing
    De kantonrechter
    5.1.
    verklaart voor recht dat [verweerster sub 1] ten opzichte van [verzoeker] aansprakelijk is voor de gevolgen van het arbeidsongeval dat [verzoeker] op 4 april 2014 is overkomen en dat Zurich de door [verzoeker] geleden schade moet vergoeden;
    5.2.
    begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.324,00 te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 79,00 en veroordeelt [verweerster sub 1] tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;
    5.3.
    wijst het meer of anders verzochte af.
    Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.

  14. Bron: Schuttevaer
    Rechter: stuurman moet slijptolincident met werkgever zelf oplossen
    ROTTERDAM 13 januari 2019, 13:26
    De Rotterdamse kantonrechter Van Boven heeft in een recent vonnis laten zien dat hij ook wel eens op de kleintjes wil letten. De rechter vond dat de partijen in een letselzaak eerst de zaken zelf hadden moeten zien te regelen voordat ze bij hem aanklopten. Hij wees de vordering die door een werknemer tegen zijn werkgever had aangespannen daarom af.
    De zaak was aangespannen door de eerste stuurman op een zeesleepboot van een bedrijf in Terneuzen. De man, die daar in tijdelijke dienst was, kreeg op 4 juni 2016 van zijn kapitein opdracht met de slijptol een stalen kast die op het dek stond weg te slijpen. Dat gebeurde terwijl het schip op de werf lag. 
     
    Onervaren met slijptol
    De stuurman vertelde dat hij onervaren was in het hanteren van een slijptol en zei tegen de kapitein dat hij de opdracht daarom niet zag zitten. De hoofdwerktuigkundige bood aan de klus met een snijbrander te doen. Maar dat wilde de kapitein niet.
    Hij gaf de stuurman nogmaals de opdracht het karwei te doen, met de slijptol en uitdrukkelijk niet met de snijbrander. Volgens de stuurman was weigeren gezien de verhoudingen aan boord geen optie en besloot hij de opdracht daarom toch te doen.
     
    Op bovenbeen
    De stuurman moest knielen om bij de onderkant van de kast te komen. Toen hij de schijf in een harde naad zette sloeg de slijptol ongecontroleerd terug en kwam de schijf op twee plaatsen in zijn bovenbeen terecht. Een ernstige vleeswond was het gevolg. 
    De man is na het ongeval behandeld in een ziekenhuis en heeft zich daarna ziek gemeld. Na het aflopen van zijn arbeidscontract, dat nog bijna een jaar liep, is het dienstverband met de rederij niet verlengd.
     
    Beschermende middelen
    De stuurman betoogde tijdens de zitting dat de werkgever heeft nagelaten adequate beschermende middelen ter beschikking te stellen. Verder verweet hij de kapitein dat die geen instructie had gegeven hoe de slijptol te gebruiken. 
    De stuurman vroeg de kantonrechter om de rederij te veroordelen tot betaling van de schade die hij door het ongeval had opgelopen. Naast de snijwond aan zijn been als gevolg van het terugslaan van de slijptol, heeft de man tot op heden last van aanhoudende neurologische pijnklachten, bewegingsbeperkingen en slaapproblematiek. Volgens medici is er sprake van zenuwletsel, staat in het vonnis. De man had overigens wel weer elders werk gevonden.
     
    Onhandig verwond
    Het sleepbootbedrijf voerde aan dat de stuurman volgens haar wel voldoende ervaring had met het werken met de slijptol, of dat in ieder geval zou moeten hebben. Hij heeft zich door zijn eigen onoplettendheid of onhandigheid verwond, was de mening van werkgeverskant: ‘Dat is uiterst ongelukkig, maar in dit verband valt dat ons niet te verwijten.’ 
    De werkgever betoogde verder dat het werk op een werf werd gedaan waar alle mogelijke gereedschappen en persoonlijke beschermingsmiddelen aanwezig waren, zoals veiligheidsschoenen, een helm met beschermkap voor de ogen, een veiligheidsbril, werkhandschoenen en een stevige werkoverall. Daar had de stuurman niet naar gevraagd.
     
    Minnelijke schikking
    Maar de rechter kwam helemaal niet toe aan een afweging van de wederzijdse belangen. Die vond dat de stuurman eerst maar eens had moeten proberen om er met zijn – inmiddels voormalige – werkgever gezamenlijk uit te komen. Mocht zo’n minnelijke schikking niet lukken dan konden de partijen zich altijd met geschillen op onderdelen tot de rechter wenden, was zijn oordeel. De opdracht was dus: probeer eerst samen tot een overeenkomst te komen en kom daarna eventueel nog eens terug voor details waar jullie samen niet uitkomen. 
    Citaat uit de uitspraak: ‘Gegeven het doel om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter steeds van geval tot geval te beoordelen of de verzochte beslissing voldoende aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan bijdragen. Aldus moet de investering in tijd, geld en moeite afgewogen worden tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren,’ aldus de kantonrechter. 
    Of in minder ambtelijke taal: jaag het rechtssysteem niet op kosten zonder dat je zelf in ieder geval enige moeite hebt gedaan om de zaak op te lossen. (BO) 
     

  15. ECLI:NL:GHSHE:2018:4484

    Instantie
    Gerechtshof 's-Hertogenbosch
    Datum uitspraak
    29-10-2018
    Datum publicatie
    29-10-2018
    Zaaknummer
    20-001904-16
    Formele relaties
    Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3412
    Rechtsgebieden
    Strafrecht
    Bijzondere kenmerken
    Hoger beroep
    Op tegenspraak
    Inhoudsindicatie

    Vrijspraak bedrijfsongeval met dodelijke afloop.

    Bevestiging vonnis rechtbank met aanvullende vrijspraakoverweging.

    Het hof spreekt de verdachte vrij van dood door schuld en overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. Het hof is van oordeel dat de verdachte voldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen teneinde er zorg voor te dragen dat werknemers een tank – een ruimte waarin een risico bestond dat het zuurstofgehalte laag was – slechts zouden betreden als er geen gevaar was. Als onderdeel van het veiligheidsbeleid zijn werknemers gewezen op de veiligheidsvoorschriften en de gevaren van het betreden van en het werken in een tank. De betreffende werknemers hebben veiligheidscursussen met goed gevolg moeten afleggen. Bovendien was de tank op de dag dat het ongeval had plaatsgevonden afgesloten en hing er bij de tank een (internationaal bekend) waarschuwingsteken met ‘verboden toegang’. Gelet op het veiligheidsbeleid van de verdachte kon naar het oordeel van het hof niet van de verdachte worden gevergd dat zij voortdurend (bij iedere tank) toezicht hield.

    Vindplaatsen
    Rechtspraak.nl
     
    Verrijkte uitspraak
  16. Rechtbank Oost-Brabant 30 oktober 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:5270

    De rechtbank Oost-Brabant legt een sloop- en grondwerkbedrijf uit Eindhoven een geldboete op van 100.000 euro, waarvan 20.000 euro voorwaardelijk. Het bedrijf is verantwoordelijk voor een tragisch ongeval; tijdens werkzaamheden aan een lift kwam één werknemer om het leven en een ander raakte zwaargewond.

    De werknemers waren in oktober 2015 in een gebouw op het terrein van de Technische Universiteit Eindhoven op tenminste 10 verdiepingen hoog aan het werk in een liftschacht. Ze moesten die lift demonteren. De werknemers stonden op de liftkooi die in de liftschacht met een stalen kabel aan een elektrische takel hing. Op enig moment liep de kabel van de takel af waardoor de liftkooi in nagenoeg vrije val kwam en op de bodem van de liftschacht stortte. Hierdoor kwam één van de werknemers te overlijden en liep de ander onder meer een dwarslaesie en meerdere botbreuken op.

    Volgens de rechtbank hield het bedrijf waar de werknemers in dienst waren, zich niet aan de Arbowet en in het Arbobesluit opgenomen bepalingen en voorschriften over de veiligheid van werknemers. Het bedrijf was als werkgever namelijk verantwoordelijk voor de veiligheid en het welzijn van haar werknemers op de werkplaats en was verplicht passende en adequate maatregelen te treffen om de risico’s en gevaren op de arbeidslocatie zo veel mogelijk te beperken. Het bedrijf is daarin ernstig tekort geschoten. Het bedrijf had niet gecontroleerd of de vanginrichting van de liftkooi werkte. Deze vanginrichting zou bij juiste werking de val van de liftkooi hebben afgeremd en gestopt. De drukveren van de vanginrichting bleken met een snijbrander te zijn doorgebrand waardoor de vangremmen niet werkten. Dit zou bij een controle zijn opgemerkt. Bovendien had het bedrijf er onvoldoende voor gezorgd dat de werknemers continu met een veiligheidsgordel aangelijnd waren tijdens de werkzaamheden. Op die momenten van niet aangelijnd zijn was er – met het niet werken van de vanginrichting – geen veiligheidsvoorziening voor de werknemers.

    De rechtbank rekent het bedrijf zwaar aan dat door haar schuld één werknemer is overleden en één werknemer zwaargewond geraakt is. Bij het bepalen van de straf kijkt de rechtbank onder meer naar wat in soortgelijke zaken is opgelegd. De rechtbank vindt de wettelijke boetemaxima in dit geval niet afdoende. Van een geldboete die aan een rechtspersoon wordt opgelegd, moet een afschrikwekkend effect uitgaan. Daarom maakt de rechtbank gebruik van de wettelijke mogelijkheid om rechtspersonen een hogere boete op te leggen. Al met al vindt de rechtbank een geldboete van 100.000 euro passend voor de mate van schuld die het bedrijf heeft aan het ongeval. Een deel daarvan, 20.000 euro, is voorwaardelijk en dient als stok achter de deur en ter aansporing om de veiligheid op de werkvloer tot hoogste prioriteit binnen het bedrijf te maken. Bij dit alles beseft de rechtbank dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, het leed van de nabestaanden en dat van het zwaargewonde slachtoffer niet ongedaan zal kunnen maken.

  17. Bedrijven en directeur schuldig aan overlijden man bij bedrijfsongeval Tilburg

    ‘s-Hertogenbosch, 09 april 2018

    Een bouwbedrijf uit Herwijnen, de directeur van dat bedrijf en een vastgoedbedrijf uit Dongen zijn schuldig aan overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet en dood door schuld. De rechtbank Oost-Brabant legt hen geldboetes op tot 40.000 euro, waarvan een gedeelte voorwaardelijk. De 3 verdachten zijn schuldig aan de dood van een werknemer op een bouwlocatie in 2016.

    Op 14 juni 2016 kwam de man om het leven bij het verrichten van rioleringswerkzaamheden op een bouwlocatie in Tilburg. De man had samen met zijn baas een uitgraving van ruim 2 meter diep gemaakt, waarna zij het gat zijn ingelopen. Toen de werkzaamheden in de uitgraving klaar waren, wilden beide mannen via een schuin talud naar boven klimmen. De directeur liep voorop en zag vervolgens in zijn ooghoek de grond wegschuiven. Door de verschuiving van de grond, viel het slachtoffer voorover, werd hij bedolven onder het zand en met zijn borst op een pvc-buis gedrukt. Het slachtoffer werd snel uitgegraven, maar reanimatiepogingen van een collega en medisch personeel mochten helaas niet baten.

    Onvoldoende veiligheidsmaatregelen

    Volgens onderzoek van de arbeidsinspectie zijn bij de uitgraving onvoldoende veiligheidsmaatregelen genomen om instorting te voorkomen. De rechtbank stelt vast dat de opdrachtgever van de bouw van de bedrijfshal (het bedrijf uit Dongen) en de werkgever van de man (het bedrijf uit Herwijnen) de arbeidsomstandighedenwetgeving hebben overtreden. De opdrachtgever heeft verzuimd vooraf een veiligheidsplan met een inventarisatie van de risico’s op te (laten) stellen. Er werd gewerkt op een diepte van ongeveer 2.20 meter en dan zijn zogenaamde stempelingen, bekisting of damwanden noodzakelijk, of een voldoende breed talud. Het bedrijf uit Herwijnen heeft daar niet voor gezorgd. Men dacht te kunnen volstaan met een talud, maar dat voldeed niet aan de voorgeschreven afmetingen omdat het te smal was. De rechtbank rekent het de directeur zwaar aan dat hij feitelijk leiding gaf aan de gedragingen. Daarbij komt dat alle verdachten wel wisten van de benodigde veiligheidsmaatregelen en de gevaren kenden die waren verbonden aan het werken in een uitgraving. Op grond daarvan stelt de rechtbank vast dat ze opzettelijk hebben gehandeld en ernstig tekort zijn geschoten in hun plicht maatregelen te treffen. Samen zijn ze schuldig aan de dood van de man.

    Oordeel

    Bij het bepalen van de straf weegt mee dat de werkgever, directeur en opdrachtgever kort gezegd verantwoordelijkheid waren voor de veiligheid en het welzijn van de man op de arbeidslocatie. Ze waren verplicht passende en adequate maatregelen te nemen tegen de aanwezige gevaren. De rechtbank rekent het hen zwaar aan dat zij dat hebben nagelaten. Zoals blijkt uit de slachtofferverklaring van de moeder van de man heeft het tragische ongeval een niet op te vullen emotionele leegte achtergelaten. Zij, maar ook andere familieleden en bekenden, zullen de man voor altijd moeten missen. Bij de strafoplegging voor de directeur weegt de rechtbank mee dat hij na het ongeval meerdere keren contact zocht met de moeder van het slachtoffer. Daarnaast hebben de gevolgen van het ongeval ook op hem een grote impact gehad; hij was niet alleen werkgever maar ook een vriend van de man.

    Voor de werkgever en opdrachtgever komt de rechtbank tot een geldboete van 40.000 euro. De rechtbank legt de werkgever hiervan de helft voorwaardelijk op gezien de geringe bedrijfsgrootte en om herhaling te voorkomen. Voor de opdrachtgever is 10.000 euro voorwaardelijk, ook om dit bedrijf ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Bij het opleggen van de voorwaardelijke geldboete van 10.000 euro aan de directeur weegt de geldboete voor zijn bedrijf mee, aangezien hij de financiële gevolgen ook persoonlijk zal voelen.

  18. Veroordeling constructie- en machinebouwbedrijf wegens dood door schuld
    28 februari 2018/ Joyce Verhaert
    Rechtbank Overijssel 12 februari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:410
    De rechtbank Overijssel veroordeelt een constructie- en machinebouwbedrijf uit Bergharen tot een geldboete van 30.000 euro. Verdachte heeft hijswerkzaamheden laten verrichten, bestaande uit het hijsen van een stalen balk die niet was gestropt, waardoor de last is gaan schuiven, terwijl slachtoffer niet was verplicht om buiten het hijsgebied te blijven. De balk is vervolgens uit de hijsbanden geschoven en heeft slachtoffer geraakt, als gevolg waarvan hij is komen te overlijden.
    De verdenking komt erop neer dat verdachte: schuld heeft aan de dood van slachtoffer, omdat verdachte hijswerkzaamheden heeft laten verrichten, bestaande uit het hijsen van een stalen balk zonder dat die stalen balk in de hijsbanden was gestropt, zonder dat een procedure om een goede coördinatie van de twee kraanbedieners te waarborgen was toegepast, en zonder dat slachtoffer van die plek waar de werkzaamheden werden uitgevoerd werd weggehouden, waarna die stalen balk uit de hijsbanden is geschoven en slachtoffer heeft geraakt.

    Standpunt van de verdediging
    De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdediging heeft daarvoor – kort samengevat – aangevoerd dat bij het hijsen van de balk geen fout is gemaakt en dat er bovendien geen causaal verband bestaat tussen die eventuele fout en de dood van slachtoffer.
    Van schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is geen sprake, aangezien verdachte niet had kunnen voorzien dat de last uit de hijsbanden zou schuiven en dat iemand daardoor dodelijk gewond zou raken.

    Het oordeel van de rechtbank
    De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
    De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
    Op 17 mei 2016 heeft op het terrein van verdachte een ongeval plaatsgevonden. Ten tijde van het ongeval werden door twee werknemers van verdachte werkzaamheden verricht, bestaande uit het hijsen van een stalen balk op een vrachtwagen met oplegger, waarvan slachtoffer de chauffeur was (hierna: slachtoffer ). Het hijsen van een dergelijke last vond zeer regelmatig in het bedrijf plaats en voor deze klus bestond geen schriftelijk hijsplan. Besloten werd om de last in twee zogenoemde platte hijsbanden te hangen en die met twee bovenloopkranen op de oplegger te hijsen. Om te kunnen bepalen hoe ver slachtoffer zijn oplegger moest uitschuiven hebben getuigen 1 en getuigen 2 de langste stalen balk in de hoogste stand, naast de vrachtwagen met oplegger, gehesen. Toen de stalen balk van 22 meter lang en 1.800 kilogram in de hoogste stand hing is de balk aan één kant uit de hijsband geschoven en heeft, nadat deze op de overige te laden balken was gevallen, slachtoffer geraakt. slachtoffer is diezelfde avond aan zijn verwondingen overleden.
    De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van het tenlastegelegde misdrijf ‘dood door schuld’ de volgende vragen onder ogen dienen te worden gezien:
    a. heeft verdachte een fout gemaakt?
    b. is er voldoende oorzakelijk verband tussen de gemaakte fout en de dood van slachtoffer ;
    c. is er sprake van schuld in de zin van artikel 307 Sr, dat wil zeggen: is er sprake van min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid (vgl. de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 21 september 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BN7748).
    De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7948) overwogen dat onder schuld als delictsbestanddeel een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van artikel 307 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
    De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval de tenlastegelegde gedragingen (onder meer) bestaan uit het hijsen van een stalen balk, die niet was gestropt, door middel van twee bovenloopkranen, elk door een andere kraanbediener bediend, terwijl niet een procedure was vastgesteld of toegepast om een goede coördinatie van de handelingen van de bedieners te waarborgen. Blijkens de verklaringen van getuige getuigen 1 en gemachtigde verdachte was deze manier van hijsen gebruikelijk binnen het bedrijf. In de kantine in het bedrijf hing wel een algemene hijsinstructie, maar voor hijsen met twee bovenloopkranen was geen afzonderlijke instructie vastgesteld of toegepast. Voor de keuze van hijsgereedschap of het stroppen van een last bestonden evenmin instructies.
    Uit het proces-verbaal van bevindingen van naam 1, gecertificeerd hogere veiligheidskundige en werkzaam bij het Expertisecentrum van de Inspectie SZW, volgt dat het hijsen van een last met twee bovenloopkranen hoog risicovol is, omdat elke minimale beweging van een hijskraan invloed heeft op de bewegingen van de last en daarmee ook op de belasting van de andere bovenloopkraan. Bij het hijsen van een last met twee bovenloopkranen met elk een eigen bedieningspaneel die op twee uit elkaar liggende plaatsen worden bediend, moeten de operators van de hijskranen de bewegingen bovendien precies met elkaar afstemmen. Zodra er ook maar enig tijdsverschil in het bedienen van de bovenloopkraan zit, zal de last scheef worden verplaatst en zal er een schuine belasting in die hijsgereedschappen gaan optreden waardoor verschuiving van de hijsbanden bij het hijsen in een mandje voorstelbaar is. Getuigen getuigen 1 en getuigen 2 hebben weliswaar verklaard dat zij ten tijde van het hijsen zowel in woord als gebaar met elkaar communiceerden, maar uit de verklaring van getuigen 1 dat hij niet heeft gezien dat getuigen 2 de bovenloopkraan nog iets naar voren bewoog, terwijl getuigen 1 reeds gestopt was met zijn bovenloopkraan te bewegen, leidt de rechtbank af dat van een optimale communicatie, waarbij de bewegingen precies met elkaar zijn afgestemd, geen sprake is geweest.
    Uit het rapport van naam 1 blijkt tevens dat bij de huidige stand van de wetenschap en de professionele dienstverlening ten aanzien van het aanslaan van lasten ander hijsgereedschap had moeten worden gekozen dan de gebruikte hijsbanden die als een ‘mandje’ om de last zaten. Er had in elk geval hijsgereedschap met een klemmende werking moeten worden gebruikt, zodat het hijsgereedschap niet op of over de last kan schuiven. Gekozen had kunnen worden voor balkklemmen of een eindloze hijsband die rondgestropt moet worden. De feitelijk gebruikte hijsbanden hadden bovendien tenminste klemmend achter de ‘uitstulpingen’ van de stalen balk moeten worden aangebracht zodat het schuiven van de last was voorkomen.
    naam 1 heeft geconcludeerd dat gezien de kenmerken van de last, de gebruikte hijsbanden, de wijze van aanslaan, het gebruik van twee bovenloopkranen en de omgevingsfactoren (te weten het over de rongen hijsen) het redelijkerwijs te verwachten was dat de last in de hijsband kon verschuiven en zo mogelijk er uit kon vallen.
    De rechtbank is op basis van het rapport van naam 1 van oordeel dat verdachte een fout heeft gemaakt die heeft geleid tot de dood van slachtoffer. Verdachte heeft onder voornoemde omstandigheden en op bovengenoemde wijze hijswerkzaamheden laten verrichten, terwijl redelijkerwijs te verwachten was dat de last kon verschuiven en er uit kon vallen. Dit risico heeft zich verwezenlijkt, terwijl slachtoffer er niet toe is verplicht om weg te blijven uit het hijsgebied. Uit de verklaringen van getuigen 2 en getuigen 1 blijkt immers dat, hoewel zij wisten dat derden zich niet in het hijsgebied mochten bevinden, zij slachtoffer niet hebben gemaand om uit dat gebied weg te blijven. Dit terwijl getuigen 2 slachtoffer ten tijde van het ongeval heeft zien lopen in het hijsgebied en getuigen 1, die achteraan de oplegger stond en naar eigen zeggen zicht had op de bestuurderscabine van de vrachtwagen, slachtoffer niet heeft gezien, maar naar het oordeel van de rechtbank wel had moeten zien.
    Gelet op deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.
    De rechtbank overweegt voorts dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van een rechtspersoon is voldaan, nu verdachte als geadresseerde van de norm is aan te merken en de gedragingen van de kraanbedieners aan verdachte zijn toe te rekenen. Deze gedragingen hebben in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden en het op deze manier hijsen van stalen balken was, blijkens de verklaringen van getuigen 1 en verdachte, gangbaar binnen het bedrijf en dienstig aan het bedrijf.

    Bewezenverklaring
    • Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

    Strafoplegging
    • geldboete van 30.000 euro

    Lees hier de volledige uitspraak.

    28 februari 2018/ Joyce Verhaert/
    Arbeidsomstandigheden, Jurisprudentie, Rechtbank

  19. nieuws

    Heftruck verbrijzelt enkel zzp’er: bouwbedrijf en onderaannemer aansprakelijk

    Schade 4378 0

    Een metselaar die als zzp’er bij een ongeval een heftruck op zijn been heeft gekregen, heeft met succes het bouwbedrijf en de onderaannemer waar hij voor werkte aansprakelijk gesteld voor de schade. De rechtbank in Utrecht oordeelt dat AVB-verzekeraar Allianz van het bouwbedrijf mede aansprakelijk is. ASR, verzekeraar van de onderaannemer, doet met succes een beroep op een uitsluiting in de polisvoorwaarden.

    Heftruck verbrijzelt enkel zzp’er: bouwbedrijf en onderaannemer aansprakelijk

    Met een andere zzp’er gaat de metselaar/voegenlijmer in 2012 aan de slag op een bouwproject. Zijn opdrachtgever is een zzp’er, die het werk weer uitvoert als onderaannemer van een bouwbedrijf. Op 17 oktober gaat het mis als hij met zijn collega-zzp’er op de eerste verdieping van het gebouw afval aan het opruimen is. Hij wordt geraakt door een omvallende palletheftruck. Bij het ongeval worden zijn scheenbeen, kuitbeen en voet gebroken en wordt zijn enkel verbrijzeld.

    De vloer was oneffen, want nog niet voorzien van een deklaag. De ongelukkige zzp’ er wilde met zijn collega een zogeheten big bag met puin naar de begane grond tillen. Gezien de inhoud van ruim 1.000 liter was een verreiker (een soort kruising tussen een heftruck en een hijskraan) daarvoor het aangewezen hulpmiddel. Maar die stond te ver weg. Daarom zijn de lussen van de big bag over de bovenste lepels van een pallettruck gehangen. Toen de collega ging rijden, viel de truck om, bovenop het been van het slachtoffer.

    De onderaannemer krijgt van de arbeidsinspectie een boete wegens overtreding van de arbeidsomstandighedenwet, omdat de pallettruck niet is gebruikt op de voorgeschreven manier. Zo’n truck mag alleen op een vlakke ondergrond worden gebruikt, lasten moeten stabiel en veilig bevestigd zijn en andere personen mogen zich niet in de buurt bevinden.

    Het slachtoffer stapt naar de rechter en stelt Allianz, verzekeraar van het bouwbedrijf, en ASR, verzekeraar van de onderaannemer en de collega-zzp’er, aansprakelijk voor de geleden schade. De rechtbank stelt vast dat de metselwerkzaamheden feitelijk behoren tot de bedrijfsuitvoering van het bouwbedrijf en dat het slachtoffer zich kan beroepen op de zorgplicht die het bedrijf als werkgever had. Het bouwbedrijf is daarom aansprakelijk.

    Onjuist gebruik

    Het optillen van de big bag is een onjuist gebruik van de palletheftruck. “De rechtbank constateert dan ook dat het ongeval het gevolg is van het rijden over een ongeschikte vloer, of van het op onjuiste wijze beladen van de palletheftruck, of het gevolg van een combinatie van deze beide factoren. In ieder geval heeft het ongeluk kunnen gebeuren door het gebruik van de palletheftruck op een wijze waarvoor deze niet was bedoeld.” Het bouwbedrijf heeft niet aan de zorgplicht voldaan door niet zeker te stellen dat de veiligheidsinstructies die aan onderaannemers waren gegeven, ook aan anderen waren overgedragen. Bovendien heeft het bouwbedrijf niet nagegaan of het gebruik van de palletheftruck op een ongelijke ondergrond mogelijk een gevaar opleverde.

    Aansprakelijkheid onderaannemer

    Ook de onderaannemer is aansprakelijk, aldus de rechtbank, omdat hij de administratie bijhield, de contacten onderhield met het bouwbedrijf over de voortgang van het werk en controleerde of de werkzaamheden juist waren uitgevoerd. Hij heeft ook de verantwoordelijkheid op zich genomen voor het treffen en handhaven van veiligheidsmaatregelen en voor goede arbeidsomstandigheden. Hij had de metselaars moeten informeren over het juiste gebruik van de palletheftruck. De onderaannemer wijst erop dat hij gebruik van de truck op de eerste verdieping had verboden. Maar dat overtuigt de rechter niet: “Dit verbod was niet gegeven uit oogpunt van veiligheid, maar uit vrees voor beschadiging van de wieltjes van de palletheftruck.” Dat het slachtoffer telefonisch aangaf dat verbod te zullen negeren, had voor de onderaannemer reden moeten zijn het verbod te herhalen. “Degene die zorg draagt voor de veiligheid op een werkplaats moet erop bedacht zijn dat juist het dagelijks werken in een bepaalde situatie of met een bepaald werktuig kan leiden tot minder voorzichtigheid.”

    Allianz wel of niet hoofdelijk aansprakelijk?

    Allianz wordt als verzekeraar van het bouwbedrijf in eerste instantie niet hoofdelijk aansprakelijk geacht: “Artikel 7:954 BW levert geen zelfstandige grond op voor aansprakelijkheid van een verzekeraar ten opzichte van een benadeelde. Aan het artikel kan slechts de bevoegdheid van een benadeelde worden ontleend om rechtstreeks van de verzekeraar betaling te vorderen van de schade-uitkering die de voor schade aansprakelijke persoon, op grond van de schade en de verzekeringsovereenkomst van de verzekeraar te vorderen zou hebben. Wel is er sprake van hoofdelijke verbondenheid van Allianz als bedoeld in artikel 6:6 lid 1 BW, maar daarop ziet de gevorderde verklaring voor recht niet. Op deze grond zal wel de gevorderde hoofdelijke veroordeling van Allianz worden toegewezen.”

    Dekking ASR uitgesloten

    De onderaannemer kan geen beroep doen op de AVB die hij bij ASR heeft gesloten: die sluit schade veroorzaakt door of met een motorrijtuig uit. “Uit de jurisprudentie en de (niet in het proces verbaal vermelde) toelichting van ASR ter zitting volgt dat het risico van ongevallen door gebruik van de palletheftruck verzekerbaar is middels een zogenoemde werktuigverzekering.”

    Bestuurder niet aansprakelijk

    De bestuurder van de heftruck wordt niet aansprakelijk gehouden: “Hij en het slachtoffer hebben besloten het probleem met behulp van dit beschikbare werktuig op te lossen. Zij hebben beiden onvoldoende stil gestaan bij het veiligheidsrisico dat zij daarmee in het leven riepen. Uit de vastgestelde feiten volgt onvoldoende dat het handelen buiten deze in werksituaties nu eenmaal voorkomende onvoorzichtigheid valt. […] Het gaat hier om twee mannen die in de uitoefening van hun werkzaamheden onvoldoende oplettend zijn geweest, als gevolg waarvan een van hen beiden gewond is geraakt.”

    De rechter verklaart het bouwbedrijf, diens AVB-verzekeraar Allianz en de onderaannemer hoofdelijk aansprakelijk en verwijst de zaak naar een schadestaatprocedure. De gedaagde partijen hebben elkaar over en weer in vrijwaring opgeroepem. Over die zaken wordt in een afzonderlijk vonnis beslist.

    Lees hier de uitspraak

    Eerste publicatie door Rob van de Laar op 19 feb 2018

    Laatste update: 19 feb 2018

  20. ECLI:NL:RBROT:2017:5176

    Instantie

    Rechtbank Rotterdam

    Datum uitspraak

    07-07-2017

    Datum publicatie

    17-08-2017

    Zaaknummer

    ROT 16/8416

    Rechtsgebieden

    Bestuursrecht

    Bijzondere kenmerken

    Eerste aanleg – enkelvoudig

    Inhoudsindicatie

    bestuurlijke boete wegens niet naleven van artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

    Vindplaatsen

    Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    Rechtbank Rotterdam

    Team Bestuursrecht 3

    zaaknummer: ROT 16/8416

    uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2017 in de zaak tussen

    [eiseres] , te Rotterdam, [plaats] ,

    gemachtigde: mr. J.L.J.M. van de Mortel,

    en

    de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

    gemachtigde: F. Sarwari.

    Procesverloop

    Bij besluit van 10 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 10.800,00 wegens het niet naleven van artikel 3.17 van het Arbeids-omstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit).

    Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

    Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

    Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [directeur] . Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

    Overwegingen

    1.1.

    Op grond van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet), voor zover van belang, zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden, vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur, voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

    Op grond van artikel 33, tweede lid, van de Arbowet, voor zover van belang, wordt als overtreding tevens aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

    1.2.

    Artikel 3.17 van het Arbobesluit bepaalt dat het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt.

    Op grond van artikel 9.1 van het Arbobesluit dient de werkgever hetgeen is bepaald in artikel 3.17 na te leven.

    Op grond van artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.17.

    1.3.

    Bij de uitvoering van de bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet geregelde bevoegdheden heeft verweerder de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandigheden-wetgeving (de Beleidsregel) toegepast. In deze Beleidsregel worden verschillende soorten overtredingen en bijbehorende normbedragen voor bestuurlijke boetes onderscheiden. Ook zijn hier de factoren opgenomen die kunnen leiden tot verhoging of verlaging van het op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag.

    Op grond van artikel 1, achtste lid, van de Beleidsregel zijn de in het derde lid genoemde normbedragen uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang geldt het volgende:

    c. bedrijven of instellingen met 10 tot en met 39 werknemers betalen 30 procent.

    Op grond van artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregel kunnen bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:

    b. bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden de boetenorm-bedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen vermenigvuldigd met vier.

    Op grond van artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel kan indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

    a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

    b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

    c. als er adequate instructies zijn gegeven;

    d. als er adequaat toezicht is gehouden.

    2. Op 9 oktober 2015 werden op een arbeidsplaats van eiseres door [werknemer] , [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] werkzaamheden verricht, bestaande uit het verplaatsen van metalen liggers van de grond naar de bak van een hoogwerker. Daartoe werd gebruik gemaakt van een reachtruck. Het hekwerk van de bak van de hoogwerker bestond uit horizontale en verticale balken. Op de horizontale balken dienden de metalen liggers geplaatst te worden, en de verticale balken moesten eventuele verschuivingen van de metalen liggers naar de reachtruck toe voorkomen. Op enig moment hadden de werknemers circa 12 à 16 metalen liggers los op de lepels van de reachtruck gelegd. Terwijl [werknemer] vervolgens de reachtruck bestuurde en de metalen liggers omhoog bracht richting de bak van de hoogwerker, stonden [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] in de bak van de hoogwerker op de metalen liggers te wachten. Tijdens het plaatsen van de metalen liggers bleef een deel van de liggers voor de verticale houten balken steken, waardoor de partij niet goed op de houten voorziening geplaatst kon worden. [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] wilden hierop de liggers verplaatsen, door deze naar zich toe te halen. Nadat dit niet lukte besloot [vreemdeling 2] een metalen ligger op te tillen. [vreemdeling 2] raakte vervolgens met zijn hand bekneld tussen de metalen liggers.

    3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat door het optillen van de metalen ligger door [vreemdeling 2] het risico bestond dat de metalen liggers ongecontroleerd konden bewegen, bijvoorbeeld verschuiven, waardoor hij bekneld of getroffen zou raken door de metalen liggers. De arbeidsinspecteur heeft op basis van zijn eigen waarnemingen (de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen) en de afgelegde verklaringen zoals opgenomen in het op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt boeterapport de toedracht van het ongeval kunnen nagaan en vastgesteld dat hieraan een overtreding van de arbeidsomstandighedenwetgeving ten grondslag ligt. Verweerder meent dat eiseres er zelf voor heeft gezorgd dat de ligger, waardoor [vreemdeling 2] geraakt is, niet meer onderzocht kon worden. De ligger is namelijk na het ongeval gewoon gebruikt om de stelling mee af te bouwen. Eiseres maakt niet duidelijk op welke manier onderzoek naar de veiligheidshandschoenen een ander licht op de oorzaak van het ongeval zou kunnen doen schijnen. Naar de mening van verweerder brengt de gehanteerde werkwijze met zich dat het mogelijk is dat metalen liggers niet op de juiste plek geplaatst zouden worden, waardoor het noodzakelijk zou worden dat werknemers deze liggers met de hand zouden verplaatsen en optillen. Dat de liggers door twee werknemers opgetild moeten worden neemt niet weg dat bij de gehanteerde werkwijze het risico bestaat om getroffen te worden door een ligger of bekneld te raken tussen liggers, omdat de liggers los op de lepels van de heftruck geplaatst waren. Verweerder wijst erop dat eiseres niet heeft aangetoond dat [vreemdeling 2] de instructie heeft gekregen om de liggers altijd samen en nooit alleen op te tillen. Bovendien kan deze werkwijze naar de mening van verweerder niet aangemerkt worden als een veilige werkwijze.

    4. Naar de mening van eiseres worden de feiten in het bestreden besluit (wederom) onjuist vermeld. [vreemdeling 1] stond nog achterin de bak van de hoogwerker toen het ongeval gebeurde en bevond zich dus nog in het geheel niet in de buurt van de liggers. De metalen liggers zijn niet in beweging gekomen en/of zijn niet gevallen en/of verschoven en/of ongecontroleerd in beweging gekomen. [vreemdeling 2] heeft door een vergissing/impulsiviteit met één hand een ligger opgetild althans verplaatst aan zijn kant en die is tegen/op de wijsvinger van zijn andere hand getrokken of gevallen. Ook heeft hij zijn voorgeschreven veiligheids-handschoenen op dat moment kennelijk niet aan gehad waardoor het letsel is kunnen ontstaan. De liggers moeten door twee personen, elk met twee handen, met veiligheids-handschoenen aan, gecontroleerd worden opgetild. Dit is een vaste geïnstrueerde werkwijze. Eiseres betwist dat [vreemdeling 2] is opgenomen in het ziekenhuis. Eiseres wijst erop dat er geen beëdigd tolk bij het gesprek met de inspecteur en het slachtoffer aanwezig was. De toedracht en het feitelijke dragende complex voor de boetebeschikking staat niet vast. Naar de mening van eiseres was overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit voorkomen als volgens de vaste werkwijze, die was geleerd aan de werknemers, zou zijn gewerkt.

    5. De rechtbank is, onder verwijzing naar het boeterapport en de daarbij gevoegde verklaringen van [directeur] , [werknemer] en [vreemdeling 2] , van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel 5.17 van het Arbobesluit. De Arbeidsinspectie heeft het boeterapport op ambtsbelofte opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid van de inhoud daarvan moet worden uitgegaan. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt. Aan de door eiseres bij de zienswijze gevoegde aanvullende verklaringen kan niet de betekenis worden gehecht die eiseres daaraan gehecht wil zien. Niet valt in te zien welk belang de Arbeidsinspectie zou hebben bij het opnemen van onjuiste informatie in het boeterapport, terwijl eiseres gelet op de haar opgelegde boete er juist wel belang bij heeft om te stellen dat de inhoud van de eerder afgelegde verklaringen onjuist is en om verklaringen af te (laten) leggen die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Uit het boeterapport blijkt dat de verklaring van [vreemdeling 2] in het bijzijn van een tolk met referentienummer 112 van het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland is afgelegd. Door de vermelding van het referentienummer kan naar het oordeel de rechtbank niet worden gezegd dat de identiteit van de tolk niet te achterhalen is. Voor de toezichthouder geldt geen verplichting om bij het afnemen van een verhoor in de procedure tot boeteoplegging van een beëdigde tolk of vertaler gebruik te maken. Anders dan eiseres ter zitting heeft gesteld is er dan ook geen reden voor bewijsuitsluiting van de verklaring van [vreemdeling 2] . Van onzorgvuldig dan wel gebrekkig onderzoek door de Arbeidsinspectie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat de ligger na het ongeval is gebruikt om een stelling mee af te bouwen, zodat de arbeidsinspecteur geen onderzoek heeft kunnen doen naar de ligger.

    6. De rechtbank begrijpt de betwisting van de ziekenhuisopname door eiser in het beroepschrift en de toelichting van eiser daarop ter zitting aldus dat de in artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregel opgenomen verhoging van het boetenormbedrag van de daaraan ten grondslag liggende overtreding bij een arbeidsongeval dat leidt tot blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (vermenigvuldiging met vier) naar zijn mening als zodanig onevenredig is. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder, uit een oogpunt van evenredigheid, zijn beleid op het punt van de verhoging van het boetenormbedrag van de daaraan ten grondslag liggende overtreding had moeten differentiëren naar de mate van letsel. Op dit moment bestaat er voor wat betreft de in artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregel opgenomen verhoging namelijk geen enkel verschil tussen zeer beperkt blijvend letsel dat geen ziekenhuisopname en geen blijvende invaliditeit tot gevolg heeft en zeer zwaar letsel dat wel ziekenhuis-opname en blijvende invaliditeit tot gevolg heeft, zoals bijvoorbeeld een dwarslaesie.

    Gelet op het voorgaande is de Beleidsregel in zoverre onredelijk. Het ligt op de weg van verweerder om de in de Beleidsregel genoemde verhoging nader te bezien en daarbij te komen tot een stelsel dat voldoende gedifferentieerd is om te kunnen leiden tot oplegging van een boete die in het desbetreffende geval als evenredig is aan te merken. Het beroep is dan ook om deze reden gegrond.

    7. Met betrekking tot het beroep van eiseres op de matigingsfactoren als bedoeld in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel overweegt de rechtbank dat, los van het feit dat niet is gebleken dat de gehanteerde werkwijze, namelijk het met twee personen en met beide handen optillen en het dragen van veiligheidshandschoenen, door eiseres is ontwikkeld, voorgeschreven en ook aan de werknemer is geïnstrueerd, met deze werkwijze nog steeds het risico bestaat om getroffen te worden of bekneld te raken tussen de liggers, omdat de liggers los op de lepels van de heftruck waren geplaatst. Als liggers los worden geplaatst dan kunnen deze immers door aanraking of optillen of uit zichzelf in beweging komen. Als werknemers zich dan in de buurt bevinden, bestaat het risico dat zij door de bewegende liggers getroffen worden of bekneld raken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gebleken is van feiten en omstandigheden die aanleiding vormen de boete te matigen.

    8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Gelet op artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit en zal de totale boete vaststellen op € 5.400,00. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het arbeidsongeval heeft geleid tot (licht) blijvend letsel en niet tot ziekenhuisopname. [vreemdeling 2] is poliklinisch aan zijn linker wijsvinger geholpen.

    9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

    10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1).

    Beslissing

    De rechtbank :

    – verklaart het beroep gegrond;

    – vernietigt het bestreden besluit;

    – herroept het primaire besluit, bepaalt dat het bedrag van de aan eiseres opgelegde boete wordt vastgesteld op € 5.400,00 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

    – draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,00 aan eiseres te voldoen;

    – veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt tot een bedrag van € 1.980,00.

    Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. J.V. Baan-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.

    griffier rechter

    Afschrift aan partijen verzonden op:

    Rechtsmiddel

    Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.

    .

  21. Hof: bedrijf Sterksel schuldig aan dood 3 werknemers

    Geplaatst op 8 Mrt 2017 om 10:23 door Redactie van Rechtennieuws.nl

    Een bedrijf uit Sterksel is ook in hoger beroep schuldig bevonden aan de dood van 3 werknemers. Het gerechtshof veroordeelt het bedrijf voor dood door schuld en overtreding van de Arbowet tot een geldboete van 130.000 euro, waarvan 50.000 euro voorwaardelijk. De rechtbank Oost-Brabant veroordeelde het bedrijf eerder tot een boete van 150.000 euro, waarvan 50.000 voorwaardelijk, én tot een voorwaardelijke stillegging van het bedrijf van 3 maanden.

    Ongeval

    Op 4 oktober 2010 kwam een werknemer terecht in een container van een mobiele waterzuiveringsinstallatie van het bedrijf. Twee andere werknemers deden een reddingspoging, maar dat mocht niet baten. De drie raakten bewusteloos en zijn vervolgens naar het ziekenhuis gebracht. Daar stierf 1 van de mannen nog diezelfde dag, de andere 2 mannen overleden 2 dagen later. Ze zijn alledrie gestorven als gevolg van het inademen van zwavelwaterstofgas (H2S).

    Geen RI&E

    Het hof vindt, net als de rechtbank, dat de veiligheid binnen het bedrijf ernstig tekort schoot. Er was geen wettelijk verplichte risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) opgesteld ten aanzien van de betreffende waterzuiveringsinstallatie. Het bedrijf heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld door op deze wijze om te gaan met de veiligheid van de medewerkers.

    Strafbepaling

    Bij het bepalen van de straf heeft het hof er rekening mee gehouden dat het bedrijf zich onvoldoende heeft bekommerd om de werkomstandigheden van de werknemers. Door haar nalatigheid heeft het bedrijf onverantwoorde risico’s genomen en een onveilige situatie voor de werknemers laten ontstaan. Ook heeft het hof meegewogen dat de dood en het gemis van de slachtoffers bij de nabestaanden ongetwijfeld veel leed heeft veroorzaakt. Omdat de verdachte in deze zaak een bedrijf is, kan het hof weinig anders doen dan een geldboete opleggen. Het hof beseft echter dat dit in geen enkele verhouding staat tot de gevolgen van de nalatigheid van het bedrijf.

    De zaak is niet binnen de wettelijke termijn afgehandeld, daarom heeft het hof de straf verminderd met 20.000 euro.

  22. Wie is aansprakelijk bij valgevaar?

    23-01-2017

    Een schoonmaker valt door een dak naar beneden. Door achterstand in betaling laat de verzekeraar het afweten. Is de werkgever aansprakelijk?

    Een medewerker van een schoonmaakbedrijf maakt op 7 meter hoogte met een hogedrukspuit het dak van een loods schoon. Het gaat om damwandplaten met daartussen lichtdoorlatende polyester golfplaten.

    Deelgeschil over aansprakelijkheidsvraag

    Op zeker moment stapt hij op een van deze platen, zakt erdoor en valt naar beneden. De Inspectie SZW constateert na onderzoek overtreding van art. 3.16 Arbobesluit: het risico op valgevaar is onvoldoende tegengegaan. De werkgever heeft het ongeval gemeld bij de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar. Die verleent geen dekking omdat er een betalingsachterstand is. De schade van de werknemer is begroot op 170.000 euro. De werknemer wil in een deelgeschil uitspraak over de aansprakelijkheidsvraag.

    Valgevaar: voorzieningen en instructie

    Volgens de kantonrechter is de toedracht duidelijk. Op de werkplek waren geen veiligheidsvoorzieningen aangebracht. De werknemer was geïnstrueerd dat hij niet op de lichtstraten moest gaan staan. Hij moest op de damwanden lopen en voldoende afstand houden tot de lichtstraten. De werkgever heeft er de eerste anderhalf uur op toegezien dat de werknemer zich aan deze instructie hield. De werknemer heeft dit niet betwist en kende het risico op valgevaar bij de lichtstraat. Daarmee staat de instructie voldoende vast.

    Maar veiligheidsvoorzieningen ontbreken

    De procedure bij de Inspectie SZW is nog niet afgerond, maar de kantonrechter vindt dat hij de bevindingen van de inspecteur als uitgangspunt kan hanteren. De zorgplicht van een werkgever (art. 7:658 BW) betekent geen absolute waarborg tegen een arbeidsongeval. De werkgever moet niet alleen aanwijzingen geven om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook de daartoe geëigende veiligheidsmaatregelen nemen. En dat laatste is niet gebeurd. Het werk werd op 7 meter hoogte uitgevoerd. Dat is aanzienlijk meer dan de 2,5 meter uit het Arbobesluit, op grond waarvan preventieve maatregelen verplicht zijn.

    Kleine misstap, grote gevolgen

    Op grote hoogte kan een kleine misstap grote gevolgen hebben. In dit geval was het risico op valgevaar nog groter doordat het hellend dak glad was door het schoonmaakwater. Dat gordels door het ontbreken van bevestigingspunten niet konden worden gebruikt, ontheft de werkgever niet van de verplichting om veiligheidsmaatregelen te nemen. Andere methoden waren mogelijk, zoals de voorbeelden uit het Arbobesluit. Daarmee heeft de werkgever niet voldaan aan zijn zorgplicht en is hij aansprakelijk is voor de schade. Dat hij niet de financiële middelen heeft om de schade te voldoen, doet aan de aansprakelijkheid niets af.

     

    Bron: Kantonrechter Utrecht, 16 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7082
    Auteur: Rob Poort | Bureaupoort.nl

    overgenomen van: arbo-online.nl

  • Uitspraak 201508350/1/A3

    Datum van uitspraak: woensdag 9 november 2016
    Tegen: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
    Proceduresoort: Hoger beroep
    Rechtsgebied: Algemene kamer – Hoger Beroep – Boete
    ECLI:

    ECLI:NL:RVS:2016:2974

    201508350/1/A3.
    Datum uitspraak: 9 november 2016

    AFDELING
    BESTUURSRECHTSPRAAK

    Uitspraak op de hoger beroepen van:

    1. de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
    2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats], [gemeente],
    appellanten,

    tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2015 in zaak nr. 15/2663 in het geding tussen:

    [appellant sub 2]

    en

    de minister.

    Procesverloop

    Bij besluit van 19 september 2014 heeft de minister aan [appellant sub 2] een bestuurlijke boete opgelegd van € 18.000,00 wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit).

    Bij besluit van 18 maart 2015 heeft de minister het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 7 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 maart 2015 vernietigd, het besluit van 19 september 2014 herroepen, de boete vastgesteld op € 12.000,00 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

    [appellant sub 2] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

    De minister heeft een verweerschrift ingediend.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F.D.R. van Motman, werkzaam bij het ministerie, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [directeur], vergezeld door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. O. Lenselink, advocaat te Breda, zijn verschenen.

    Overwegingen

    1. Het wettelijk kader is in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen.

    Aanleiding

    2. Blijkens een door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op 7 mei 2014 op ambtsbelofte opgemaakt boeterapport en de daarbij behorende getuigenverklaringen heeft op 10 februari 2014 een arbeidsongeval plaatsgevonden bij een laadstation van Royal Flora Holland in Aalsmeer. Daarbij heeft [chauffeur], een door [appellant sub 2] via een uitzendbureau ingehuurde chauffeur, letsel opgelopen aan zijn linkerhand. Het letsel is ontstaan doordat de linkerhand van het slachtoffer tussen een laaddeur van een vrachtwagen van [appellant sub 2], die op dat moment door [bestuurder] werd bestuurd, en een metalen steun van de overkapping van het laadstation bekneld is geraakt. Beide laaddeuren aan de achterzijde van de vrachtwagen waren zijwaarts naar buiten toe opengeklapt en konden, wegens ruimtegebrek in het laadstation, niet direct na het laden van de vrachtwagen worden gesloten. Om de laaddeuren te kunnen sluiten, heeft [bestuurder] de vrachtwagen langzaam vooruit gereden tegen een naar boven hellende weg. De lading kon tijdens het rijden gaan verschuiven, omdat deze niet op de voorgeschreven wijze was geborgd. Het slachtoffer en [persoon] hebben [bestuurder] daarom aangeboden om, ter controle, achter de open vrachtwagen aan te lopen en daarna de laaddeuren te sluiten. Nadat de vrachtwagen tot stilstand was gekomen en nog ten dele onder de overkapping van het laadstation stond, heeft [persoon] een van de laaddeuren gesloten. Het slachtoffer kon de andere laaddeur toen niet sluiten, omdat de vrachtwagen daarvoor te dicht tegen de constructie van de overkapping stond. Op het moment dat het slachtoffer nog met die laaddeur bezig was, heeft [bestuurder] de vrachtwagen verder naar voren gereden, waardoor de linkerhand van het slachtoffer bekneld is geraakt. Het letsel was dermate ernstig dat het slachtoffer in het ziekenhuis is opgenomen en aan zijn hand is geopereerd. Het slachtoffer heeft verklaard dat een zenuw, drie pezen en een ader waren doorgesneden en dat zijn duim los aan zijn linkerhand hing.

    Het besluit van 18 maart 2015

    3. De minister heeft de boete in het besluit van 18 maart 2015 niet gematigd, omdat [appellant sub 2] niet aan de in artikel 1, elfde lid, sub 1, van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving vermelde matigingsgrond voldoet. Gelet hierop kunnen de overige in de onderdelen 2 en 3 van dat lid vermelde matigingsgronden niet aan de orde komen, aldus de minister.

    Het verweerschrift in beroep

    4. In het verweerschrift in beroep heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel niet langer wordt toegepast. De minister heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2136. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat artikel 1, elfde lid, onredelijk is, voor zover een boete met toepassing daarvan niet kan worden gematigd als een werkgever weliswaar niet aan onderdeel 1, maar daarentegen wel aan de in de onderdelen 2 of 3 van die bepaling vermelde matigingsgronden heeft voldaan. De Afdeling heeft in die uitspraak vervolgens beoordeeld of de drie in die bepaling vermelde factoren op zichzelf genomen, dus los van het in die bepaling vervatte cumulatievereiste, tot matiging van de desbetreffende boete moeten leiden. In het verweerschrift in beroep heeft de minister op een met die beoordeling op één lijn te stellen wijze beoordeeld of de aan [appellant sub 2] opgelegde boete moet worden gematigd, hetgeen volgens de minister niet het geval is.

    De aangevallen uitspraak

    5. De rechtbank heeft onweersproken geoordeeld dat niet in geschil is dat het boeterapport juist en volledig is, dat [appellant sub 2] artikel 3.17 van het Arbobesluit heeft overtreden en dat, indien de overtreding verwijtbaar is, de hoogte van de op te leggen boete, volgens artikel 1, eerste tot en met het tiende lid, van de Beleidsregel, € 18.000,00 is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de overtreding volledig aan [appellant sub 2] kan worden verweten, omdat zij, hoewel zij voorafgaand aan het arbeidsongeval op de hoogte was van het gevaar van beknelling door openslaande vrachtwagendeuren in het algemeen en van het gevaar dat de plaatsing van de metalen steunen van de overkapping van het laadstation met zich kan brengen in het bijzonder, geen instructies heeft opgesteld die specifiek op deze gevaren zien. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien de opgelegde boete op grond van het evenredigheidsbeginsel te matigen tot € 12.000,00. Daartoe heeft zij overwogen dat zij artikel 1, elfde lid, buiten beschouwing laat, omdat de minister zich in zijn verweerschrift in beroep op het standpunt heeft gesteld dat deze bepaling niet langer wordt toegepast. Voorts heeft de rechtbank daartoe overwogen dat zij aannemelijk acht dat [appellant sub 2] in het algemeen, gezien haar veiligheidsbeleid en de veiligheidsvoorschriften die in een handboek voor chauffeurs zijn opgenomen, de nodige inspanningen heeft verricht om de veiligheid van haar personeel te beschermen, dat het slachtoffer kortdurend, te weten één dag en één nacht, in het ziekenhuis opgenomen is geweest, dat het slachtoffer aan het arbeidsongeval, hoewel hij als gevolg daarvan langdurig niet heeft kunnen werken, geen blijvend letsel heeft overgehouden en dat hij per 15 december 2014 weer volledig arbeidsgeschikt is verklaard.

    Het hoger beroep

    6. De minister betoogt dat de rechtbank de boete ten onrechte heeft gematigd, dan wel ten onrechte tot € 12.000,00 heeft gematigd. De minister verwijst daartoe naar hetgeen de rechtbank over de verwijtbaarheid van de overtreding heeft overwogen. Voorts voert de minister daartoe aan dat in de inspanningen die [appellant sub 2] in het algemeen heeft verricht geen reden voor matiging is gelegen, omdat deze inspanningen niet strekken tot voorkoming van beknellingsgevaar als hier aan de orde. De duur van de ziekenhuisopname vormt geen reden tot matiging, omdat de enkele omstandigheid dat medisch deskundigen een ziekenhuisopname noodzakelijk hebben geacht volgens artikel 1, tiende lid, onder b, van de Beleidsregel voldoende is om het boetenormbedrag met vier te vermenigvuldigen. Een korte ziekenhuisopname is voldoende om een arbeidsongeval als een ernstig ongeval aan te merken, aldus de minister. Het ontbreken van blijvend letsel is ook geen reden voor matiging, omdat blijvend letsel, volgens artikel 1, tiende lid, onder b, een op zichzelf staande grond is om het boetenormbedrag met vier te vermenigvuldigen en de boete in dit geval niet op deze grond is gebaseerd. Dat het slachtoffer per 15 december 2014 weer volledig arbeidsgeschikt is verklaard, vormt evenmin reden tot matiging van de boete. Deze omstandigheid doet immers niet af aan de ernst van het arbeidsongeval dat tot gevolg heeft gehad dat het slachtoffer in het ziekenhuis opgenomen is geweest en tien maanden niet heeft kunnen werken, aldus de minister.

    6.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. Het bestuursorgaan moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient de minister bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

    6.2. De Afdeling zal artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel, wegens het daarin vervatte cumulatievereiste dat eerder door de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2015 onredelijk is geacht, als zodanig buiten beschouwing laten. Dit laat echter onverlet dat de Afdeling de drie in deze bepaling vermelde factoren bij haar beoordeling van het hoger beroep, alsmede bij de beoordeling van het incidenteel hoger beroep, zal betrekken, omdat deze factoren op zichzelf genomen relevant zijn om te bepalen of grond bestaat voor matiging van een wegens overtreding van het Arbobesluit opgelegde boete.

    6.3. De door [appellant sub 2] verrichte inspanningen om de veiligheid van haar personeel te beschermen, vormen geen reden tot matiging van de opgelegde boete, omdat [appellant sub 2] daarmee geen veilige werkwijze heeft ontwikkeld ter voorkoming van beknellingsgevaar als hier aan de orde. Dat het slachtoffer kortdurend in het ziekenhuis opgenomen is geweest en hij geen blijvend letsel of arbeidsongeschiktheid aan het arbeidsongeval heeft overgehouden, is evenmin reden tot matiging van de boete. Volgens artikel 1, tiende lid, onder b, van de Beleidsregel, welke bepaling de Afdeling op zichzelf bezien niet onredelijk acht, wordt bij een arbeidsongeval dat tot blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) leidt het boetenormbedrag met vier vermenigvuldigd. De minister heeft deze bepaling uit de Beleidsregel toegepast, omdat het slachtoffer na het arbeidsongeval in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Gezien de ernst van het letsel dat het arbeidsongeval heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan het slachtoffer tien maanden niet heeft kunnen werken, heeft de toepassing van deze bepaling uit de Beleidsregel in dit geval niet tot een onevenredig hoge boete geleid. De rechtbank heeft in de door haar van belang geachte omstandigheden ten onrechte aanleiding gezien de aan [appellant sub 2] opgelegde boete te matigen.

    Het betoog slaagt.

    Het incidenteel hoger beroep

    7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overtreding haar niet, dan wel in verminderde mate, mag worden verweten en dat, voor zover de overtreding haar wél kan worden verweten, de rechtbank de boete onvoldoende heeft gematigd. [appellant sub 2] voert daartoe aan dat haar geen verwijt kan worden gemaakt, omdat het beknellingsgevaar niet voorzienbaar was en het praktisch onuitvoerbaar is om alle risico’s op alle laad- en losplekken waar haar vrachtwagens komen in kaart te brengen. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat zij haar werknemers instrueert om, ter voorkoming van gevolgen van beknelling bij het laden en lossen van goederen, veiligheidshandschoenen te dragen. Indien het slachtoffer zijn veiligheidshandschoenen zou hebben gedragen, dan zou het letsel als gevolg van het arbeidsongeval veel minder ernstig zijn geweest en dan zou een ziekenhuisopname vermoedelijk niet aan de orde zijn geweest. Indien de overtreding aan haar kan worden verweten, verzoekt [appellant sub 2] de boete te matigen tot nihil, dan wel tot een bedrag lager dan € 12.000,00.

    7.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant sub 2] zich op het standpunt heeft gesteld dat zij, gezien de beperkte ruimte en de metalen steunpilaren bij het laadstation, op de hoogte was van de mogelijk gevaar zettende situatie ter plaatse en dat deze situatie veelvuldig onderwerp van werkoverleg is geweest. [appellant sub 2] heeft de juistheid van deze vaststelling niet in hoger beroep bestreden. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant sub 2] de gevaar zettende situatie bij het laadstation verder toegelicht door te wijzen op de geringe afstand tussen de overkapping van het laadstation en de openbare weg. Deze afstand maakt de situatie bij het laadstation bijzonder, aldus [appellant sub 2]. Gelet hierop kan de stelling van [appellant sub 2] dat het gevaar van beknelling in het laadstation niet voorzienbaar was en de overtreding haar derhalve niet kan worden verweten, niet worden gevolgd. Dat de gevaar zettende situatie veelvuldig onderwerp van werkoverleg is geweest, is geen reden voor matiging van de boete. Daartoe is reeds redengevend dat de bespreking van het onderwerp niet heeft geleid tot de ontwikkeling van een op dit onderwerp gerichte veilige werkwijze en tot daarop gerichte specifieke instructies. In de instructie om tijdens laden en lossen veiligheidshandschoenen te dragen, is evenmin een reden voor matiging van de boete gelegen, omdat deze instructie niet kan worden aangemerkt als een instructie ter voorkoming van beknellingsgevaar als hier aan de orde. Immers, [appellant sub 2] heeft ter zitting van de Afdeling te kennen gegeven dat het dragen van veiligheidshandschoenen het ontstaan van letsel bij het slachtoffer niet had kunnen voorkomen. Voorts is daartoe van belang dat de stelling van [appellant sub 2], dat het letsel veel minder ernstig en een ziekenhuisopname vermoedelijk niet aan de orde zou zijn geweest, indien het slachtoffer veiligheidshandschoenen zou hebben gedragen, speculatief is.

    Het betoog faalt.

    Conclusie

    8. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister van 18 maart 2015 alsnog ongegrond verklaren.

    9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

    Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

    I. verklaart het hoger beroep van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gegrond;

    II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

    III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2015 in zaak nr. 15/2663;

    IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

    Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

    w.g. Slump w.g. Robben
    voorzitter griffier

    Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016

    610.


    BIJLAGE

    Ingevolge artikel 5:41 van de Awb legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

    Ingevolge artikel 5:46, eerste lid, bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

    Ingevolge het tweede lid stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Arbowet wordt in de Arbowet en de daarop berustende bepalingen onder werkgever verstaan:

    1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

    2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.

    Ingevolge artikel 9, eerste lid, meldt de werkgever arbeidsongevallen die leiden tot de dood, een blijvend letsel of een ziekenhuisopname direct aan de daartoe aangewezen toezichthouder en rapporteert hij hierover desgevraagd zo spoedig mogelijk aan deze toezichthouder.

    Ingevolge artikel 16, eerste lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

    Ingevolge het tiende lid zijn de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald. Ingevolge artikel 33, tweede lid, wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

    Ingevolge artikel 34, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit de Arbowet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

    Ingevolge het derde lid bedraagt de bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

    Ingevolge artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het bedrag van de vijfde categorie per 1 januari 2014 € 81.000,00.

    Ingevolge artikel 3.16, vijfde lid, laatste volzin, van het Arbobesluit hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

    Ingevolge artikel 3.17 wordt het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt. Artikel 3.16, vijfde lid, laatste volzin, is van toepassing.

    Ingevolge artikel 9.1 is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, met uitzondering van de artikelen 1.25, 2.6, 2.26 tot en met 2.29, 2.32 tot en met 2.34 en 7.21.

    Ingevolge artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in onder meer artikel 3.17.

    Volgens artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel geldt als overtreding met directe boete de overtreding die de directe aanleiding is geweest voor een arbeidsongeval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet.

    Volgens het derde lid, onder a, gelezen in samenhang met het zevende lid en de bijlage bij de Beleidsregel, wordt bij de berekening van een boete wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit uitgegaan van een normbedrag van € 9.000,00.

    Volgens het achtste lid betalen bedrijven of instellingen met 40 tot en met 99 werknemers 50 procent van het toepasselijke boetenormbedrag.

    Volgens het tiende lid, onder b, wordt bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet het boetenormbedrag van de daaraan ten grondslag liggende overtreding vermenigvuldigd met vier.

    Volgens het elfde lid kunnen bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en achtereenvolgens leiden tot verlaging van het gecorrigeerde normbedrag:

    1o. indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd, een veilige werkwijze heeft ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van de Arbeidsomstandighedenwetgeving, deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld en de verdere nodige maatregelen heeft getroffen wordt de bestuurlijke boete gematigd met een derde;

    2o. indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de bestuurlijke boete gematigd met nog een derde; en

    3o. indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.

  • Geleidelijk doof geen dienstongeval

    24-10-2016
    bron: arbo-online.nl
    Een militair keert terug van missie met gehoorklachten. Hij verzoekt de minister van Defensie zijn gehoorverlies aan te merken als dienstongeval. Slaagt hij daarin?
    Een opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee is van 21 januari 2013 tot en met 28 mei 2013 uitgezonden voor een missie. Hij verrichte politiediensten en was gelegerd op een luchtmachtbasis. Sinds zijn terugkomst heeft hij gehoorklachten (een constante pieptoon).
    Hij heeft verklaard dat zijn gehoorschade zou zijn veroorzaakt doordat zowel zijn kantoor als zijn slaapruimte zich vlak bij de start- en landingsbanen bevonden. Die werden 24/7 door straaljagers gebruikt, altijd met afterburn. De straaljagers vlogen ook vaak laag over de legeringsgebouwen. Een arts had, gezien het lawaai, geadviseerd om de oren zoveel mogelijk dicht te houden als mensen de straaljagers hoorden aankomen.

    Minister vindt gehoorverlies geen dienstongeval
    De bedrijfsarts heeft in maart 2015 vermeld dat het gehoorletsel op 2 oktober 2013 is geconstateerd. Er is sprake van hoge tonen en perceptief verlies, passend bij lawaai-expositie in het verleden. De minister heeft een verzoek om het gehoorverlies aan te merken als bedrijfsongeval ook na bezwaar afgewezen, omdat geen sprake is van een ongeval in de zin van de ‘Regeling proces-verbaal van ongeval’. De blootstelling aan lawaai was gedurende een bepaalde periode en de gehoorklachten zijn gaandeweg ontstaan. De militair stapt naar de rechter.

    AMAR ziet ongeval als ‘plotselinge gebeurtenis’
    Volgens artikel 147 Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) moet van elk dienstongeval een proces-verbaal worden opgesteld. Voor het oordeel of het ongeval al dan niet in verband staat met de dienst, is een ministeriële regeling opgesteld. Het begrip ongeval van artikel 1 van deze Regeling beschrijft een plotselinge gebeurtenis, te relateren aan een concreet moment. Ook moet sprake zijn van acuut letsel. Het ‘Proces-verbaal Ongeval’ geeft aan dat het ongeval is gebeurd tussen 21 januari 2013 en 28 mei 2013. Een concrete datum en tijd van een plotselinge gebeurtenis ontbreken.

    Geen acuut letsel, maar gaandeweg klachten

    De militair heeft zich pas op 2 oktober 2013, dus geruime tijd na terugkeer van zijn uitzending, onder geneeskundige behandeling laten stellen voor zijn gehoorklachten. Dat duidt niet op acuut letsel dat rechtstreeks verband houdt met een plotselinge gebeurtenis. Veeleer was sprake van blootstelling aan lawaai gedurende een zekere periode, waardoor de gehoorklachten gaandeweg zijn opgetreden. Daarmee heeft de minister terecht vastgesteld dat geen sprake was van een ongeval in de zin van de Regeling. Dat de arts deze procedure heeft aangeraden, maakt dit niet anders. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar geeft aan dat volgens art. 10 van de Regeling de militair wel een verzoek kan indienen tot het opmaken van een rapport van medische aangelegenheden.

    Bron: Rechtbank Den Haag 25 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:9682
    Auteur: Rob Poort | Bureaupoort.nl

  • Permanente link:

    Instantie

    Rechtbank Overijssel

    Datum uitspraak

    28-07-2016

    Datum publicatie

    16-08-2016

    Zaaknummer

    AK

    Rechtsgebieden

    Bestuursstrafrecht

    Bijzondere kenmerken

    Eerste aanleg – enkelvoudig

    Inhoudsindicatie

    Oplegging bestuurlijke boete na arbeidsongeval met aluminium ladder; van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken daarvan geen sprake; beroep ongegrond.

    Vindplaatsen

    Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    RECHTBANK OVERIJSSEL

    Zittingsplaats Zwolle

    Bestuursrecht

    zaaknummer: AWB 16/1144

    uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

    [eiseres] , te Enschede, eiseres,

    gemachtigde: mr. F. Kolkman,

    en

    de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

    Procesverloop

    Bij besluit van 10 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete van € 7.200, – opgelegd.

    Bij besluit van 11 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

    Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

    Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016. Namens eiseres zijn verschenen mr. A. Sarokhani, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres,

    [naam 1] en [naam 2] . Namens verweerder zijn verschenen mr. F. Sarwari en N. Timmermans.

    Overwegingen

    1. Aan de boeteoplegging heeft verweerder het door de arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 10 november 2015 ten grondslag gelegd. In dit rapport staat dat de inspecteur tijdens zijn inspectie op 8 september 2015 heeft vastgesteld dat bij het bedrijf van eiseres door [naam 3] , een werknemer van eiseres (hierna: de werknemer) werkzaamheden werden verricht verband houdend met het aanleggen van een vaste luchtleiding langs het plafond van de werkplaats. Hierbij werd gebruik gemaakt van een arbeidsmiddel, een enkele, 4.43 meter lange aluminium ladder. De ladder stond in de werkplaats van eiseres tussen twee overheaddeuren opgesteld, onder een hoek van circa 75 graden, waarbij de bovenzijden van de ladderbomen afsteunden tegen de binnenkant van de voorgevel. De laddervoeten waren voorzien van harde, gladde kunststof doppen, die licht versleten waren en waren aangekoekt met vuil. De ladder was aan de onderzijde niet voorzien van een deugdelijke geïntegreerde antislipinrichting, gemaakt van stroef aanvoelend materiaal, dat tevens is voorzien van in dwarsrichting aangebrachte ribbels. Voorts was de ladder noch aan de onderzijde noch aan de bovenzijde van de ladderbomen vastgezet of op andere wijze, bijvoorbeeld middels een separate antislipinrichting, tegen wegglijden geborgd. De ladder stond opgesteld op de vlakke, relatief gladde vloer van de werkplaats. Bij contact van de laddervoeten op de niet-stroef aanvoelde werkplaatsvloer trad er nauwelijks wrijving op. De laddervoeten konden met een zeer lichte druk gemakkelijk over de vloer van de werkplaats worden verschoven. Doordat er geen maatregelen waren getroffen die wegglijden van de ladder konden voorkomen en een stabiele opstelling van de ladder konden waarborgen, was bij het gebruik van de ladder het gevaar voor de werknemer van eiseres aanwezig om met ladder en al ten val te komen.

    Dit gevaar heeft zich op zeker moment verwezenlijkt. Terwijl de werknemer van de ladder gebruik maakte om te kijken naar de maat van een koppeling van een luchtleiding -die zich op circa 30 centimeter afstand van de voorgevel op een hoogte van circa 4,6 meter boven de werkplaatsvloer onder het plafond bevond –gleden de laddervoeten van de niet geborgde ladder achterwaart weg en schoof de ladder onderuit. Hierbij viel de werknemer op de vloer van de werkplaats. Ten gevolge van dit arbeidsongeval heeft de werknemer letsel opgelopen waarvoor hij in een ziekenhuis is openomen.

    Hiermee is sprake van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Niet gebleken is van verminderde verwijtbaarheid. aldus verweerder.

    Aan het boeterapport ligt onder meer een verklaring van bedrijfsleider [naam 2] (hierna: de bedrijfsleider) ten grondslag, waarin het volgende is opgenomen.

    We waren bezig met de voorbereiding om een luchtleiding aan het plafond van de werkplaats aan te leggen. Het zijn werkzaamheden die we normaal niet doen. De werknemer wilde kijken naar een koppeling van de luchtleiding die bij de ingang van de werkplaats onder het plafond is aangebracht. We moesten materiaal bestellen voor die luchtleiding. We moesten weten wat voor type koppeling daar zat.

    We gebruikten daarvoor een ladder. De ladder is van hier. Ik weet niet wat voor ladder het is. Die ligt hier gewoon. De ladder stond tegen de gevel bij de overheaddeuren. De werknemer is de ladder opgegaan en is daarbij met ladder en al gevallen. De ladder is weggeschoven. Ik heb het niet zien gebeuren.

    De eerste keer dat de werknemer de ladder opging heb ik onder aan de ladder gestaan en heb daarbij de ladder vastgehouden. De telefoon ging en ik ben toen even weggelopen. De werknemer was dacht ik toen alweer van de ladder af. Toen ik aan het bellen was moet de werknemer weer de ladder zijn opgegaan en toen is hij gevallen. Er stond toen verder niemand bij de ladder. Er was nog wel een collega ergens anders in de werkplaats aan het werk. Het was niet de bedoeling dat de werknemer alleen de ladder op zou gaan. Hij had beter even kunnen wachten tot ik terug was. We hebben daar geen afspraken over gemaakt. De ladder stond niet vastgezet. Er zitten wel doppen onder aan de ladder. Ik realiseer me wel dat de ladder kon weggelijden. Daarom stond ik ook de eerste keer onder aan de ladder.

    2. Artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) bepaalt dat de werkgever en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

    Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als overtreding tevens aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in die artikelleden bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

    Ingevolge artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) is een arbeidsmiddel zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.

    Artikel 9.9b, onder g van het Arbobesluit wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met onder andere artikel 7.4.

    Volgens artikel 1, derde lid, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregels) worden bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet zeven categorieën normbedragen onderscheiden, te weten:

    6°. het 6e normbedrag € 9000;

    Volgens artikel 1, achtste lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels zijn de in het derde lid genoemde bedragen normbedragen voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang geldt het volgende: bedrijven of instellingen met 5 tot 9 werknemers betalen 20 procent.

    Volgens artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregels kunnen bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:

    b. bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden de boetenormbedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen vermenigvuldigd met vier.

    Volgens artikel 11 van de Beleidsregels kan, indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot matiging van 25 % per onderdeel:

    a. ls de risico’s va de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet.

    b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze

    c. als er adequate instructies zijn gegeven

    d. als er adequaat toezicht is gehouden.

    Volgens de bijlage bij de Beleidsregels wordt bij overtreding van artikel 7. 4, derde lid, een boete van categorie 6 opgelegd.

    3.1

    Eiseres stelt dat zij heeft voldaan aan de wettelijke verplichting van de werkgever om gevaar te voorkomen en te beperken zoals bedoeld in artikel 5.2j juncto 5.3 sub a van het Arbobesluit door alle werkzaamheden op hoogte uit te besteden aan derden.

    3.2

    De rechtbank stelt vast dat verweerder overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit aan de boeteoplegging ten grondslag heeft gelegd. Dat eiseres, naar zij stelt, zou hebben voldaan aan de artikelen 5.2 juncto 5.3 sub a van het Arbobesluit is, wat hiervan ook zij, niet relevant.

    3.3

    Eiseres stelt dat het werken op hoogte geen onderdeel uitmaakt van de normale bedrijfsvoering, zijnde het verrichten van APK-keuringen en reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan voertuigen, en dat zij deze werkzaamheden in verband met de daaraan verbonden risico’s altijd uitbesteedt aan derden De werkzaamheden van de werknemers vereisen geen gebruik van de ladder, aldus eiseres.

    3.4

    Voor zover eiseres beoogt te betogen dat van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit geen sprake is, omdat de ladder niet aangemerkt dient te worden als arbeidsmiddel in de zin van het Arbobesluit, faalt dit betoog. Onder arbeidsmiddelen wordt ingevolge de definitie in artikel 1, derde lid, onder h, van de Arbowet verstaan; alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen. Onder arbeidsplaats wordt ingevolge de definitie in artikel 1, derde lid, onder g verstaan iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt. De door de werknemer verrichte werkzaamheden op de ladder vonden plaats op de arbeidsplaats van de werknemer. Daarmee is de ladder een arbeidsmiddel. Dat de werknemer uit hoofde van zijn functie geen handelingen op hoogte diende uit te voeren en de werknemer op eigen initiatief de ladder heeft gebruikt maakt dit, wat hiervan ook zij, niet anders.

    3.5

    De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen maatregelen waren genomen om het wegglijden van de ladder te voorkomen, vanwege de licht versleten, aangekoekte doppen van de laddervoeten, het ontbreken van een deugdelijke, geïntegreerde antislipinrichting en het niet geborgd zijn van de ladder tegen wegglijden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat met het handmatig vasthouden van de ladder de stabiliteit niet is gewaarborgd.

    3.6

    Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit. De hoogte van de bestuurlijke boete is conform de Beleidsregels vastgesteld.

    4.1

    De rechtbank stelt voorop dat bij overtreding van een artikel van het Arbobesluit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1421), van de verwijtbaarheid van de overtreding mag worden uitgegaan. Indien de werkgever betoogt dat hem ter zake van de overtreding geen enkel verwijt valt te maken, dient de werkgever dit vervolgens aannemelijk te maken. De bewijslast rust in dat geval bij de werkgever.

    4.2

    In het leveren van dergelijk bewijs is eiseres niet geslaagd. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij de risico’s van de werkzaamheden op hoogte waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan, voldoende heeft geïnventariseerd en dat zij op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen.

    De enkele vermelding in de risico-inventarisatie van eiseres dat ladders en trapjes in goede staat van onderhoud zijn, is hiervoor onvoldoende.

    4.3

    Het betoog van eiseres dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de ondeugdelijkheid van de ladder, aangezien zij het werken op hoogte heeft uitbesteed aan derden en dat zij daarom geen verdere maatregelen behoefde te treffen wat betreft de veiligheidsrisico’s van het werken op hoogte met een ladder, faalt. Uit de verklaring van de bedrijfsleider in het ambtshalve opgestelde boeterapport blijkt dat de werknemer in het bijzijn van de bedrijfsleider de werkzaamheden op hoogte verrichtte.

    Verder blijkt uit deze verklaring niet dat het beklimmen van de ladder om te kijken naar het type luchtkoppeling uitsluitend het initiatief van de werknemer was en dat de werknemer de bedrijfsleider daarbij heeft overruled.

    Verweerder is hierbij terecht uitgegaan van de in het boeterapport opgenomen verklaring van de bedrijfsleider.

    4.4

    De in bezwaar (en in beroep herhaald) door eiseres overgelegde verklaring van de bedrijfsleider leidt niet tot een ander oordeel, nu de inhoud geheel anders is dan die van de eerder door hem ten overstaan van de arbeidsinspecteurs afgelegde verklaring en eiseres niet afdoende heeft gemotiveerd waarom desondanks de latere verklaring als juist moet worden aanvaard. De enkele stelling dat niet duidelijk is wat de arbeidsinspecteur heeft gevraagd en deze niet zou hebben doorgevraagd over de samenwerking tussen de bedrijfsleider en de werknemer, maakt dit niet anders nu de aan het boeterapport ten grondslag gelegde verklaringen van de bedrijfsleider en van de werknemer duidelijk zijn, deze verklaringen met elkaar overeenstemmen en er vanuit mag worden gegaan dat de vraagstelling van de betreffende arbeidsinspecteur adequaat is geweest.

    4.5

    Ook waren er geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat werknemers de ladder zouden pakken om deze te gebruiken bij de werkzaamheden.

    4.6

    Niet gebleken is dat eiseres voor het ongeval haar werknemers heeft geïnstrueerd dat het werken op hoogte met gebruik van de ladder niet was toegestaan. Dat alle werkzaamheden op hoogte door eiseres werden uitbesteed aan derden is, wat hiervan ook zij, niet een instructie aan de werknemers.

    4.7

    Dat de bedrijfsleider de werknemer mondeling zou hebben geïnstrueerd niet zomaar, zonder dat de ladder door de bedrijfsleider werd vastgehouden, de ladder op te gaan blijkt niet uit de aan het boeterapport ten grondslag gelegde verklaringen.

    4.8

    Bovendien betreft het vasthouden van de ladder geen veilige werkwijze, omdat daarmee de stabiliteit van de ladder niet is gewaarborgd.

    4.9

    Ook was er geen sprake van adequaat toezicht om te voorkomen dat de werknemers de ladder zouden gebruiken voor het werken op hoogte. Zelfs indien uitgegaan zou worden van de latere verklaringen van de bedrijfsleider volgt daar slechts uit dat de bedrijfsleider tegen de werknemer heeft gezegd dat hij niet zomaar de ladder op mocht met de bedoeling dat de werknemer zou wachten totdat de bedrijfsleider terug was om de ladder vast te houden. en niet de bedrijfsleider tegen de werknemer heeft gezegd dat het werken op hoogte niet was toegestaan.

    5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken daarvan geen sprake is.

    6. Het beroep is ongegrond.

    7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

    Beslissing

    De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

    Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

    griffier rechter

    Afschrift verzonden aan partijen op:

    Rechtsmiddel

    Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

  • Stelplicht en bewijslast bij onzekere toedracht arbeidsongeval

    Wanneer een werknemer zijn werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk wil stellen voor door hem geleden schade, zal de werknemer moeten bewijzen dat hij de schade heeft opgelopen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Maar wat als de (exacte) toedracht van het ongeval niet vast komt te staan?

  • ECLI:NL:RBGEL:2016:2366

    Permanente link:

    InstantieRechtbank GelderlandDatum uitspraak28-04-2016Datum publicatie28-04-2016 Zaaknummer05/987066-15
    RechtsgebiedenStrafrecht
    Bijzondere kenmerkenEerste aanleg – meervoudig
    Inhoudsindicatie

    Dodelijk ongeval bij het aanbrengen/plaatsen van een damwand.

    Vrijspraak van het als werkgever (opzettelijk) handelen of nalaten in strijd met de Arbowet en/of het Arbobesluit.
    VindplaatsenRechtspraak.nl

    Uitspraak

    RECHTBANK GELDERLAND

    Team strafrecht

    Zittingsplaats Arnhem

    Parketnummer : 05/987066-15

    Datum uitspraak : 28 april 2016

    Tegenspraak

    vonnis van de meervoudige economische kamer

    in de zaak van

    de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

    tegen

    [verdachte]

    gevestigd te [adres] .

    Raadsman: mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

    Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 februari 2016 en 14 april 2016.

    1 De inhoud van de tenlastelegging

    Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

    zij, verdachte, op of omstreeks 29 januari 2014 te Maurik, in de gemeente

    Buren en/of te Ammerzoden, in de gemeente Maasdriel,

    als werkgever zoals daaronder wordt verstaan in de ‘Arbeidsomstandighedenwet’, al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten in strijd met die

    ‘Arbeidsomstandighedenwet’ en/of de daarop berustende bepalingen in artikel

    7.3

    en/of 7.4 van het ‘Arbeidsomstandighedenbesluit’,

    terwijl daardoor, naar zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten,

    levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers

    van verdachte ontstond of te verwachten was,

    door haar werknemer dhr. [naam 6] en/of een of meer andere werknemers

    van verdachte in/op een arbeidsplaats gelegen aan of nabij de Driesweg

    (gemeentelijk sportpark) te Maurik beschoeiingswerkzaamheden te laten

    verrichten, bestaande uit het aanbrengen/plaatsen van een houten damwand met

    behulp van een grondverzet- c.q. graafmachine (aangeduid als Hyundai,

    model/type R 290 LC-7a) en een daaraan bevestigde hydraulisch trilblok (van

    het merk SAES), zulks terwijl:

    – dat/die arbeidsmiddel(en) niet zodanig werd(en) gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordeed, zoals getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, niet zoveel mogelijk was voorkomen, immers bevonden een of meer werknemers zich bij die werkzaamheden binnen de actieradius van de machine en het trilblok en/of zat het uitrustingsstuk (trilblok) niet, althans onvoldoende gefixeerd of vergrendeld in/aan het gebruikte snelkoppelsysteem;

    en/of

    – dat arbeidsmiddel wat op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemer(s) was gesteld, niet uitsluitend werd gebruikt voor het doel en/of op de wijze waarvoor het ingericht en bestemd was, immers was de graafmachine voor het gebruik van die feitelijke werkzaamheden (het inbrengen van houten damwanden) niet gekeurd en afdoende geschikt gemaakt;

    en/of

    – dat arbeidsmiddel of die arbeidsmiddelen niet geschikt was/waren voor het uit te voeren werk, althans daartoe niet behoorlijk was/waren aangepast, immers waren de gebezigde adapterplaat en het snelkoppelsysteem (Connect’o’maat) niet in overeenstemming met elkaar;

    en/of

    – zij, verdachte, bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid als werkgever in een inventarisatie en evaluatie niet schriftelijk had vastgelegd welke risico’s die arbeid voor de werknemers met zich bracht, immers was het gevaar getroffen te worden door een (om)vallend voorwerp bij die werkzaamheden niet geïnventariseerd en/of was dat risico niet, althans onvoldoende beoordeeld en vastgelegd.

    2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

    Het standpunt van de officier van justitie

    De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie heeft verdachte opzettelijk handelingen verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers te verwachten was.

    Werknemers hebben werkzaamheden binnen de actieradius van de machine en het trilblok verricht, terwijl in de bedieningshandeling van Hyundai (de fabrikant van de graafmachine) en in de instructie- en veiligheidsvoorschriften van Verachtert (de fabrikant van de connectomaat/het hydraulisch snelwisselsysteem) en SAES (de fabrikant van het trilblok) staat aangegeven dat dit niet mag. Omdat dit een evident gevaarlijke manier van werken is, had in de Risico-inventarisatie en Evaluatie (hierna: RI&E) van verdachte moeten worden onderzocht of dit kon worden ondervangen door een andere manier van werken, bijvoorbeeld vanaf een ponton in het water en/of door het gebruik van een handgreep zodat op afstand gewerkt kan worden, hetgeen niet is gebeurd.

    In de destijds geldende RI&E van 2009 is evenmin een beschrijving gegeven van de werkzaamheden, zoals die in de onderhavige zaak zijn uitgevoerd, en de daarbij ingezette arbeidsmiddelen met de daarbij behorende specifieke gevaren en risico’s voor werknemers.

    De graafmachine is ook niet gekeurd en geschikt gemaakt voor het funderingswerk waar het voor gebruikt werd (het plaatsen van damwanden).

    Na het ongeval is geconstateerd dat de spie klem liep tegen de constructie van het trilblok, waardoor deze niet volledig in de spievanger getrokken werd. Het uitrustingsstuk was dus onvoldoende vergrendeld. Dit is veroorzaakt doordat de arbeidsmiddelen die zijn gecombineerd (de graafmachine, het snelwisselsysteem en het trilblok) om daarmee damwanden te kunnen plaatsen, van verschillende fabrikanten zijn. Door de fabrikant van het snelwisselsysteem is ook aangegeven dat daaraan alleen een adapterplaat bevestigd mag worden van hetzelfde merk. Verdachte had daarom bij de fabrikant na moeten gaan of ook met de gebruikte adapterplaat gewerkt kon worden. Dat zij dit niet heeft gedaan, valt haar te verwijten.

    Het standpunt van de verdediging

    De raadsman heeft verzocht verdachte van het feit vrij te spreken, nu – kort samengevat – primair, verdachte alles gedaan heeft ter voorkoming van gevaar voor anderen, en subsidiair, het dossier onvoldoende bewijs bevat dat het verwezenlijkte gevaar voorzienbaar was, en meer subsidiair, enige vorm van opzet niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

    Beoordeling door de rechtbank

    Uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van verdachte, de verkoper van de graafmachine en het snelwisselsysteem, aannemer [naam 1] , [naam 2] die het Aboma-rapport heeft opgesteld en [naam 3] , die als preventieadviseur, hoger veiligheidskundige en adviseur arbeidsomstandigheden de RI&E van verdachte heeft opgesteld, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het aanbrengen van een damwand, zoals dat in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, onvermijdelijk met zich brengt dat zich daarbij op momenten een medewerker binnen de actieradius van de graafmachine en het trilblok bevindt. Om de planken precies te kunnen plaatsen is geleiding van de planken door een persoon nodig. Dit kan onvoldoende ondervangen worden door het gebruik van een handgreep, terwijl het gebruik van een ponton extra risico’s met zich brengt.

    Eveneens volgt uit deze verklaringen naar het oordeel van de rechtbank dat de maatvoering van adapterplaten van trilblokken, die bevestigd worden aan de snelwisselsystemen, gestandaardiseerd is. Dat de oorzaak van het losraken van het trilblok in de onderhavige zaak gelegen was in een andere maatvoering van de adapterplaat, zoals door veiligheidskundige
    [naam 4] en arbeidsinspecteur [naam 5] ter zitting naar voren is gebracht, is strijdig met het voorgaande. [naam 2] heeft ter terechtzitting ook toegelicht dat, zoals hij in zijn rapport reeds naar voren heeft gebracht, er verschillende factoren ten grondslag kunnen hebben gelegen aan het losraken van het trilblok en dat niet vastgesteld kan worden wat de meest waarschijnlijke oorzaak is. Hij heeft naar zijn zeggen ter plaatse in ieder geval niet geconstateerd dat de maatvoering van de adapterplaat niet paste bij het snelwisselsysteem.

    Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] volgt dat het combineren van een graafmachine, snelwisselsysteem en trilblok om daarmee damwanden te plaatsen, die machine niet ongeschikt maakt voor die werkzaamheden.

    In de RI&E van 2009 van verdachte staat niet aangegeven wat de specifieke risico’s zijn van het plaatsen van damwanden met een combinatie van een graafmachine, snelwisselsysteem en trilblok. Na het ongeval is dit wel vastgesteld, namelijk in de RI&E van 2014. Naar het oordeel van de rechtbank zou te verwachten zijn geweest, gelet op de aard van de werkzaamheden, waarbij een zwaar trilblok gekoppeld wordt aan het snelwisselsysteem van de graafmachine en het nodig is dat een werknemer zich binnen de actieradius daarvan bevindt, dat dit reeds eerder in de RI&E opgenomen zou zijn. [naam 3] heeft ter zitting toegelicht dat dit niet eerder is gedaan omdat het losraken van het trilblok niet gezien werd als een risico, vanwege de omstandigheid dat dit nog nooit eerder is voorgekomen, de omstandigheid dat dit risico ondervangen wordt doordat de machinist twee verschillende handelingen tegelijkertijd moet uitoefenen, zowel met handen als voeten, om het trilblok los te koppelen en de omstandigheid dat bij verdachte ieder jaar een keuring plaatsvindt van de machines en andere arbeidsmiddelen. Bij die keuring wordt beoordeeld of machines en andere arbeidsmiddelen voldoen en op de juiste manier gebruikt worden en ook of er een duidelijke werkinstructie is en hoe er voorlichting gegeven wordt. Dit laatste wordt ondersteund door de door de verdediging overgelegde Auditrapporten over de jaren 2011 tot en met 2015 waarin staat opgenomen dat op allerlei aspecten controles hebben plaats gevonden, waaronder ‘risico’s en wetgeving’, ‘veiligheid’, ‘middelen’ en ‘vakbekwaamheid’; ook zijn er projecten bezocht in het kader van het ‘productieproces’. Daarin staat onder meer ook opgenomen dat tijdens werkoverleggen de risico’s van grondverzetmachines behandeld zijn.
    Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat in de RI&E van 2009 niet is aangegeven wat de specifieke risico’s zijn van het plaatsen van damwanden met een combinatie van een graafmachine, snelwisselsysteem en trilblok.

    Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank niet wettig en

    overtuigend bewezen dat verdachte handelingen heeft verricht en/of heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers te verwachten was.

    De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde.

    3 De beslissing

    De rechtbank:

    Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

  • ECLI:NL:CRVB:2016:1256

    Permanente link:

    InstantieCentrale Raad van BeroepDatum uitspraak24-03-2016Datum publicatie08-04-2016 Zaaknummer14/970 MAW
    Rechtsgebieden Ambtenarenrecht
    Bijzondere kenmerkenHoger beroep
    Inhoudsindicatie

    Vaststelling bedrijfsongeval. Geen dienstongeval. Er is geen sprake van het oefenen van de uitvoering van oorlogstaken onder oorlog nabootsende omstandigheden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat het ongeval is veroorzaakt door een schending van de zorgplicht door de minister.
    VindplaatsenRechtspraak.nl

    Uitspraak

    14/970 MAW, 15/4279 MAW

    Centrale Raad van Beroep

    Meervoudige kamer

    Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

    9 januari 2014, 13/7539 (aangevallen uitspraak 1) en 30 april 2015, 14/8239 (aangevallen uitspraak 2)

    Partijen:

    [Appellant] te [woonplaats] (appellant)

    de Minister van Defensie (minister)

    PROCESVERLOOP

    Namens appellant heeft mr. K. Kromhout hoger beroepen ingesteld.

    De minister heeft verweerschriften ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Namens appellant is

    mr. Kromhout verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

    mr. A.E.P. van Zandbergen en H.A.L. Knoben.

    OVERWEGINGEN

    1.1.

    Appellant is werkzaam bij de Koninklijke Landmacht in de rang van [naam rang] . Op 10 mei 2012 heeft hij deelgenomen aan een tweedaagse bergtocht in Bad Reichenhall (hierna: bergtocht of oefening). Tijdens deze bergtocht is hij bij een afdaling in de sneeuw uitgegleden en op zijn rechterhand gevallen (hierna: ongeval). Op dat moment droeg hij naast zijn eigen bepakking bagage van een collega die uitgeput was, in totaal ongeveer 40 kilo. Appellant heeft de bergtocht na het ongeval voortgezet en heeft zich op

    12 mei 2012 in Nederland gemeld bij een militair arts, die heeft geconstateerd dat het vierde middenhandsbeentje van de rechterhand was gebroken. Van het ongeval is op 14 augustus 2012 een proces-verbaal van ongeval (proces-verbaal) opgemaakt.

    1.2.
    Bij besluit van 18 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2013 (bestreden besluit 1), heeft de minister het ongeval aangemerkt als een bedrijfsongeval en niet als een dienstongeval, omdat niet aan de voorwaarde is voldaan dat de oefening/bergtocht onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is uitgevoerd.

    1.3.
    Op 23 augustus 2013 heeft appellant de minister aansprakelijk gesteld omdat de minister zijn zorgplicht zou hebben geschonden. Bij besluit van 14 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit 2), heeft de minister geen aansprakelijkheid erkend en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

    2.1.
    De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij is, samengevat, overwogen dat de oefening gezien moet worden als een grensverleggende activiteit met als oogmerk de (fysieke en) mentale weerbaarheid te vergroten. Er is geen sprake van het oefenen van de uitvoering van oorlogstaken onder oorlogsnabootsende omstandigheden. Voor zover de Arbo-wetgeving tijdens de bergtocht van toepassing was, rechtvaardigt eventuele schending van deze wetgeving nog niet de conclusie dat dus sprake was van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Ook indien sprake zou zijn geweest van een medische beoordelingsfout waardoor direct medisch handelen achterwege is gebleven, leidt dat nog niet tot de conclusie dat het ongeval moet worden aangemerkt als dienstongeval.

    2.2.
    Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zijn zorgplicht niet heeft geschonden door toe te laten dat appellant een uitgeputte collega heeft geholpen door het grootste deel van haar bepakking over te nemen. Weliswaar is aannemelijk dat het dragen van deze extra bepakking de kans op een val heeft vergroot, maar in het kader van de doelstelling van de oefening was dit risico niet dermate groot dat de minister het overnemen van de bepakking niet heeft mogen toelaten. Ook is de minister niet tekortgeschoten in zijn zorgplicht door het dragen van sneeuwschoenen niet te verplichten en door appellant na het ongeval de afdaling te laten voltooien en hem niet direct naar een ziekenhuis te laten vervoeren.

    3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroepen ingesteld. De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

    4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

    Aangevallen uitspraak 1: is er sprake van een dienstongeval?

    4.1.
    De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG9497), met juistheid overwogen dat het toetsingskader voor het vaststellen van de eventuele invaliditeitsaanspraken van appellant met name wordt gevormd door artikel 2, derde en volgende leden, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV). Artikel 2 van het Besluit AO/IV maakt onderscheid tussen arbeidsongeschiktheid met dienstverband enerzijds (eerste lid) en invaliditeit met dienstverband anderzijds (derde lid). De minister stelt zich op het standpunt dat in het geval van appellant sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband (als gevolg van een bedrijfsongeval), maar niet van invaliditeit met dienstverband (als gevolg van een dienstongeval). Om van invaliditeit met dienstverband te kunnen spreken moet er – voor zover hier van belang – sprake zijn van een invaliditeit van ten minste 10% ten gevolge van verwonding, ziekten of gebreken, die zijn veroorzaakt door de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden.

    4.2.
    In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Meer specifiek is in geschil of de bergtocht moet worden aangemerkt als “het onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden, voor zover sprake is van een verhoogd risico”, zoals bedoeld in artikel 2, zesde lid, onder a, van het Besluit AO/IV.

    4.3.
    Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4349) is voor het oefenen onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden kenmerkend dat de desbetreffende oorlogstaak wordt gedaan onder nabootsing van bijzondere omstandigheden, zoals die zich bij daadwerkelijk operationeel optreden in een oorlogssituatie kunnen voordoen en waarbij deze bijzondere omstandigheden een verhoogd risico op verwonding of letsel met zich meebrengen. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat, bij beschouwing van het oogmerk en van de concrete omstandigheden van de bergtocht, van buitengewone omstandigheden in genoemde zin geen sprake is geweest.

    4.3.1.
    Het oogmerk van de bergtocht is blijkens het proces-verbaal als volgt beschreven: “Personeel dient het maximale uit zichzelf en de groep te halen bij het doorlopen van het programma om zo grenzen, zowel fysiek als mentaal, te verleggen. Na uitvoering van de oefening dient personeel elkaar beter te kennen en is de fysieke en mentale weerbaarheid van elk individu en van de eenheid als geheel vergroot.” Niets in deze omschrijving duidt erop dat beoogd is bijzondere, met een oorlogssituatie te vergelijken, omstandigheden na te bootsen.

    4.3.2.
    Ook de concrete omstandigheden tijdens de bergtocht, waarop appellant heeft gewezen, met name het tillen van een bepakking van 40 kilo, het niet dragen van sneeuwschoenen, en het na zijn val twee dagen doorlopen met een gebroken hand, zijn naar het oordeel van de Raad niet van die aard dat van een oorlogsnabootsende situatie gesproken kan worden.

    4.4.

    Uit 4.1 tot en met 4.3.2. volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt.

    De uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

    Aangevallen uitspraak 2: is er sprake van schending van de zorgplicht?

    4.5.
    Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waarnaar de rechtbank heeft verwezen (uitspraak van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072), heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. Deze houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

    4.6.
    Met de rechtbank stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de val van appellant en de breuk van het vierde middenhandsbeentje van de rechterhand van appellant. Evenmin is in geschil dat het ongeval niet een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van appellant.

    4.7.
    Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat het ongeval is veroorzaakt door een schending van de zorgplicht door de minister. Daartoe wordt het volgende overwogen.

    4.7.1.
    De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het ongeval is veroorzaakt door overtreding van de maximale tilnorm van 23 kilo, waarnaar in de Nota van Toelichting bij het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt verwezen. Nog daargelaten dat deze norm, zoals de rechtbank heeft overwogen, veeleer ziet op het in verticale richting verplaatsen van objecten, en niet op het dragen van een rugzak, stelt de Raad vast dat blijkens het proces-verbaal het ongeval niet is veroorzaakt door dat dragen, maar door het uitglijden van appellant over een steen die onder de sneeuw lag.

    4.7.2.
    De minister heeft voorts aangetoond dat hij niet is tekortgeschoten door het dragen van sneeuwschoenen niet te verplichten. Daarbij is van belang dat sneeuwschoenen primair zijn bedoeld om niet weg te zakken in de sneeuw en niet specifiek om uitglijden te voorkomen (onder bepaalde omstandigheden wordt de kans op uitglijden zelfs vergroot) en voorts dat de groep van appellant en een andere groep die dezelfde route liep, werden begeleid door ervaren instructeurs, die de route tevoren hadden verkend en op basis van hun ervaring en de omstandigheden ter plaatse hadden geconcludeerd dat het niet noodzakelijk was sneeuwschoenen te dragen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat deze conclusie in redelijkheid door de instructeurs kon worden getrokken.

    4.7.3.
    De stelling van appellant dat de zorgplicht is geschonden doordat hij na de dag van het ongeval nog een dag met een gebroken hand heeft moeten doorlopen, wordt evenmin gevolgd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft appellant niet kenbaar gemaakt dat hij de tocht niet kon voortzetten. Integendeel, hij heeft er zelf voor gekozen om door te gaan, terwijl hij ook met de lift had kunnen afdalen. Ook was het zijn keuze om zich vervolgens niet in Duitsland te laten behandelen maar in Nederland. Bovendien heeft hij gesteld dat zijn medische situatie niet is verergerd door de verlate behandeling.

    4.8.
    Uit 4.5 tot en met 4.7.3 volgt dat ook het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Deze uitspraak komt eveneens voor bevestiging in aanmerking.

    5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

    BESLISSING

    De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

    Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2016.

    (getekend) K.J. Kraan

    (getekend) S.W. Munneke

  • Te barre boete voor beknelling?
    14-12-2015

    knel_115704562

    Een hand die bekneld raakt tussen een vrachtwagendeur en een pilaar van een overkapping, dat is niet best. Maar een boete van 18.000 euro lijkt dan wat al te bar. Wat vindt de bestuursrechter?

    Een (ingeleende) chauffeur probeert een achterdeur te sluiten van een wegrijdende vrachtwagen van een collega. Hij raakt met zijn hand bekneld tussen vrachtwagendeur en steunpilaar van de overkapping van het laadstation.

    Ziekenhuisopname

    Er volgt ziekenhuisopname voor een dag en een nacht. De Inspectie SZW vindt dat het gevaar bekneld te raken niet is voorkomen of zoveel mogelijk beperkt. De inlenende werkgever krijgt daarom een boete van 18.000 euro wegens overtreding van art. 3.17 Arbobesluit. Het bezwaar van de werkgever wordt verworpen en de werkgever gaat in beroep bij de (bestuurs)rechter.

    Bevoegd

    De rechtbank stelt overtreding van art. 3.17 Arbobesluit vast. De minister was bevoegd tot het opleggen van een boete. Volgens de rechtbank heeft de werkgever niet aannemelijk gemaakt dat hem niets te verwijten viel en evenmin dat het incident onvoorzienbaar was. De werkgever heeft ter zitting verklaard dat hij het gevaar van beknelling kende door de onhandige positie van de steunpilaren van de overkapping. Maar in de veiligheidsvoorschriften staat niets over dit gevaar.

    Matiging boete?

    De minister moet op grond van artikel 5:46, tweede lid Algemene wet bestuursrecht, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder verwijtbaar is. Op grond van dit evenredigheidsbeginsel ziet de rechtbank redenen om het boetebedrag te matigen. Hoewel de overtreding ernstig is, heeft de werkgever in het algemeen de nodige inspanningen verricht op veiligheidsgebied. Verwezen is naar het veiligheidsbeleid en de veiligheidsvoorschriften in het handboek voor de chauffeurs. Verder was de ziekenhuisopname kort. De genezing duurde lang, maar er is geen blijvend letsel. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, herroept het primaire besluit en vermindert de boete tot 12.000 euro.

    Bron: Rechtbank Amsterdam, 7 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6953
    Auteur: Rob Poort | Bureaupoort.nl

  • Verjaring van de aansprakelijkheid van de werkgever?

    Gepubliceerd op 07 dec 2015

    JURISPRUDENTIE UITGELICHT – Bij blootstelling aan chemische stoffen tijdens het werk kan een werknemer uiteindelijk ziek worden. Dit hebben we de laatste jaren bijvoorbeeld gezien bij blootstelling aan asbest. Hoewel de blootstelling tientallen jaren geleden kan zijn geweest, kan een toenmalige werkgever daar in beginsel nog aansprakelijk voor gesteld worden op grond van de zorgplicht (7:658 BW) nadat een ziekte zich heeft geopenbaard. Kan een werknemer echter rustig jaren wachten voor hij stappen onderneemt of moet hij toch rekening houden met de verjaring van zijn vordering? Dit speelde in de volgende zaak.

    De werknemer is in 1974 in dienst getreden bij de werkgever als bedieningsvakman chemische productie. In 1985 is de werknemer uitgevallen. Sinds mei 1987 is hij volledig arbeidsongeschikt en uiteindelijk is het dienstverband per 1 november 1990 geëindigd. In 2005 stelt de werknemer de werkgever aansprakelijk voor zijn schade op grond van artikel 7:658 BW, de zorgplicht van de werkgever. Het duurt uiteindelijk een decennium voor de kantonrechter zich over de kwestie buigt. De werknemer legt aan de aansprakelijkheidsstelling een rapport van de verzekeringsarts van 10 juni 1997 ten grondslag waarin de diagnose organisch psychosyndroom (OPS) is gesteld. Dit rapport is aan zijn gemachtigde toegestuurd. Hij onderbouwt zijn vordering verder door zich op het standpunt te stellen dat hij tijdens zijn dienstverband bij werkgever gedurende de uitvoering van zijn werkzaamheden aan grote hoeveelheden voor de gezondheid schadelijke stoffen is blootgesteld. Daardoor heeft hij schade geleden. De werkgever zou te kort geschoten zijn in de zorgplicht, omdat er te weinig voorzorgsmaatregelen zouden zijn genomen.

    De werkgever voert gemotiveerd verweer, maar doet primair een beroep op de verjaring van de vordering van de werknemer op grond van artikel 6:89 BW. De werkgever stelt dat zij pas medio 2005 aansprakelijk is gesteld, terwijl de werknemer al in 1997 was gediagnostiseerd met OPS. Daarnaast had hij in 1988 al uitgesproken dat hij ervan overtuigd was dat zijn klachten het gevolg waren van het contact met oplosmiddelen tijdens zijn werkzaamheden. Volgens de werkgever is in 1997 al voldaan aan de voor aanvang van de verjaring gestelde eisen van bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke partij. De werkgever meent dat nu de verzekeringsarts aan de gemachtigde van de werknemer al in 1997 kenbaar had gemaakt dat de gezondheidsklachten van de werknemer waren veroorzaakt door blootstelling aan toxische stoffen gedurende zijn werkzaamheden bij de werkgever, de vordering al in 2002 is verjaard.

    De rechter deelt de zienswijze van de werkgever. De verzekeringsarts die in 1997 het rapport heeft opgesteld, dient te worden aangemerkt als deskundige. De werknemer heeft niet weersproken dat zijn gemachtigde van de diagnose op de hoogte was. Dit betekent dat in ieder geval voor de gemachtigde van de werknemer in 1997 in voldoende mate vast stond wat de oorzaak van de gezondheidsklachten was en dat op basis van deze diagnose de werkgever aansprakelijk gesteld had kunnen worden. Uit niets blijkt dat de wetenschap bij de gemachtigde niet aan werknemer kan worden toegerekend en evenmin zijn er omstandigheden waarom de werknemer de werkgever niet zelf aansprakelijk heeft kunnen stellen. Met andere woorden is de verjaringstermijn van 5 jaar als bedoeld in artikel 3:310 BW medio 1997 aangevangen. De vordering is dus ruim voor 2005 verjaard.

    Uit deze casus komt mooi naar voren dat voor de verjaring van een dergelijke vordering van belang is om de termijn goed in de gaten te houden. De verjaringstermijn begint op het moment dat er voldoende mate van zekerheid is over de oorzaak van de schade, dus bijvoorbeeld als iemand ziek is geworden en er een diagnose is gesteld. Binnen een termijn van 5 jaar nadat die wetenschap is ontstaan dient een vordering te worden ingesteld of moet de verjaring worden gestuit. Bij stilzitten verjaart de vordering in ieder geval na 5 jaar.

    Ingeborg ten Oever
    Lawton Advocaten

    Vindplaats: ECLI:NL:RBMNE:2015:8684

  • Verwijtbaar gedrag leidt niet tot ontbinding van arbeidsovereenkomst bij gebreke van schriftelijke vastlegging van geschonden norm

    Uitgavejaar

    2015

    Uitgavejaar

    261

    Vindplaats

    Kantonrechter Zaanstad 16 september 2015, http://www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBNHO:2015:7893

    Uitspraak

    Het verzoek van een werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer wegens verwijtbaar handelen werd door de kantonrechter afgewezen, onder meer omdat de geschonden norm niet schriftelijk was vastgelegd. Omdat de gestelde verstoring van de arbeidsverhouding direct samenhing met de stelling van de werkgever dat sprake was van verwijtbaar handelen, leverde ook dat geen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op.

    Bij een thuiszorgorganisatie werkte een werkneemster als verzorgende, die samen met een collega ruim 10 jaar intensieve zorg verleend had aan een cliënte. Op 17 december 2010 had deze cliënte een “levenstestament” en een notariële volmacht laten opstellen, waarin zij de werkneemster en haar collega had gemachtigd om alle rechtshandelingen voor haar te verrichten. Toen de fysieke toestand van de cliënte achteruit ging, hadden de werkneemster en haar collega boodschappen voor de cliënte gedaan en contant geld voor haar opgenomen met behulp van de pinpas van de cliënte. Nadat de cliënte in oktober 2013 was overleden, hadden de broers van de cliënte bij de politie aangifte gedaan van verduistering van tienduizenden euro’s van de rekening van de cliënte. De werkneemster en haar collega zijn daarna twee dagen door de politie in hechtenis genomen. De thuiszorgorganisatie had de werkneemster vervolgens op 18 november 2014 op staande voet ontslagen. In een kort geding vonnis van 21 april 2015 had de kantonrechter het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig geacht en de thuiszorgorganisatie veroordeeld tot doorbetaling van loon. De tegenvordering tot tewerkstelling van de werkneemster was daarbij echter afgewezen in afwachting van de uitkomsten van strafrechtelijk onderzoek. De thuiszorgorganisatie verzoekt daarop om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verwijtbaar handelen van de werkneemster en/of wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
    De kantonrechter is van mening dat geen redelijke grond bestaat voor het ontslag. Het verduisteren van geld en het overboeken van geldbedragen van de rekening van de cliënte naar een eigen rekening worden door de werkneemster betwist. De thuiszorgorganisatie heeft daartegenover geen bewijs kunnen leveren. De stelling van de thuiszorgorganisatie dat zij niet de beschikking heeft kunnen krijgen over de stukken uit de strafzaak tegen de werkneemster brengen de kantonrechter niet tot de conclusie dat de stellingen van de thuiszorgorganisatie voor juist moeten worden gehouden of dat de bewijslast omdraait. Omdat de werkneemster dat erkend heeft, neemt de kantonrechter wel aan dat de werkneemster vanaf 2011 met de pinpas van de cliënte in opdracht en ten behoeve van de cliënte boodschappen heeft gedaan en geldbedragen heeft opgenomen. Ook heeft de werkneemster erkent dat zij incidenteel bedragen van € 1.000 heeft opgenomen. Dat de cliënte een notariële volmacht ten behoeve van de werkneemster en haar collega heeft opgesteld en dat werkneemster daarvan in of rond 2012 op de hoogte is geraakt maar daarvan geen melding heeft gemaakt aan de thuiszorgorganisatie, wordt door de kantonrechter eveneens als vaststaand aangenomen.
    De kantonrechter is van mening dat de werkneemster fout heeft gehandeld door de pinpas van de cliënte te gebruiken en door de notariële volmacht niet bij de thuiszorgorganisatie te melden. De werkneemster heeft daardoor het risico genomen dat later problemen zouden ontstaan en dat dan niet meer precies is vast te stellen wat er is gebeurd. De fout van de werkneemster kan ook negatieve gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van de thuiszorgorganisatie, met name waar het gaat om het vertrouwen van cliënte in de dienstverlening van de thuiszorgorganisatie. De notariële volmacht kan eveneens leiden tot problemen in de vertrouwensrelatie tussen de werkneemster en de cliënte en in de relatie met familie van cliënte. De kantonrechter acht de fouten van de werkneemster echter niet zodanig dat van de thuiszorgorganisatie niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij acht de kantonrechter van belang (1) dat niet gebleken is van kenbare en op schrift gestelde regels van de thuiszorgorganisatie, (2) dat het doen van boodschappen ten behoeve van een cliënte gebruikelijk en aanvaard is (ook al moeten de uitgaven dan wel controleerbaar zijn), (3) dat de notariële volmacht geheel op initiatief van de cliënte en buiten medeweten van de werkneemster is opgesteld, (4) dat de cliënte tot kort voor haar overlijden goed in staat was om haar eigen zaken en financiën te beheren en dat ook deed, (5) dat de werkneemster vanwege de sterke vertrouwensband tussen haar en de cliënte die in meer dan tien jaar was ontstaan zich mogelijk wat minder bewust is geweest van de risico’s van haar gedrag en (6) dat geen sprake is van eerdere of vergelijkbare gedragingen van de werkneemster waarvoor zij gewaarschuwd is. Hoe zeer de belangen van de thuiszorgorganisatie ook worden geschaad door het strafrechtelijk onderzoek naar het gedrag van de werkneemster, kan ook de verstoring van de arbeidsverhouding niet leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat die direct samenhangt met het verwijtbaar gedrag van de werkneemster.

    Commentaar

    De beschikking van de kantonrechter toont aan hoe streng de toetsing aan de in de wet geregelde ontslagronden onder het na 1 juli 2015 geldende ontslagrecht is. Alleen als volledig is voldaan aan de voorwaarde van één van de acht in de wet genoemde redelijke gronden voor ontslag, kan het tot opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst komen. In andere gevallen zal het UWV geen toestemming verlenen voor opzegging van de arbeidsovereenkomst c.q. de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ongegrond verklaren. Bij de ontslaggrond “verwijtbare gedragingen” wordt blijkens de wetsgeschiedenis groot belang gehecht aan de kenbaarheid en gangbaarheid van de normen waaraan het gedrag van de werknemer wordt getoetst. Behoudens evidente gevallen zoals diefstal, is op grond van de wetsgeschiedenis vereist dat deze normen schriftelijk zijn vastgelegd. Meer dan ooit doen werkgevers er daarom goed aan om binnen hun onderneming of organisatie geldende regels schriftelijk vast te leggen en bekend te maken.

  • Werknemer moet bestaan arbeidsovereenkomst bewijzen

    Een arbeidsovereenkomst is volgens de wet een overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Daarmee zijn de voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst gegeven: arbeid, loon en gezagsverhouding. Ook moet de werknemer zijn arbeid persoonlijk verrichten. Als er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is, moeten deze elementen worden bewezen, als de werknemer aanspraak maakt op salaris, of, zoals in onderstaand geval, schadevergoeding naar aanleiding van een arbeidsongeval.

    Bewijsopdracht
    In het algemeen geldt dat de werknemer die in een procedure stelt een arbeidscontract te zijn overeengekomen, dat ook moet bewijzen, bijvoorbeeld door getuigen.

    Zaterdaghulp
    Werknemer was werkzaam voor een werkgever op zaterdagen van 8.30 uur tot 17.00 uur, tegen betaling van € 4,50 per uur, maar een schriftelijke arbeidsovereenkoms was niet opgesteld. Ook had hij in het kader van zijn opleiding tot meubelmaker daar stage gelopen.

    Bedrijfsongeval
    Op 25 juni 2007 was werknemer een ongeval overkomen tijdens het werk, waarbij hij verwondingen aan zijn hand heeft opgelopen. De Arbeidsinspectie constateerde dat een beschermkap te wijd stond ingesteld. De werknemer vorderde de rechtbank te verklaren dat de werkgever aansprakelijk was voor de gevolgen van ongeval en een voorschot daarop van € 10.000,00. De kantonrechter droeg de werknemer op te bewijzen dat hij een arbeidsovereenkomst had met de werkgever en dat deze de zorgplichten in acht heeft te nemen. Daar slaagde de werknemer niet in, zodat de kantonrechter uiteindelijk oordeelde dat niet is gebleken dat het ongeval hem was overkomen terwijl hij als werknemer op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst was van werkgever.

    Hoger beroep
    In hoger beroep oordeelde Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 20 oktober 2015 dat de stelplicht en de bewijslast dat ten tijde van het ongeval tussen werknemer en werkgever B.V. een arbeidsovereenkomst van kracht was, inderdaad op de werknemer rust. Het hof oordeelde dat niet bewezen is dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ook in hoger beroep moet de werknemer nu bewijzen dat er ten tijde van het ongeval op 27 juni 2007 sprake was van (het rechtsvermoeden van) een arbeidsovereenkomst dan wel van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW (zzp-er).

    Betaling
    Het Hof liet weten dat bij de bewijslevering onder meer aan de orde zal komen wanneer werknemer als zaterdaghulp heeft gewerkt, wat zijn werkzaamheden als zaterdaghulp inhielden en welke betaling hij voor zijn werkzaamheden als zaterdaghulp ontving. Het lijkt er dan ook op dat als de werknemer kan bewijzen dat hij toen werkte tegen betaling van salaris, hij alsnog het bestaan van een arbeidsovereenkomst zal kunnen bewijzen. 

  • Vervolging van coördinator voor dood door schuld en van hoofdaannemer voor overtreding art. 10 Arbeidsomstandighedenwet

    Een werknemer (onderaannemer) stapt tijdens werkzaamheden op het dak van een bedrijfshal op een lichtplaat en valt door het dak. Daaronder hingen geen vangnetten. De werknemer valt van ongeveer 7 meter naar beneden en overlijdt enkele dagen later aan zijn verwondingen. Vervolging van coördinator uitvoering voor dood door schuld en van hoofdaannemer voor overtreding art. 10 Arbeidsomstandighedenwet.

    Verdenking

    Coördinator uitvoering/(verantwoordelijke)werknemer (verdachte)

    Verdachte wordt verweten dat hij geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van valgevaar bij de in zijn opdracht uitgevoerde werkzaamheden.

    Verdachte zou geen/onvoldoende maatregelen hebben genomen, zoals het plaatsen van een steiger, hekwerken, leuningen en/of vangnetten, althans daarop onvoldoende toezicht hebben gehouden.

    Hierdoor zou het (mede) aan verdachtes, schuld te wijten zijn geweest dat het slachtoffer, die op het dak aan het werk was en op een lichtplaat in het dak stapte, waarbij deze lichtplaat bezweek, waarna deze door de ontstane opening zo’n 7 meter naar beneden viel en daarbij letsel bekwam, aan de gevolgen waarvan deze is komen te overleden.

    Hoofdaannemer/werkgever (medeverdachte)

    Medeverdachte wordt verweten dat hij geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van valgevaar bij de in zijn opdracht uitgevoerde werkzaamheden.

    De door medeverdachte aangestelde coördinator uitvoering, die onder meer was belast met de veiligheid op de bouwplaats, zou niet/onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld zijn taken naar behoren uit te voeren doordat medeverdachte hem onvoldoende op die taken en de aan de arbeid verbonden risico’s had gewezen en hem onvoldoende vrijstelling van overig werk had verleend.

    Medeverdachte zou bovendien geen/onvoldoende maatregelen, zoals het plaatsen van een steiger, hekwerken, leuningen en/of vangnetten, hebben genomen, althans daarop onvoldoende toezicht hebben gehouden. Het hiervoor omschreven ongeval was hiervan het gevolg.

    Standpunt verdediging

    Coördinator uitvoering

    De verdediging is van oordeel dat het overlijden van het slachtoffer niet aan verdachte kan worden verweten.

    De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de werknemers die op het dak aan het werk waren, onder wie het slachtoffer, op de hoogte moeten zijn geweest van het feit dat het net onder het deel van het dak waar zij aan het werk waren, was verwijderd; zij zouden dit moeten hebben gezien toen zij die dag bouwmaterialen en gereedschappen uit de loods haalden.

    Hoofdaannemer

    De raadsman heeft aangevoerd dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de werknemers die de werkzaamheden op het dak van de bedrijfshal verrichtten niet bij medeverdachte maar bij de coördinator uitvoering berustte.

    De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het ongeval slechts heeft plaatsgevonden door de onvoorziene omstandigheid dat het slachtoffer in weerwil van afspraken daarover op het dakdeel, waaronder geen vangnetten hingen, is gaan werken en daar door een lichtplaat is gevallen.

    Standpunt OM

    Coördinator uitvoering

    Het OM is van oordeel dat het overlijden van het slachtoffer de verdachte kan worden verweten.

    Verdachte was door zijn werkgever, medeverdachte, aangesteld als coördinator uitvoering ter plaatse en was op de bouwplaats verantwoordelijk voor onder andere de veiligheid van de werknemers. Verdachte had in zijn rol als uitvoerend coördinator de taak om werkzaamheden op elkaar af te stemmen en veiligheidsmaatregelen op elkaar af te stemmen en te waarborgen. Aan een werknemer die een dergelijke functie vervult mag de eis worden gesteld dat deze actief toeziet op naleving van veiligheidsvoorschriften, controleert of gemaakte afspraken die de veiligheid betreffen worden nagekomen en of de werkzaamheden van alle betrokkenen – die immers van invloed (kunnen) zijn op de veiligheidsrisico’s – op elkaar zijn afgestemd. Verdachte heeft dit in onvoldoende mate gedaan.

    Hoofdaannemer

    Het OM is van oordeel dat medeverdachte de coördinator uitvoering niet, althans onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn taken naar behoren uit te voeren door hem onvoldoende te wijzen op die taken en op de aan de arbeid verbonden risico’s en hem onvoldoende vrijstelling van overig werk te verlenen.

    Beoordeling rechtbank

    Coördinator uitvoering- verdachte

    De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De rechtbank acht het hoogst onaannemelijk dat het slachtoffer en zijn werknemers, die ten tijde van het ongeval op het dak werkzaam waren, ervan op de hoogte waren dat het bewuste net was verwijderd,  temeer omdat het slachtoffer veiligheidsaspecten hoog in het vaandel had staan en uit de verklaringen van de mannen blijkt dat geen van hen wist dat het net was verwijderd.

    Bovendien acht de rechtbank de vraag of de werknemers hiervan wetenschap hadden niet van belang voor de vaststelling van de (mate van) schuld van verdachte. De eigen verantwoordelijkheid van de werknemers op het gebied van hun eigen veiligheid staat immers los van de verantwoordelijkheid van de werkgever en degene die namens de werkgever verantwoordelijk is voor naleving van de arbeidsomstandighedenregels op de werkvloer.

    Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte anders had moeten en kunnen handelen en dat sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid, onachtzaamheid en nalatigheid zijnerzijds.

    Hoofdaannemer

    Gelet op de (eind)verantwoordelijkheid die medeverdachte als hoofdaannemer ten aanzien van de controle op veiligheidsaspecten heeft, de feitelijke gang van zaken betreffende de uitvoering van de coördinerende taken door de coördinator uitvoering en het feit dat de werknemers voor hun werkzaamheden en de daarmee samenhangende veiligheidsmaatregelen (deels) afhankelijk waren van medeverdachte, moet medeverdachte (in ieder geval mede-)verantwoordelijk worden gehouden voor de veiligheid van de medewerkers op de bouwplaats, ook voor wat betreft de door de onderaannemer ingehuurde werknemers. Dat er sprake was van onderaanneming doet derhalve niet ter zake. Medeverdachte behoudt in dit opzicht haar eigen verantwoordelijkheid.

    Het slachtoffer was werknemer van medeverdachte in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Dat brengt met zich dat hij weliswaar een eigen verantwoordelijkheid had ten aanzien van zijn eigen veiligheid maar dat evenzeer bij medeverdachte de primaire verantwoordelijkheid rustte van de werkgever in de zin van diezelfde wet om ervoor zorg te dragen dat er voldoende deugdelijke voorzieningen op de arbeidsplaats aanwezig waren ter voorkoming van valgevaar. Het is de taak van de werkgever daarop voldoende toezicht te houden.

    Bewezenverklaring

    Coördinator uitvoering

    Dood door schuld

    Hoofdaannemer

    Overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 10, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon

    Strafoplegging

    Coördinator uitvoering

    De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

    Verder wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om te betalen aan benadeelde, een bedrag van € 2.402,48.

    Hoofdaannemer

    De rechtbank veroordeelt medeverdachte tot een geldboete van € 20.000,- en wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt medeverdachte om te betalen aan benadeelde, een bedrag van € 2.402,48.

    Lees hier de volledige uitspraken ECLI:NL:RBDH:2015:1282 en ECLI:NL:RBDH:2015:1289.

  • Werkgeversaansprakelijkheid: aanvullende veiligheidsmaatregelen indien toezicht op naleving instructies onmogelijk is
    CB 2014-203 Geplaatst op 31 december 2014 door Annike Dwars
    HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519 (X/ Y en Betrouwbare Totaal Service B.V.)

    Indien de plaats waar de werkzaamheden worden verricht eraan in de weg staat dat de werkgever direct toezicht houdt op de naleving van de door hem gegeven instructies, dient deze zo nodig aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen. Het antwoord op de vraag welke maatregelen de werkgever dient te treffen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.
    Achtergrond

    Eiser is in 2007 op grond van een uitzendovereenkomst bij BTS in dienst getreden. BTS heeft eiser vervolgens als chauffeur ter beschikking gesteld van verweerster 1. Eiser diende in opdracht van verweerster 1 tuinmachines te transporteren naar een bedrijf in Spanje. Nadat eiser bij het bedrijf in Spanje was aangekomen, is hij op enig moment bij het lossen van de tuinmachines in de aanhanger van de vrachtwagen gaan staan, waarbij hij met een teen onder een van de lepels van de bij het lossen gebruikte heftruck klem kwam te zitten. Als gevolg hiervan heeft hij schade opgelopen in de vorm van het verlies van de top van de grote teen van zijn linkervoet en een kneuzing van zijn rechterhand.

    Eiser vordert in dit geding een verklaring voor recht dat verweerster 1 en BTS hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij als gevolg van het ongeval heeft geleden. Eiser stelt dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat verweerster 1 en BTS op grond van art. 7:658 BW jegens hem voor de schade aansprakelijk zijn. Eiser stelt tevens dat verweerster 1 en BTS op grond van art. 7:611 BW aansprakelijk zijn, nu zij zijn tekortgeschoten in hun verplichting om op grond van de toepasselijke CAO een ongevallenverzekering af te sluiten.

    De kantonrechter heeft de vorderingen van eiser afgewezen. Het hof heeft de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigd. Het oordeel van het hof komt er – kort samengevat – op neer dat eiser in strijd heeft gehandeld met veiligheidsinstructies om de lading niet zelf te lossen en dat (mede) gelet op die omstandigheid geen sprake is van een tekortschieten van verweerster 1 en BTS in hun zorgplicht.

    Het geding in cassatie

    Zorgplicht werkgever

    In cassatie betoogt eiser in de eerste plaats dat de zorgplicht van de werkgever niet alleen meebracht dat eiser voldoende veiligheidsinstructies kreeg, maar ook dat hij van veiligheidsschoenen werd voorzien. Volgens eiser leidt de omstandigheid dat aan eiser voldoende veiligheidsinstructies zijn gegeven niet zonder meer tot het oordeel dat de niet-nakoming van de zorgplicht om veiligheidsschoenen te verstrekken niet meer relevant zou zijn, zoals besloten ligt in ’s hofs oordeel in rov. 2.12: “Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of [verweerster 1] en/of BTS veiligheidsschoenen aan [eiser] ter beschikking hebben/heeft gesteld.”

    Bij de beoordeling van deze klacht neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat eiser schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Uit art. 7:658 lid 2 BW volgt dat BTS daarvoor aansprakelijk is, tenzij – voor zover in cassatie van belang – BTS aantoont dat zij aan haar in art. 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht heeft voldaan. Op grond van art. 7:658 lid 4 BW geldt hetzelfde voor verweerster 1. (rov. 3.5.1).

    De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de in art. 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht de werkgever niet alleen verplicht om aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies. (Vgl. HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, besproken op dit blog onder CB 2011-88).

    Indien de plaats waar de werkzaamheden worden verricht eraan in de weg staat dat de werkgever direct toezicht houdt op de naleving van de door hem gegeven instructies, dient deze zo nodig aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen. Het antwoord op de vraag welke maatregelen de werkgever dient te treffen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen, aldus de Hoge Raad in rov. 3.5.2.

    Volgens de Hoge Raad valt niet in te zien dat de omstandigheid dat eiser was geïnstrueerd om de lading niet zelf te lossen, afdoet aan de zorgplicht van BTS en verweerster 1 om geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Niet steeds zal voor een chauffeur goed te bepalen zijn of een handeling moet worden gerekend tot het lossen van de lading. Indien de aanleiding tot het voorval is geweest dat eiser het zeildoek van de vrachtwagen ging losmaken omdat het dreigde te worden beschadigd, zoals hij als getuige heeft verklaard, behoefde voor hem niet duidelijk te zijn of dit als ‘lossen’ moest worden aangemerkt. Bovendien dienden BTS en verweerster 1 ermee rekening te houden dat werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is (vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7590, besproken op dit blog onder CB 2012-239). (rov. 3.5.3).

    De Hoge Raad gaat er vervolgens veronderstellenderwijs vanuit dat verweerster 1 en BTS geen veiligheidsschoenen aan eiser hebben verstrekt – het hof had dit in het midden gelaten – en dat dergelijke schoenen hadden kunnen bijdragen aan voorkoming of beperking van het letsel. Hiervan uitgaande, oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Dat oordeel houdt immers in dat verweerster 1 en BTS reeds aan hun uit art. 7:658 BW voortvloeiende zorgplicht hebben voldaan door eiser voldoende duidelijk te instrueren om niet zelf te lossen en ook niet bij het lossen te helpen. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in rov. 3.5.2 en 3.5.3 heeft overwogen, bracht die zorgplicht echter tevens mee dat zij veiligheidsschoenen aan eiser dienden te verstrekken. De hierop gerichte klachten van eiser slagen dus (rov. 3.5.4).

    Grenzen aan zorgplicht werkgever

    Volgens de Hoge Raad reikt de zorgplicht voor de werkgever echter niet zover dat in het onderhavige geval van BTS of verweerster 1 kon worden verlangd dat zij, indien zij veiligheidsschoenen aan eiser hadden verstrekt, ook nog zouden controleren of eiser deze schoenen in zijn vrachtauto meenam indien zij niet beschikten over aanwijzingen dat eiser dit placht na te laten. Voorts stond de plaats waar de werkzaamheden werden verricht (Spanje) eraan in de weg dat BTS en verweerster 1 direct toezicht hielden op de naleving van de door hen gegeven veiligheidsinstructies. Volgens de Hoge Raad kon van BTS en verweerster 1 niet worden verlangd dat zij ervoor zouden zorgen dat toezicht op die naleving werd gehouden door een klant (het bedrijf in Spanje). De motiveringsklacht van eiser dat het hof is voorbijgegaan aan zijn stelling dat gebrekkig toezicht is gehouden op de aanwezigheid van veiligheidsschoenen en op de naleving van veiligheidsinstructies, wordt door de Hoge Raad dan ook verworpen (rov. 3.7).

    Stelplicht en bewijslast

    Eiser betoogt in cassatie voorts dat het hof heeft miskend dat het op de weg van verweerster 1 en BTS ligt om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan. Volgens eiser dienen aan deze stelplicht hoge eisen te worden gesteld. De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht faalt:

    “In rov. 2.9 en 2.10 van het tussenarrest van 22 november 2011 overweegt het hof dat de stelplicht en bewijslast betreffende het nakomen van de zorgplicht rusten op de werkgever en dat BTS en verweerster 1 gemotiveerd hebben gesteld dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan. In rov. 2.1 van het eindarrest grijpt het hof hierop terug door te overwegen dat het hof verweerster 1 en BTS heeft toegelaten te bewijzen dat zij hebben voldaan aan hun zorgplicht.

    Het onderdeel faalt eveneens voor zover het ervan uitgaat dat aan de stelplicht bijzondere eisen worden gesteld. De hoge eisen die in HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, NJ 2011/598 werden gesteld aan de stelplicht van de werkgever werden in die zaak gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden van het geval, die zich in het onderhavige geval niet voordoen. Anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van 11 november 2011, gat het hier niet om een ongeval dat voortvloeit uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met en inherent is aan de uitoefening van de werkzaamheden van eiser waaraan hij zich vanwege zijn specifieke functie niet kon onttrekken.” (rov. 2.9)

    De klacht van eiser dat het oordeel van het hof dat BTS en verweerster 1 aan hun zorgplicht hebben voldaan, onvoldoende is gemotiveerd in het licht van het verweer van eiser dat in strijd met art. 5 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet geen risico-inventarisatie en – evaluatie is uitgevoerd, dat het ongeval niet aan de arbeidsinspectie is gemeld en dat aan eiser geen duidelijke veiligheidsinstructies zijn gegeven, slaagt wel. In rov. 2.9 overweegt de Hoge Raad dat de zorgplicht van de werkgever een ruime strekking heeft en dat ook de hierboven genoemde stellingen van eiser van belang zijn bij de beoordeling of die is nageleefd. Volgens de Hoge Raad is het hof ten onrechte niet op deze stellingen ingegaan.

    De Hoge Raad vernietigt – conform de conclusie van A-G Van Peursem – het arrest van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

  • ECLI:NL:CRVB:2014:4067

    Instantie
    Centrale Raad van Beroep
    Datum uitspraak
    26-11-2014
    Datum publicatie
    09-12-2014
    Zaaknummer
    13-6042 WAJONG
    Rechtsgebieden
    Socialezekerheidsrecht
    Bijzondere kenmerken
    Hoger beroep
    Inhoudsindicatie

    Weigering Wajong-uitkering. De rechtbank heeft op goede gronden in het voetspoor van de door haar ingeschakelde deskundige geoordeeld dat voor betrokkene meer beperkingen gelden voor het verdelen van de aandacht, handelingstempo en arbeidsduur dan door appellant wordt aangenomen. De rechtbank heeft appellant reeds opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, Awb te bepalen dat tegen het door appellant te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

    Vindplaatsen
    Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    13/6042 WAJONG

    Datum uitspraak: 26 november 2014

    Centrale Raad van Beroep

    Meervoudige kamer

    Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

    30 september 2013, 09/4550 (aangevallen uitspraak)

    Partijen:

    de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

    [betrokkene] te[woonplaats] (betrokkene)

    PROCESVERLOOP

    Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

    Namens betrokkene heeft mr. J.J.C.M. Rouws een verweerschrift ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

    mr. Rouws.

    OVERWEGINGEN

    1.1.

    Betrokkene, geboren op [datum] 1989, heeft op 29 januari 2009 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend vanwege psychische problematiek. Bij besluit van 15 april 2009 heeft appellant geweigerd betrokkene een Wajong-uitkering toe te kennen omdat betrokkene niet een

    jaar lang meer dan 25% arbeidsongeschikt is geweest.

    1.2.

    Bij besluit van 7 september 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 april 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant het standpunt ingenomen dat betrokkene per 20 februari 2008 – een jaar voor de datum van de aanvraag – minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

    2.1.

    Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle als deskundige benoemd om een onderzoek in te stellen naar de belastbaarheid van betrokkene. In een rapport van 3 juli 2012 heeft de deskundige vastgesteld dat betrokkene op 20 februari 2008 beperkingen had als gevolg van het syndroom van Asperger. Betrokkene heeft moeite met het houden van overzicht, moeite met hoofd- en bijzaken, neemt dingen letterlijk en beschikt over weinig mentale flexibiliteit. Betrokkene heeft duidelijk behoefte aan structuur en een aangepast werktempo maar hij heeft niet zelf de mogelijkheid dat aan te geven waardoor hij veel baat heeft bij externe structuur. De deskundige kon niet geheel instemmen met de belastbaarheid van betrokkene zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 maart 2009. Volgens de deskundige mag appellant geen acht uur per dag werken en dienen er daarnaast extra beperkingen te worden aangenomen op de punten concentreren van de aandacht, verdelen van de aandacht, doelmatig handelen, vervoer en handelingstempo.

    2.2.

    Appellant heeft, naar aanleiding van het door Van Marle uitgebrachte rapport van

    3 juli 2012 aanleiding gezien om de FML aan te passen op de onderdelen concentreren van de aandacht en doelmatig handelen. Betreffende de overige door Van Marle genoemde aspecten heeft appellant gemotiveerd afgezien van aanpassing van de FML. De aangepaste FML heeft niet geleid tot een in het kader van de Wajong relevante wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid.

    2.3.

    Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak, bepalingen gegeven omtrent vergoeding van het griffierecht en de proceskosten en het onderzoek heropend met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft bij dit oordeel doorslaggevende betekenis gehecht aan het rapport van de door haar geraadpleegde deskundige van 3 juli 2012 en zijn reactie van 26 maart 2013 op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

    12 september 2012. Het oordeel van de deskundige over een urenbeperking en beperkingen over de punten verdelen van de aandacht en handelingstempo zijn naar het oordeel van de rechtbank niet op de juiste wijze neergelegd in de aangepaste FML van 22 oktober 2012.

    3.1.

    Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en heeft zich in hoger beroep, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 november 2013, op het standpunt gesteld dat een beperking voor het aspect verdelen van de aandacht niet is af te leiden uit de onderliggende psychiatrische rapporten en onvoldoende is onderbouwd door de deskundige. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het standpunt van de deskundige over het aspect handelingstempo volgens appellant onderbouwd weerlegd. Daarbij is opgemerkt dat in de FML onder rubriek 1.9.8 als voorwaarde is opgenomen dat belanghebbende is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist en in zoverre rekening is gehouden met de door de deskundige aangegeven voorwaarde. Voorts is door appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport de mening van de deskundige op het punt van een verdergaande urenbeperking onderbouwd heeft weerlegd.

    3.2.

    Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

    4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

    4.1.

    De discussie tussen partijen in hoger beroep heeft zich toegespitst op de vraag of de rechtbank in het voetspoor van haar deskundige terecht heeft geoordeeld dat voor betrokkene meer beperkingen gelden voor het verdelen van de aandacht, handelingstempo en arbeidsduur dan door appellant wordt aangenomen.

    4.2.

    In verband met de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zijn rapport, heeft de deskundige in een nadere toelichting van 26 maart 2013 zijn conclusie gehandhaafd dat appellant geen acht uur per dag kan werken en er extra beperkingen dienen te worden aangenomen op de punten verdelen van de aandacht, vervoer en handelingstempo. Volgens de deskundige is uit onderzoek gebleken dat appellant moeite heeft om zijn aandacht te richten op meer dan één taak tegelijkertijd en daaruit heeft hij afgeleid dat appellant problemen heeft met het verdelen van de aandacht. De deskundige heeft verder geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake is van een aanmerkelijk vertraagd handelingstempo als gevolg van de ernstige psychiatrische stoornis waaraan hij lijdt. De deskundige heeft vastgesteld dat de stoornis van Asperger zoals die zich bij betrokkene vertoont, een energetische beperking tot gevolg heeft. De deskundige heeft in zijn rapport van 26 maart 2013 beargumenteerd waarom betrokkene naar zijn mening geen acht uur per dag mag werken.

    4.3.

    Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Voor een overtuigende motivering is vereist dat het deskundigenrapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en inzichtelijk en consistent is. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van een andere, door één van de partijen geraadpleegde, deskundige is als zodanig niet voldoende om tot een ander oordeel te komen.

    4.4.

    Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat deze situatie zich hier voordoet. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De door de deskundige gegeven motivering over de gestelde beperkingen betreffende verdelen van de aandacht, handelingstempo en arbeidsduur is overtuigend. Bovendien heeft de deskundige in zijn reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

    26 maart 2013 zijn conclusies objectiveerbaar gemotiveerd en met stelligheid en onderbouwd gehandhaafd. In hetgeen door appellant hiertegen is aangevoerd, is onvoldoende aanleiding gelegen om aan het standpunt van de deskundige te twijfelen.

    4.5.

    Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

    5.1.

    De rechtbank heeft appellant reeds opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil, en na bespreking van de wijze van afdoening met partijen ter zitting, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat tegen het door appellant te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van betrokkene slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

    5.2.

    Er bestaat aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

    BESLISSING

    De Centrale Raad van Beroep

    • bevestigt de aangevallen uitspraak;

    • bepaalt dat beroep tegen het door appellant te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 april 2009 slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

    • veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 974,-;

    • bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven.

    Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

    B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

    (getekend) H.G. Rottier

    (getekend) K. de Jong

  • Werkgever aansprakelijk voor ongeval op bedrijfsterrein
    Een werkgever is aansprakelijk voor een ongeval op het bedrijfsterrein na werktijd. Dat stelt de Rechtbank Oost-Brabant in een recente uitspraak.

    Een werknemer is in dienst bij een werkgever als medewerker houtzagerij. Op 20 juni 2013 heeft hij vanaf ongeveer 20.00 uur overgewerkt. Toen hij daarmee klaar was heeft hij samen met zijn collega omstreeks 21.00 uur het bedrijfsterrein van de werkgever verlaten via de uitgang naar de parkeerplaats.

    Omdat de poort gesloten was, zijn werknemer en collega met gebruikmaking van een metalen prullenbak over het stalen hek geklommen. Nadat de collega over het hekwerk was geklommen, klom de werknemer over het hek. De werknemer is daarbij met een ring blijven haken aan een van de stalen punten van de poort. Hierdoor heeft hij uiteindelijk een vinger verloren. Als gevolg daarvan heeft de werknemer blijvend lichamelijk letsel opgelopen en is hij (deels) arbeidsongeschikt geworden.
    Zonder gebruikmaking van de prullenbak is het niet mogelijk over het hek te klimmen.

    Het ongeval is door de werkgever gemeld aan de Inspectie SZW die bij brief van 19 december 2013 heeft bericht dat haar niet gebleken is dat de Arbeidsomstandighedenwet is overtreden.  

    De werknemer verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat de werkgever aansprakelijk is voor de door werknemer ten gevolge van het ongeval geleden materiële en immateriële schade. Ook verzoekt de werknemer de kantonrechter de kosten van de procedure te begroten en de werkgever te veroordelen in deze kosten.

    Is schade in uitoefening werk opgetreden?
    In het onderhavige geval heeft de schade zich voorgedaan op het terrein van de werkgever terwijl de werknemer bezig was het terrein te verlaten. Hoewel de werknemer niet “aan het werk” was, is voldoende vast komen te staan dat de schade is opgetreden “in de uitoefening van het werk” als bedoeld in art. 7:658 lid 2 BW dan wel in voldoende verband staat tot de uitoefening van de werkzaamheden.

    Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW?
    De werkgever had ten tijde van het ongeval het bedrijfsterrein niet zodanig ingericht als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat een werknemer bij het verlaten van het terrein schade lijdt. De werkgever is daarom aansprakelijk voor de gevolgen van het door werknemer overkomen ongeval. Hij moet de begrote kosten aan de werknemer betalen.

    Klik hier voor de uitspraak
     

  • ECLI:NL:GHDHA:2014:1661
    Deeplink
    InstantieGerechtshof Den HaagDatum uitspraak20-05-2014Datum publicatie22-07-2014 Zaaknummer200.097.473-01
    RechtsgebiedenCiviel recht
    Bijzondere kenmerkenHoger beroep
    InhoudsindicatieArbeidsongeval; werkneemster van een verpleegtehuis is uitgegleden over gemorste koffie op de trap, terwijl zij naaldcontainers vervoerde; artt. 7:658 BW en 7:611 BW.
    VindplaatsenRechtspraak.nl
    Uitspraak
    GERECHTSHOF DEN HAAG
    Afdeling Civiel recht

    Zaaknummer : 200.097.473/01

    Rolnummer rechtbank : 1008058 \ RL EXPL 10-31566

    arrest van 20 mei 2014
    inzake

    [appellante],
    wonende te Den Haag,

    appellante,

    hierna te noemen: [appellante],

    advocaat: mr. H. Solstad te Capelle aan den IJssel,

    tegen

    1.Stichting Continuering Uitvoering AWBZ West,

    handelend onder de naam Haagse Wijk- en Woonzorg,

    gevestigd te Den Haag,

    advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

    2.Amlin Corporate Insurance N.V.,

    gevestigd te Amstelveen,

    advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

    3a. mr. F.J.H. Somers, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

    Stichting Meavita Woonzorg te Den Haag,

    kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn,

    advocaat mr. P.J.B. van Deurzen te Gouda,

    3b. mr. C.A. de Weerdt, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van

    Stichting Meavita Woonzorg te Den Haag,

    kantoorhoudende te Leiden,

    advocaat mr. P.J.B. van Deurzen te Gouda,

    geïntimeerden,

    hierna te noemen: HWW, Amlin, de curatoren, en gezamenlijk: HWW c.s.

    Het geding
    Voor het eerste deel van het geding verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 24 januari 2012. De in het tussenarrest gelaste comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellante] bij memorie van grieven (met producties) vier grieven tegen het bestreden vonnis van de kantonrechter aangevoerd, die door HWW en Amlin, en door de curatoren bij (afzonderlijke) memories van antwoord (met producties) zijn bestreden. Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd.

    Beoordeling van het hoger beroep
    1.Het hof gaat uit van de door de kantonrechter onder 2 van zijn vonnis vastgestelde feiten, nu hiertegen in hoger beroep geen grief is gericht.

    2.Het gaat in deze procedure, kort en zakelijk weergegeven, om het volgende. [appellante], geboren op 23 augustus 1949, is vanaf 1 oktober 1990 in loondienst werkzaam geweest voor Stichting Meavita Woonzorg (hierna: Meavita), laatstelijk als eerstverantwoordelijke verzorgende op de afdeling Picasso in het verpleeghuis “De Schildershoek” te Den Haag. Op 12 april 2007 is [appellante] tijdens haar werk ten val gekomen op de trap van het verpleeghuis, waarbij zij – naar eerst later is gebleken – haar middenhandsbeentje heeft gebroken. [appellante] heeft Meavita aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van het ongeval op grond van artikel 7:658 BW. Meavita heeft geen aansprakelijkheid erkend. Meavita is op 9 maart 2009 in staat van faillissement verklaard. HWW heeft het personeel van Meavita in de regio West in dienst genomen met respectering van de opgebouwde anciënniteit. In deze procedure spreekt [appellante] voor haar schade aan: HWW als rechtsopvolgster van Meavita krachtens overgang van onderneming, Amlin als aansprakelijkheids-verzekeraar van Meavita, alsmede de curatoren in het faillissement van Meavita. De kantonrechter heeft geoordeeld dat HWW niet als rechtsopvolgster van Meavita kan worden aangemerkt, dat [appellante] haar vordering jegens Meavita ingevolge artikel 26 FW ter verificatie had moeten aanmelden bij de curatoren, en dat, nu er derhalve niet kan worden vastgesteld of Meavita aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade, evenmin grond bestaat voor een rechtstreekse vordering van [appellante] jegens Amlin. De kantonrechter heeft daarop de vorderingen van [appellante] afgewezen. Hiertegen is [appellante] in hoger beroep gekomen.

    3.Met betrekking tot de aansprakelijkheid van Meavita voor het ongeval van [appellante] overweegt het hof het volgende.

    4.[appellante] heeft gesteld dat het ongeval heeft plaatsgevonden doordat zij is uitgegleden over een gemorste plas koffie op de trap in het verpleeghuis waar zij werkzaam was, terwijl zij met twee naaldcontainers met gebruikte injectienaalden in haar handen de trap opliep. Zij was doende om deze naaldcontainers op de hoger gelegen verdieping op te bergen. [appellante] stelt dat Meavita voor haar schade aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW of artikel 7:611 BW. Het risico op de val en het letsel is naar haar mening vergroot doordat er koffie op de trap lag waardoor deze glad was, en doordat zij met twee naaldcontainers tegelijk in haar beide handen liep en in haar val wilde voorkomen dat zij door uit de containers vallende gebruikte naalden zou worden geprikt. [appellante] verwijt Meavita dat de trap onvoldoende werd schoongemaakt, dat Meavita geen veiligheidsinstructies heeft gegeven over het hanteren en het lopen met containers met gebruikte naalden, en dat de naaldcontainers gebrekkig waren omdat ze niet goed konden worden afgesloten en het hengsel ontbrak. Verder verwijt [appellante] Meavita dat, nadat zij was gevallen, door de direct leidinggevende is verzuimd direct een onderzoek in te stellen en melding te maken van het arbeidsongeval, en dat Meavita niet heeft zorggedragen voor een adequate ongevalsverzekering ten behoeve van haar werknemers noch voor een adequate Risico Inventarisatie & Evaluatie.
    HWW c.s. hebben de toedracht van het ongeval en de aansprakelijkheid van Meavita gemotiveerd betwist.

    5.Het hof stelt voorop dat met art. 7:658 lid 1art. 7:658 lid 1 BW niet is beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Deze bepaling heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Welke maatregelen en aanwijzingen redelijkerwijs van de werkgever mogen verwacht hangt af van alle omstandigheden van het geval. Daarbij zijn onder meer de mate van ervaring van de werknemer en de aard van de werkzaamheden van belang.

    6.Vast staat dat [appellante] een zeer ervaren werkneemster was. De werkzaamheden van [appellante] die zij verrichtte op het moment van het ongeval, het wegbrengen van naaldcontainers met gebruikte injectienaalden, waren gebruikelijke werkzaamheden die naar het oordeel van het hof niet als bijzonder risicovol kunnen worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat de trap zelf niet voldeed aan de daaraan te stellen (veiligheids)eisen. HWW c.s. hebben er onbetwist op gewezen dat het ging om een niet steile trap, met brede en diepe treden, niet glad en met aan beide zijden leuningen. Voorts hebben HWW c.s. onbetwist gesteld dat er geen gevallen bekend zijn waarbij eerder werknemers op de trap ten val zijn gekomen waarbij zij schade hebben opgelopen. Bovendien had Meavita aan haar werknemers speciale werkschoenen ter beschikking gesteld.

    7.Voor zover [appellante] in hoger beroep stelt dat de trap niet of nauwelijks werd schoongemaakt, gaat het hof hieraan als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd voorbij. De heer M. Elgaadaoui, objectleider schoonmaak in dienst van het schoonmaakbedrijf CSU, heeft blijkens het rapport van GAB Robins Takkenberg B.V. van 13 november 2008 (productie 16 bij inleidende dagvaarding) verklaard dat de trap wekelijks werd schoongemaakt, er werd afgestoft en tevens werd de vloer nat afgenomen. Deze verklaring van Elgaadaoui wordt ondersteund door een andere verklaring, ondertekend door diverse werknemers van Meavita, waarin is vermeld dat de trap wekelijks werd schoongemaakt, en dat bij morsen en andere onrechtmatigheden bij melding dit onmiddellijk van de trap werd verwijderd (productie 15 bij inleidende dagvaarding). In het licht van deze verklaringen en gelet op het feit dat [appellante] reeds vele jaren bij Meavita in dienst was en derhalve bekend mag worden geacht met de situatie ter plaatse, mocht redelijkerwijs van [appellante] worden verwacht dat zij haar verweer in hoger beroep “dat onduidelijk is of, en zo ja op welk moment exact, de trap is schoongemaakt, en dat bovendien niet duidelijk is of dit schoonmaken inhield dat sprake was van stofwissen en moppen of slechts van vlekverwijdering” nader zou hebben gemotiveerd en onderbouwd. Dit geldt temeer nu het gaat om een trap in een verpleeghuis die – ook volgens [appellante] – veelvuldig werd gebruikt, zowel door bewoners, personeel als bezoekers, zodat ook reeds om die reden aannemelijk is dat deze trap regelmatig werd schoongemaakt. Het hof gaat er gelet op het voorgaande als onvoldoende gemotiveerd betwist van uit dat de betreffende trap regelmatig werd schoongemaakt, en dat als het schoonmaakbedrijf CSU een melding kreeg dat er ergens iets was gemorst dit onmiddellijk werd verwijderd. Daarbij merkt het hof op dat het voor de beoordeling van deze zaak niet relevant is op welke dag het schoonmaken precies gebeurde.

    8.Dat de trap regelmatig werd schoongemaakt, staat er echter niet aan in de weg om aan te nemen dat, zoals [appellante] gemotiveerd heeft betoogd, er regelmatig koffie of thee op de trap werd gemorst. De trap werd kennelijk veelvuldig gebruikt en [appellante] heeft een verklaring overgelegd (productie 6 bij inleidende dagvaarding), die is ondertekend door diverse van haar toenmalige collega’s, waarin is vermeld dat er vaak koffie op de trap en op de grond lag. Het hof is echter van oordeel dat, ook als er (veronderstellenderwijs) vanuit wordt gegaan dat dit inderdaad het geval was, dit enkele feit onvoldoende is om aan te nemen dat Meavita op dit punt tekort is geschoten in haar zorgplicht. Zoals hierboven is overwogen gaat het hof er van uit dat de trap regelmatig werd schoongemaakt, en dat als het schoonmaakbedrijf CSU een melding kreeg dat er ergens iets was gemorst dit onmiddellijk werd verwijderd. Hiermee heeft Meavita naar het oordeel van het hof voldaan aan de zorgplicht die redelijkerwijs van haar mocht worden verlangd. Van een schending van het arbobesluit artikel 3.11 lid 1 met betrekking tot de toestand van de werkvloer, is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat er desondanks wel eens koffie op de grond of op de trap zal hebben gelegen, nu er tussen het moment van het morsen en het verwijderen ervan altijd minimaal een aantal minuten gelegen is, en het bovendien aannemelijk is dat niet iedereen die wat heeft gemorst dit (direct) zal melden. De zorgplicht van Meavita ging echter niet zover dat Meavita zelfstandig en op regelmatige basis het pand (waaronder de trap) moest inspecteren om te onderzoeken of er ergens koffie of thee was gemorst, nog daargelaten dat ook als zij dit wel had gedaan niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat dit het onderhavige ongeval zou hebben voorkomen.

    9.Het hof voegt hieraan in het kader van de zorgplicht van Meavita nog het volgende toe. Het is een feit van algemene bekendheid dat de aanwezigheid van water of een andere vloeistof op de grond (of in dit geval: de trap) gladheid kan veroorzaken. Dit geldt ook voor een ondergrond die van zichzelf niet glad is. In het onderhavige geval, waarin volgens [appellante] sprake was van een trap waarop – naar zij wist – vaak koffie of thee werd gemorst, mocht dan ook redelijkerwijs van een werkneemster zoals [appellante] worden verwacht dat zij hiermee rekening hield bij het betreden van de trap en hier zelf voldoende oplettend op was.

    10.[appellante] heeft voorts nog gesteld dat zij extra ongelukkig ten val is gekomen doordat zij met twee naaldcontainers tegelijk in haar beide handen liep, waardoor zij geen hand meer vrij had om de leuning vast te houden, en in haar val heeft willen voorkomen dat zij door uit de containers vallende gebruikte naalden, die mogelijk biologische agentia bevatten, zou worden geprikt. Ze heeft hieraan toegevoegd dat de naaldcontainers gebrekkig waren omdat ze niet goed konden worden afgesloten en het hengsel ontbrak. HWW c.s. hebben één en ander gemotiveerd betwist.

    11.Het hof is van oordeel dat het feit dat [appellante] de trap op liep met in beide handen een naaldcontainer, niet aan Meavita kan worden verweten. HWW c.s. hebben onweersproken gesteld dat het gaat om kleine lichte containers, ter grootte van een beschuitbus, waarvan je er gemakkelijk twee in één hand kunt houden. Bovendien is het hof van oordeel dat van een ervaren kracht als [appellante] redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij in staat is in te schatten of zij veilig de trap op kan lopen met in beide handen een container, of dat het nodig is om met één hand de leuning vast te houden. Ook Meavita mocht hiervan uit gaan, en op haar rustte redelijkerwijs geen plicht om op dit punt nadere instructies te geven of maatregelen te nemen.

    12.Voor zover [appellante] stelt dat de naaldcontainers niet dan wel niet volledig waren afgesloten en te vol waren (mvgr sub 8), is het hof van oordeel dat dit voor [appellante] duidelijk waarneembaar moet zijn geweest zodat van haar mocht worden verwacht dat zij hiermee rekening hield bij het oplopen van de trap, en dus extra voorzichtig was. Dat naaldcontainers niet goed kunnen worden afgesloten als ze te vol zijn ligt voor de hand, en van een ervaren werkneemster als [appellante] mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij zich bewust is van de risico’s hiervan. Ook zonder specifieke instructie ter zake mag redelijkerwijs worden verwacht dat men naaldcontainers niet te vol doet of, indien men toch met een te volle container wordt geconfronteerd, deze deels leegt. Gesteld noch gebleken is dat het in het verpleeghuis gebruikelijk was om de naaldcontainers te vol te doen en/of om te volle naaldcontainers te vervoeren, en dat Meavita daarvan op de hoogte was. Meavita kan derhalve ook op dit punt redelijkerwijs niet worden verweten dat zij heeft nagelaten maatregelen te nemen of instructies te geven. De stelling dat de naaldcontainers die [appellante] vervoerde gebrekkig waren, namelijk zonder hengsel en zonder (goed functionerend) afsluitdeksel, heeft [appellante] uitsluitend onderbouwd door te verwijzen naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen. In dit proces-verbaal is echter als verklaring van [appellante] opgenomen dat zij gelooft dat er slechts aan één emmertje een hengsel hing maar dat zij het niet met zekerheid durft te zeggen, dat door haar val de deksels van de emmers afvielen en dat de deksels van de containers vaak kapot waren. Het hof leidt uit deze eigen verklaring van [appellante] af dat zij zich de containers die zij ten tijde van het ongeval vervoerde niet meer precies weet te herinneren, zodat redelijkerwijs niet kan worden vastgesteld dat deze gebrekkig waren. Ook de eigen verklaring die [appellante] op 23 november 2008 heeft afgelegd (productie 11 bij inleidende dagvaarding) biedt hiervoor geen steun. Of de deksels van de naaldcontainers in zijn algemeenheid vaker kapot waren, is niet van doorslaggevend belang, nu dit niet in causaal verband staat met het ongeval van [appellante]. Het bewijsaanbod van [appellante] op dit punt wordt daarom gepasseerd.

    13.[appellante] stelt in hoger beroep voorts dat het in casu gaat om een (bijna) prikaccident als bedoeld in het arbobesluit hoofdstuk 4, afdeling 9, en dat de in dit arbobesluit voorgeschreven veiligheidsvoorschriften zijn geschonden door Meavita, althans niet zijn gevolgd.
    Zij wijst er allereerst op dat er geen Risico Inventarisatie & Evaluatie voorhanden was als voorgeschreven in paragraaf 2 van hoofstuk 4, afdeling 9 arbobesluit, en stelt dat de aanwezigheid van een Risico Inventarisatie & Evaluatie het ongeval mogelijk had kunnen voorkomen. Het hof acht deze laatste stelling zonder nadere toelichting, die ontbreekt, voorshands niet aannemelijk en gaat hieraan als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd voorbij.
    Voorts stelt [appellante] dat Meavita heeft verzuimd direct een onderzoek in te stellen en melding te maken van het arbeidsongeval, zoals is voorgeschreven in het arbobesluit hoofdstuk 4, afdeling 9. Ook deze stelling wordt verworpen. Nog daargelaten de vraag of Meavita op dit punt een verwijt kan worden gemaakt nu de gevolgen van de val van [appellante] aanvankelijk leken mee te vallen, leidt het enkele verzuim van een onmiddellijk onderzoek en melding van het ongeval – wat daarvan verder ook zij – niet tot aansprakelijkheid van Meavita op de voet van artikel 7:658 BW.
    De stelling van [appellante] dat er geen werkinstructie was als bedoeld in artikel 4.87a lid 3 onder g van het arbobesluit, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenmin leiden tot de conclusie dat Meavita aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW.
    Het hof merkt in dit verband tot slot nog op dat de overige door [appellante] in hoger beroep genoemde en overgelegde stukken (mvgr sub 7), waaronder de landelijke richtlijn prikaccidenten, zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet tot een ander oordeel leiden.

    14.Het verwijt van [appellante] dat Meavita aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW, nu zij niet heeft zorggedragen voor een adequate ongevalsverzekering ten behoeve van haar werknemers, wordt eveneens verworpen. Een dergelijke uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting van de werkgever is in de jurisprudentie van de Hoge Raad uitsluitend aanvaard met betrekking tot schade die werknemers lijden in de uitoefening van hun werkzaamheden als deelnemer aan het wegverkeer.

    15.Uit het bovenstaande volgt dat het hof van oordeel is dat, ook als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de toedracht van het ongeval zoals [appellante] deze heeft beschreven, haar vorderingen niet kunnen worden toegewezen nu Meavita niet tekort is geschoten in haar zorgplicht. Het ongeval van [appellante] is veeleer een gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, en van onvoldoende oplettendheid van [appellante] die in haast de trap op ging en daarbij ongelukkig ten val is gekomen. Of daarbij nog een rol heeft gespeeld dat [appellante] ten tijde van het ongeval niet haar eigen werkschoenen droeg maar werkschoenen die zij geleend had van een collega, kan in het midden blijven. Artikel 7:658 BW schept voor dit soort ongevallen geen (risico-)aansprakelijkheid van de werkgever.

    16.Aangezien de vorderingen van [appellante] derhalve op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen, behoeven de grieven verder geen behandeling meer. Het hof zal het bestreden vonnis van de kantonrechter bekrachtigen, voor zover nodig met aanvulling en verbetering van gronden. [appellante] zal in dit hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als vermeld in het dictum van dit arrest.

    17.Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellante], nu zij haar stellingen deels onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd en voor het overige geen gespecificeerd bewijs heeft aangeboden van feiten die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing.

    Beslissing
    Het hof:

    – bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Den Haag van 13 juli 2011, voor zover nodig met aanvulling en verbetering van gronden;

    – veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van HWW en Amlin tot op heden begroot op € 649,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris advocaat, en aan de zijde van de curatoren tot op heden begroot op € 284,- aan griffierecht en € 1.788.- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

    – verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

    – wijst het meer of anders gevorderde af.

    Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, R.S. van Coevorden en

    V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier

  • Arbeidsongeval, schending zorgplicht werkgever ?

    Werkneemster was sinds 2001 in dienst bij een ROC. In deze functie is de werkneemster meegegaan op een introductiekamp voor nieuwe studenten. Dit introductiekamp vond plaats op een kampeerboerderij. Werkneemster had al eerder een introductiekamp begeleid op dezelfde locatie, daarom was werkneemster wederom begeleider van een groep die ook zou overnachten op het kamp. De studenten sliepen in de kampeerboerderij, samen met een aantal begeleiders (waaronder werkneemster). De andere begeleiders sliepen in tenten op het terrein van de kampeerboerderij.

    ’s Nachts werd de werkneemster gewaarschuwd door de eigenaresse van de kampeerboerderij dat een aantal studenten in de kampeerboerderij aan het roken was. Hierop is de werkneemster ’s nachts naar de tenten op het terrein gelopen om andere werknemers te waarschuwen. Toen de werkneemster terugliep naar de kampeerboerderij, is zij ten val gekomen doordat zij struikelde over een scheerlijn van één van de tenten. Na deze val is de werkneemster ongelukkig terecht gekomen en moest zij naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis is zij behandeld aan haar verwondingen (een wond aan haar been en een gebroken arm).

    Werkneemster wilde het ROC aansprakelijk stellen op grond van de wet. In de wet is in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek geregeld dat de werkgever zorg moet dragen voor een veilige werkplek en veilige werkomstandigheden. Als de werknemers schade lijden, kan de werkgever daarvoor aansprakelijk zijn als de werkplek niet veilig genoeg was. De ongevallenverzekering van het ROC had al een uitkering gedaan aan werkneemster, maar de aansprakelijkheidsverzekering van het ROC weigerde aansprakelijkheid te erkennen.

    De rechter moest beoordelen of het ROC haar zorgplicht heeft geschonden. Volgens de rechter is de bedoelde zorgplicht erg ruim. De zorgplicht is niet bedoeld als een absolute waarborg voor werknemers, maar er wordt niet snel verondersteld dat de werkgever aan de zorgplicht heeft voldaan. Verschillende omstandigheden van het geval zijn van invloed bij de beoordeling, denk aan de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de kans op verwezenlijking en de ernst van de gevolgen. Het ROC moest aantonen dat zij aan de zorgplicht had voldaan.

    Het ROC heeft gesteld dat de werkneemster wist van de situatie, ze was immers niet voor het eerst begeleider en had in het voorgaande jaar ook al een nachtdienst gehad tijdens het introductiekamp. Ook was het zo dat het ongeluk gebeurde in de tweede nacht van het kamp, de nacht ervoor was de situatie dus al gelijk. Ook gaf het ROC aan dat zij maatregelen hadden getroffen door het verstrekken van zaklampen. Werkneemster heeft hierop als reactie aangevoerd dat het ROC niet genoeg zaklampen had verstrekt. De werkneemster had dan ook geen zaklamp bij zich in ’s nachts toen zij struikelde over de scheerlijn van de tent. Enkel de werknemers in de tenten hadden zaklampen gekregen volgens werkneemster. De werkneemster was echter op de terugweg naar de kampeerboerderij en had dus een zaklamp mee kunnen nemen uit de tent toen zij richting de boerderij liep.

    De rechter meende dat er niet onvoldoende zaklampen waren en dat de scheerlijnen van fluorescerend materiaal waren, wat zorgde voor betere zichtbaarheid. De tenten waren bovendien geplaatst op een groot grondzeil, waardoor ook de haringen door het grondzeil in de grond waren geslagen. Hierdoor had de werkneemster kunnen weten op welke plekken zij scheerlijnen en haringen had kunnen verwachten.

    Volgens de rechter kon van het ROC niet meer worden gevergd, de werkneemster had zelf alerter moeten zijn op de aanwezigheid van scheerlijnen. Werkneemster had gebruik kunnen maken van een zaklamp. Bovendien is de schade na het struikelen over een scheerlijn meestal niet heel ernstig. Het Hof was dus van mening dat het ROC voldoende had gedaan om de zorgplicht na te leven.

    Als werkgever heb je een zware zorgplicht om ervoor te zorgen dat de werknemers veilig kunnen werken. Of aan deze zorgplicht wordt voldaan, is erg afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

  • Onduidelijkheid over exacte toedracht bedrijfsongeval voor risico van werkgever of werknemer?
    Gepubliceerd op 21 mei 2014
    JURISPRUDENTIE UITGELICHT – Een werknemer die schade lijdt tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden kan een schadevergoeding van zijn werkgever eisen. De werkgever is aansprakelijk voor de schade van de werknemer, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht (artikel 7:658 BW) heeft voldaan of dat de schade is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Wat nu als een werknemer schade heeft geleden tijdens werktijd, maar het niet duidelijk is of de schade ook daadwerkelijk tijdens de uitoefening van de werkzaamheden is ontstaan? Dit speelde in de volgende zaak.

    Een werknemer is tijdens werktijd gewond geraakt aan zijn pols. Hij is afgevoerd naar het ziekenhuis voor behandeling. De toedracht van het ongeval is onduidelijk. Een aantal dagen na het voorval is er een ongevallenrapport opgesteld. De werkgever heeft geen melding gedaan van het ongeval bij de arbeidsinspectie. De werknemer was vervolgens onbereikbaar voor de werkgever om het ongeval toe te lichten en hij weigerde naar de bedrijfsarts te gaan. De kantonrechter overwoog daarom dan niet kon worden vastgesteld de werknemer een snijwond aan zijn pols had opgelopen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden en dat daarom de werkgever niet aansprakelijk is voor de schade van de werknemer.

    De werknemer laat het hier niet bij zitten en gaat in hoger beroep. De rechter in deze procedure stelt voorop dat een werknemer die op grond van artikel 7:658 lid 2 BW schadevergoeding vordert, dient te stellen en zo nodig dient te bewijzen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Het vereiste dat de schade tijdens de werkzaamheden is ontstaan moet ruim worden uitgelegd. Vast staat dat werknemer tijdens werktijd schade heeft geleden. De exacte oorzaak is weliswaar onduidelijk, maar uit het ongevallenrapport komt naar voren dat de werknemer direct voorafgaand aan het ongeval bezig was met het ‘kloppen van een filter bij de molen’. Hoewel de werkgever aangeeft dat dit werk niet tot de specifieke werkzaamheden van de werknemer behoorden, zijn er volgens de rechter voldoende aanknopingspunten om als vaststaand aan te nemen dat de werknemer in de uitvoering van de aan hem opgedragen werkzaamheden letsel heeft opgelopen. Werkgever heeft geen buiten de uitoefening van de werkzaamheden liggende oorzaak aangedragen. De onduidelijkheid over de exacte toedracht van het ongeluk komen volgens de rechter bovendien voor rekening en risico van de werkgever. Het had op de weg van de werkgever geleden een effectief onderzoek te doen naar de toedracht en een en ander te melden bij de arbeidsinspectie, wat werkgever niet heeft gedaan.

    Nu vaststaat dat de schade is ontstaan tijdens de uitoefening van de opgedragen werkzaamheden, komt de rechter toe aan de beoordeling van het standpunt van werkgever dat zij voldaan heeft aan haar zorgplicht en zij daarom niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Werkgever heeft gesteld dat zij voldoende begrijpelijke instructies met betrekking tot de opgedragen werkzaamheden heeft gegeven en dat er actief toezicht op deze instructies werd gehouden door ploegbazen. De betreffende instructies en onderbouwing van het gestelde toezicht heeft werkgever echter niet kunnen overleggen. De rechter oordeelt dan ook dat de werkgever tekort is geschoten in haar zorgplicht en aansprakelijk is voor de door werknemer geleden schade, tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer of dat nakoming van de zorgplicht het ongeval niet had kunnen voorkomen.

    Hoewel werkgever nog wel heeft geprobeerd aan te tonen dat ook bij nakoming van haar zorgplicht het ongeval niet had kunnen worden voorkomen, schuift de rechter dit als onvoldoende onderbouwd terzijde. Daarnaast is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid. De slotsom is dan ook dat de werkgever de schade van de werknemer dient te vergoeden.

    De Nederlandse wetgeving zorgt voor diverse waarborgen die de werknemer beschermen. Een van de redenen hiervoor is dat een werknemer wordt gezien als de zwakkere partij ten opzichte van een werkgever en hij mede daarom moet worden beschermd. Onduidelijkheid in bijvoorbeeld de toedracht van een ongeluk tijdens werktijd komt dan ook snel voor rekening en risico van de werkgever. Van een werkgever wordt verlangd dat hij al het nodige doet om schade van een werknemer te voorkomen en in geval van onduidelijkheid zorgt dat hij effectief onderzoek doet naar de toedracht van een ongeval om de spreekwoordelijke onderste steen boven te krijgen. Doet hij dit niet, dan is dit zijn eigen risico.

    Dirk Smit
    Lawton Advocaten

    Vindplaats: ECLI:NLGHAMS:2013:4941

  • Geldboete voor chemiebedrijf voor dood door schuld en overtreding Arbeidsomstandighedenwet
    Arnhem , 10-2-2014

    De rechtbank Gelderland heeft een chemiebedrijf uit Nijmegen veroordeeld tot een geldboete van 110.000 euro voor dood door schuld en overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (1 en 2e feit).

    Uitsluiten explosiegevaar niet in de praktijk gebracht
    Bij het bedrijf vond in 2009 een ontploffing in een machine plaats, waarbij een werknemer om het leven kwam. Het bedrijf had in 2002 een procedure ontwikkeld die explosiegevaar moest uitsluiten. Die procedure was wel schriftelijk vastgelegd, maar niet omgezet in de officiële veiligheidsdocumentatie van het bedrijf. In de praktijk werd deze procedure op de werkvloer nauwelijks gevolgd en werd hierop geen toezicht uitgeoefend.

    Naar het oordeel van de rechtbank heeft het bedrijf daarom onvoldoende maatregelen getroffen om een explosie te voorkomen. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat het bedrijf niet had kunnen voorzien dat hierdoor ernstig gevaar of levensgevaar voor werknemers kon ontstaan, omdat in een interne risico-inventarisatie stond dat een explosie ernstige gevolgen voor personen kon hebben.

    De rechtbank spreekt het bedrijf vrij van het veranderen van de inrichting zonder vergunning (3e feit). Daarnaast werd de dagvaarding voor wat betreft een vierde feit nietig verklaard, omdat dit onvoldoende was gespecificeerd.

    Voormalig directeur vrijgesproken
    De rechtbank heeft de voormalig directeur van het bedrijf, aan wie leiding geven aan deze feiten ten laste was gelegd, vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verdachte tekort geschoten in de handhaving van en controle op het veiligheidsbeleid, maar levert dit geen strafrechtelijk verwijt. Uit het dossier en uit de stellingen van het Openbaar Ministerie blijkt niet dat de directeur persoonlijk wetenschap had van het uiteenlopen van de veiligheidsdocumentatie en de dagelijkse praktijk bij het bedrijf en evenmin is gebleken dat hij daar wetenschap van had moeten hebben.

  • AANSPRAKELIJK
    Bedrijfsongeval Brunssum: boete voor bedrijf ook al hield werknemer zich niet aan veiligheidsvoorschriften (zagen van rubberen tegels)
    Een bedrijf uit Brunssum moet € 8.100 boete betalen na een bedrijfsongeval waarbij een werknemer blijvend letsel overhield aan zijn wijsvinger. De werknemer had zich niet aan de veiligheidsvoorschriften gehouden, maar het bedrijf is toch aansprakelijk.

    Een werknemer van het bedrijf heeft bij een ongeval met een machine van het bedrijf blijvend letsel opgelopen aan zijn wijsvinger en is daarvoor opgenomen in het ziekenhuis. Dit kon gebeuren doordat de beschermkap en het spouwmes van de machine waarmee rubberen tegels worden gezaagd, waren verwijderd. Het bedrijf is het niet eens met de boete, omdat de werknemer de beschermkap en het spouwmes op eigen initiatief heeft verwijderd. Werknemers weten volgens het bedrijf dat de beschermingsmiddelen op alle machines nooit mogen worden verwijderd. Het bedrijf vindt dat het voldoende instructies aan zijn werknemers heeft gegeven over uitvoering van de werkzaamheden. Ook wordt adequaat toezicht gehouden, aldus het bedrijf. Verder staat volgens het bedrijf niet vast dat er verband is tussen het letsel en het ongeval. Volgens het bedrijf is het letsel met name het gevolg van een verkeerde medische behandeling. De rechtbank in Maastricht verklaarde in oktober 2012 een eerder beroep van het bedrijf ongegrond. Het bedrijf is het hier niet mee eens en is daarom in hoger beroep gekomen bij de Raad van State. Die stelt het bedrijf vandaag in het ongelijk.

    Hieronder de volledige uitspraak:

    Uitspraak 201210526/1/A3
    AFDELING

    BESTUURSRECHTSPRAAK

    Uitspraak op het hoger beroep van:

    [appellante], gevestigd te [plaats],

    tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 oktober 2012 in zaak nr. 11/1036 in het geding tussen:

    [appellante]

    en

    de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    Procesverloop

    Bij besluit van 22 september 2010 heeft de minister aan [appellante] een boete opgelegd van € 8.100,00.

    Bij besluit van 30 mei 2011 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 3 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

    De minister heeft een verweerschrift ingediend.

    De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeur], en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.D.R. van Motman, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

    Overwegingen

    1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

    Ingevolge het tiende lid zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

    Ingevolge artikel 33, tweede lid, eerste volzin, wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

    Ingevolge artikel 34, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

    Ingevolge het derde lid is de hoogte van de bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding kan worden opgelegd gelijk aan de geldsom van de categorie die voor de overtreding is bepaald. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens deze wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.

    Ingevolge het vijfde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin is aangegeven hoe de hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete wordt bepaald.

    Ingevolge artikel 7.7, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) zijn bewegende delen van een arbeidsmiddel indien zij gevaar opleveren, van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

    Ingevolge artikel 9.1 is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke krachtens dit besluit zijn vastgesteld.

    Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder g, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 7.7.

    Volgens de beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving, zoals deze luidde ten tijde van belang, kunnen bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en achtereenvolgens leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:

    1°. indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij de overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven, zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de bestuurlijke boete met eenderde gematigd;

    2°. indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de bestuurlijke boete met nog eenderde gematigd;

    3°. indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.

    Volgens het achtste lid, aanhef en onder a, geldt € 8.100,00 als normbedrag bij de berekening van een boete voor een beboetbaar feit van de tweede categorie bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet, ingeval het bedrijf 10 tot en met 39 werknemers heeft.

    Volgens het negende lid wordt geen bestuurlijke boete opgelegd indien de verwijtbaarheid ontbreekt.

    2. Op 4 juni 2010 heeft een bedrijfsongeval plaatsgevonden op de locatie [park] aan de [locatie] te [plaats]. Een [medewerker] van [appelante], was bezig met het zagen van rubberen tegels met een afmeting van 50 bij 50 cm tot een formaat van 15 bij 15 cm met behulp van een tafel-, afkort- en verstekzaagmachine. Op enig moment heeft [medewerker] tijdens het doorzagen van rubberen tegels met voornoemde zaagmachine, met zijn rechterhand de tegel langs het zaagblad geduwd en is deze tegel door de wrijving aan het zaagblad blijven plakken. Hierdoor is zijn wijsvinger tegen het draaiende zaagblad aangekomen. Ten gevolge van dit ongeval heeft hij letsel opgelopen.

    De minister heeft naar aanleiding van dit incident aan [appellante] een, in bezwaar gehandhaafde, bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit. De minister heeft geen grond gezien om de boete te matigen, omdat [appellante] niet heeft voldaan aan de eerste matigingsgrond van beleidsregel 33, vierde lid aanhef en onder b, in welk geval evenmin toegekomen wordt aan de overige matigingsgronden.

    3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister bevoegd was om een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit. Daartoe voert zij aan dat de zaagmachine is gekeurd en veilig bevonden door een extern bureau en de medewerkers voldoende duidelijke instructies hebben gekregen om veilig te werken. De beschermkap en het spouwmes waren aanwezig op de machine, doch zijn verwijderd door [medewerker]. Ten onrechte heeft de inspecteur in het boeterapport niet vermeld dat deze onderdelen wel bij de zaagmachine aanwezig waren.

    3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 mei 2010 in zaak nr. 200907791/1/H3) is in het Arbobesluit overtreding van artikel 7.7, eerste lid, aangemerkt als een beboetbaar feit zonder dat daartoe opzet of schuld is vereist. Derhalve staat de overtreding vast, indien aan de materiële voorschriften van dat artikel niet is voldaan.

    3.2. Aan het bij het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit van 22 september 2010 heeft de minister een op 6 augustus 2010 opgemaakt boeterapport ten grondslag gelegd. In dit boeterapport staan de bevindingen van een inspecteur van de Arbeidsinspectie die op 13 juli 2010 het vestigingsadres van [appellante] heeft bezocht. De inspecteur heeft daar vastgesteld dat de zaagmachine waarmee het ongeval had plaatsgevonden een Elu zaagmachine was van het type TGC 273 A2, welke als tafelzaagmachine en als afkortzaagmachine gebruikt kan worden. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het ongeval het spouwmes en de beschermkap waren verwijderd. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de bewegende delen van het arbeidsmiddel niet van schermen of kappen waren voorzien, in de zin van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit, zodat de minister bevoegd was om een boete op te leggen. De vraag door wie het spouwmes en de beschermkap zijn verwijderd is voor de vraag of deze bepaling is overtreden niet van belang nu de werkgever op grond van artikel 9.1 van het Arbobesluit verplicht is tot naleving van dit voorschrift.

    Het betoog faalt.

    4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aan de eerste grond voor matiging van de boete als bedoeld in beleidsregel 33, vierde lid, is voldaan. Volgens [appellante] heeft zij de risico’s voldoende geïnventariseerd en heeft zij voldoende maatregelen getroffen om de overtreding te voorkomen. Daartoe voert zij aan dat bij een periodieke risico inventarisatie en evaluatie geen specifieke risico’s aan het licht zijn gekomen voor het gebruik van de zaagmachine en dat de specifieke werkzaamheden zijn geïnventariseerd. Alle medewerkers ontvangen voldoende instructies over veilig werken en er wordt frequent en adequaat toezicht gehouden op alle projecten. Ter zitting heeft [appellante] benadrukt dat zij zich tot het uiterste inspant op het gebied van veilig werken en het Arbobeleid. In verband met het ontbreken van verwijtbaarheid zou geen boete moeten worden opgelegd, aldus [appellante].

    4.1. De boete ziet uitsluitend op het ongeval, niet op het door [appellante] gevoerde Arbobeleid in het algemeen. Bij de beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat de opgelegde boete te matigen, dient volgens het vierde lid, aanhef en onder b, van beleidsregel 33 allereerst te worden beoordeeld of [appellante] heeft aangetoond dat zij de risico’s van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan, voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat [appellante] de risico’s van de specifieke werkzaamheden waarbij het ongeval heeft plaatsgevonden niet heeft geïnventariseerd. Zoals [appellante] zelf in haar zienswijze van 12 september 2010 heeft vermeld, heeft [medewerker], en dus niet [appellante], besloten om de zaagmachine te gebruiken voor het snijden van de rubberen tegels, nadat hij eerst had getracht om de tegels met een stanleymes door te snijden, zoals was geadviseerd door de leverancier van de tegels. Voorts is het zagen van rubberen tegels niet behandeld in de risico inventarisatie en evaluatie, zodat [appellante] niet heeft voldaan aan de eerste voorwaarde voor matiging van de boete. Dat [medewerker] een ervaren medewerker is met voldoende scholingsniveau maakt niet dat van [appellante] niet behoeft te worden verwacht dat zij de risico’s van het gebruik van de zaagmachine bij de door [medewerker] te verrichten specifieke werkzaamheden inventariseert.

    Het betoog faalt.

    5. [appellante] betoogt vervolgens dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de boete onevenredig is, gelet op de financiële situatie van het bedrijf, de omvang van het bedrijf en de aard en oorzaak van het letsel. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt of onderbouwd dat het letsel van [medewerker] het gevolg kan zijn van onjuist medisch handelen. Daartoe voert zij aan dat geen degelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, zodat de oorzaak van het letsel niet onomstotelijk vast staat.

    5.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, gelezen in verbinding met artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het bepalen van de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

    De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient de minister bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

    De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van de minister met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

    5.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201106143/1/A3 overweegt de Afdeling dat de beleidsregels inzake de berekening van een boete wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, gelezen in verbinding met artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit in hun algemeenheid niet onredelijk zijn. Met de enkele stelling dat de hoogte van de boete niet in verhouding staat tot de aard van het letsel, de bedrijfsomvang en de financiële positie van het bedrijf, heeft [appellante] geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die meebrengen dat zij door de opgelegde boete onevenredig wordt benadeeld.

    5.3. Voor zover [appellante] betoogt dat niet aannemelijk is dat het ontstane lengteverschil aan de vinger het gevolg is van het bedrijfsongeval, wordt overwogen dat de minister een rapportage van een medisch adviseur heeft overgelegd, waaruit volgt dat dit lengteverschil niet is ontstaan ten gevolge van de behandeling in het ziekenhuis. Het is aan [appellante] om aannemelijk te maken dat het onderzoeksrapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is. Dit heeft [appellante] niet gedaan, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellante] de stelling dat het ontstane lengteverschil aan de vinger het gevolg is van een medische fout niet aannemelijk heeft gemaakt.

    5.4. [appellante] heeft ter zitting ten aanzien van de aard van het letsel betoogd dat, gelet op de omvang van het letsel, de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat van blijvend letsel kan worden gesproken. [medewerker] is hersteld en kan zonder beperkingen werken.

    Onder verwijzing naar de uitspraak van 16 mei 2007, zaak nr. 200608155/1 overweegt de Afdeling dat het ontstaan van een lengteverschil aan een vinger, ook als dit verschil slechts millimeters bedraagt, blijvend van aard is, zodat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat dit terecht door de minister is aangemerkt als blijvend letsel.

    5.5. Voor matiging van de boete op grond van het evenredigheidsbeginsel bestaat gelet op het bovenstaande geen grond.

    Het betoog faalt.

    6. Voor zover [appellante] betoogt dat het door de minister verrichte medisch onderzoek buiten de termijn heeft plaatsgevonden, waardoor de besluitvorming niet tijdig heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellante] rechtsmiddelen kan aanwenden tegen het uitblijven van tijdige besluitvorming, doch dit heeft nagelaten.

    Het betoog faalt.

    7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

    8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

    Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

    bevestigt de aangevallen uitspraak.

    Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

    w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Klein
    lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

    Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2014

    317-798.

  • Uitspraak 201207707/1/A3
    Datum van uitspraak woensdag 25 september 2013
    Tegen de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
    Proceduresoort Hoger beroep
    Rechtsgebied Algemene kamer – Hoger Beroep – Boete

    201207707/1/A3.
    Datum uitspraak: 25 september 2013

    AFDELING
    BESTUURSRECHTSPRAAK

    Uitspraak op het hoger beroep van:

    [appellante], gevestigd te [plaats],

    tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 juni 2012 in zaak nr. 12/178 in het geding tussen:

    [appellante]

    en

    de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

    Procesverloop

    Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft de minister [appellante] een boete van € 2.700,00 opgelegd.

    Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij besluit van 11 april 2012 heeft de minister het besluit van 8 februari 2012 ingetrokken en nogmaals het door [appellante] tegen het besluit van 25 augustus 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 14 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 8 februari 2012 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 11 april 2012 van rechtswege ontstane beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

    De minister heeft een verweerschrift ingediend.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. D. Stojkovic, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

    Overwegingen

    1. Ingevolge artikel 16, zevende lid, aanhef en onder c en d, van de Arbeidsomstandighedenwet kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de verplichting tot naleving van daarbij aangewezen voorschriften van deze wet of de daarop berustende bepalingen, voor zover zij betrekking hebben op arbeid waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden, zich mede richt tot degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn en een vrijwilliger.

    Ingevolge het tiende lid zijn de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

    Ingevolge artikel 33, tweede lid, wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van de artikelen 6, eerste lid, tweede volzin, en 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in die artikelleden bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

    Ingevolge artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt bij het gebruik van ladders en trappen in ieder geval de volgende maatregel genomen: het wegglijden van de voet van draagbare ladders en trappen tijdens het gebruik wordt tegengegaan door de boven- of onderkant van de ladderbomen vast te zetten, of door middel van een antislipinrichting of een andere, even doeltreffende oplossing.

    Ingevolge artikel 9.5a is degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn verplicht tot naleving ten aanzien van die vrijwilligers van de voorschriften en verboden die zijn opgenomen in de volgende artikelen:

    a. van de wet: de artikelen 3, 4, 5 en 18, voor zover het betreft arbeid met gevaarlijke stoffen en biologische agentia waarop hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing is, 6 tot en met 11, 16 tot en met 44;

    (…);

    f. van hoofdstuk 7: artikel 7.23a.

    Ingevolge artikel 9.9c, zoals dat luidde ten tijde van het ongeval, wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:

    (…);

    g. van hoofdstuk 7: artikel 7.23a.

    Volgens artikel 8, aanhef en onder a, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving worden bij een arbeidsongeval dat leidt tot de dood, een blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet vaste boetebedragen opgelegd waarbij de volgende criteria worden gehanteerd: afhankelijk van de categorie-indeling, bedoeld in artikel 34, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, van de overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven, dat de directe aanleiding is geweest voor het arbeidsongeval en afhankelijk van het aantal werknemers van het bedrijf of de instelling gelden de volgende bedragen per werkgever: bij een ongeval dat leidt tot een ziekenhuisopname bij een bedrijf met minder dan vijf werknemers en een boete van de tweede categorie: € 2.700,00.

    2. De minister heeft [appellante] een boete opgelegd wegens een arbeidsongeval dat op 30 maart 2011 in het [zwembad] aan de [locatie] te [plaats] heeft plaatsgevonden. Bij dat ongeval is [vrijwilliger], tijdens onderhoudswerkzaamheden op een ladder gaan staan die was opgesteld tegen startblok 2 van de duikkuil. De ladder is weggegleden toen [vrijwilliger] erop ging staan. Hij is op de bodem van de duikkuil gevallen en heeft daarbij ernstig letsel opgelopen waarvoor hij in het ziekenhuis is opgenomen.

    De minister heeft het besluit van 8 februari 2012 ingetrokken en vervangen door dat van 11 april 2012, omdat hij in het besluit van 8 februari 2012 ten onrechte heeft verwezen naar artikel 9.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit ter motivering van zijn standpunt dat het ongeval toerekenbaar is aan [appellante].

    3. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 8 februari 2012 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit na het instellen van dat beroep is ingetrokken.

    4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister haar ten onrechte een boete heeft opgelegd, nu de ladder voldeed aan de eisen die daaraan ingevolge artikel 7.23a, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn gesteld omdat hij een antislipinrichting had. In artikel 7.23a, tweede lid, is bepaald waaraan een ladder in ieder geval dient te voldoen. Het kan volgens [appellante] niet de bedoeling zijn dat die bepaling zo ruim kan worden uitgelegd dat een boete kan worden opgelegd indien zich een ongeval voordoet, ondanks dat de beboete organisatie aan de vereisten van die bepaling heeft voldaan.

    4.1. De minister heeft aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de ladder waarop [vrijwilliger] stond, was opgesteld in de duikkuil van het zwembad, waarbij de onderzijde van de ladder zich bevond op een gladde, gecoate tegelvloer. Ook was de vloer nat. De onderzijde van de ladder was voorzien van een antislipinrichting. De ladder was aan de bovenzijde niet vastgezet, maar steunde tegen het startblok. Volgens de minister was bij het gebruik van de ladder het gevaar van het wegglijden van de voet ervan niet met een doeltreffende oplossing tegengegaan.

    5. Uit artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit volgt dat in ieder geval de daarin vermelde maatregelen moeten worden genomen om het gevaar van het wegglijden van de voet van draagbare ladders en trappen tegen te gaan. Verder volgt uit die bepaling dat die maatregelen alternatief van elkaar kunnen worden genomen, nu in die bepaling het woord “of” wordt gebruikt. Een van de vermelde maatregelen is het gebruik van een antislipinrichting. Andere dan de genoemde maatregelen dienen even effectief te zijn als de genoemde maatregelen, waaruit valt te begrijpen dat de regelgever het gebruik van de genoemde maatregelen effectief heeft geacht.

    Vaststaat dat de ladder die [vrijwilliger] heeft gebruikt was voorzien van een antislipinrichting. Daarmee was een in onderdeel a van artikel 7.23a, tweede lid, als effectief aangemerkte maatregel genomen en mocht [appellante] ervan uitgaan dat aan het bepaalde in artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, wat betreft het voorkomen van het wegglijden van draagbare ladders en trappen was voldaan.

    De woorden “in ieder geval” in de aanhef van het artikellid suggereren echter dat in voorkomend geval toch nog andere maatregelen zijn vereist, naast die welke in onderdeel a als efficiënt zijn geduid, zonder dat wordt omschreven welke die maatregelen zijn. Nu de bepaling in zoverre onduidelijk is, is het in strijd met de rechtszekerheid die in het kader van het strafbaar stellen van een handeling of het nalaten ervan geboden is, om [appellante] tegen te werpen niet zulke aanvullende maatregelen te hebben genomen en haar deswege een boete op te leggen. De Afdeling is van oordeel dat [appellante] artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet heeft overtreden en dat de in het bij de rechtbank bestreden besluit gehandhaafde boete ten onrechte is opgelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

    6. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking.

    7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 11 april 2012 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen dat besluit alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2011 ongegrond is verklaard. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 25 augustus 2011 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

    8. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

    I. verklaart het hoger beroep gegrond;

    II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 juni 2012 in zaak nr. 12/178, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 april 2012, kenmerk WBJA/JA-SVA/1.2011.1186.001/BOB2, ongegrond is verklaard;

    III. verklaart het daartegen gerichte beroep gegrond;

    IV. vernietigt dat besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van de minister van 25 augustus 2011, kenmerk 071103319/03, ongegrond is verklaard;

    V. herroept het besluit van 25 augustus 2011, kenmerk 071103319/03;

    VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

    VII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

    VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

    IX. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 776,00 (zegge: zevenhonderdzesenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

    Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

    w.g. Vlasblom w.g. Sparreboom
    voorzitter ambtenaar van staat

    Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013

  • Verband tussen rsi en arbeidsomstandigheden te onzeker 
    Den Haag  , 7-6-2013 

    Een zaak waarin een werkneemster een vordering tot schadevergoeding toegewezen heeft gekregen voor het ontstaan van rsi tijdens haar werk moet over. Dat heeft de Hoge Raad vandaag bepaald. De Hoge Raad vindt dat het hof Amsterdam dat eerder in deze zaak oordeelde zich te eenzijdig heeft gebaseerd op ‘de kennis, ervaring en intuïtie’ van een deskundige. Dit tegen de achtergrond van wat de werkgever in deze zaak heeft betoogd: dat over de aard en oorzaken van rsi veel onduidelijkheden bestaan en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat de werkomstandigheden van de werkneemster haar rsi hebben veroorzaakt. Het hof heeft zich teveel laten leiden door een vermoeden van een verband tussen ziekte en werkomstandigheden terwijl dit verband  te onzeker is. Het hof had zijn oordeel beter moeten motiveren, meent de Hoge Raad. Een ander hof moet de zaak opnieuw onderzoeken.
    De Hoge Raad heeft vandaag ook uitspraak met een vergelijkbare juridische inhoud gedaan in een andere zaak waarin de werkgever aansprakelijk is gesteld  (12/03990, LJN BZ1721).

  • Kans op vervolging van schippers duwboot voor dood door schuld

    DEN BOSCH – De twee schippers van de duwboot Scorpio, een 39-jarige Vlissinger en een 29-jarige man uit Wormerveer, kunnen mogelijk toch worden veroordeeld voor dood door schuld bij het ongeval waarbij op 7 september 2009 hun 24-jarige stuurman Joey Heidweiller omkwam.

    Dat bleek gisteren bij het hoger beroep in het gerechtshof in Den Bosch.
    Het slachtoffer kwam om toen hun duwboot met twee pontons, waarop drie buizen van in totaal 1280 ton lagen, tijdens het lossen kapseisde bij Heerema in de Van Cittershaven in Vlissingen-Oost.
    De rechtbank in Middelburg sprak de twee eind 2011 vrij van het 'laten verongelukken van een vaartuig met de dood tot gevolg', omdat ze het gevaar van hun acties niet hadden kunnen overzien. Het tweede feit 'dood door schuld' – omdat ze geen reddingsvesten droegen – mocht het OM niet verwijten, omdat het daarvoor noodzakelijk was dat met de Arbeidsinspectie onderzoek was gedaan. Dat is in opdracht van het OM echter gebeurd door het Korps Landelijke Politie Diensten. Een vormfout waardoor recht op vervolging werd verspeeld, aldus de rechtbank.
    Advocaat Jurjan Geertsma van de Vlissinger wilde mede hierom weer vragen het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof kwam echter met een beleidsregel waaruit volgt dat ook het KLPD dat onderzoek mag doen. De verdediging had hier de nodige vraagtekens bij, maar als het hof erin meegaat, kunnen de schippers alsnog worden veroordeeld.
    De aanklager eiste 60 uur werkstraf, 20 minder dan bij de rechtbank, omdat het al zo lang is geleden.
    Het hof wijst arrest op 2 april.

  • Werkgever aansprakelijk voor het niet dragen van een veiligheidsbril?
    Door: Sanne de Roo, Uilhoorn & Fritse advocaten | redactie HRpraktijk | 09 januari 2013

    Een metselaar raakt gewond bij een bedrijfsongeval; op het moment dat hij een slag met de hamer op een stalen nagel geeft schiet een deel daarvan weg en komt in zijn oog. De arbeidsinspectie heeft na dit ongeval een ongevalsrapport gemaakt. Er wordt geen verband vastgesteld tussen een overtreding van de arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het ongeval.

    De werknemer stelt de werkgever aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door het ongeval. De werkgever heeft volgens de werknemer zijn zorgplicht geschonden door het niet verplicht stellen van het dragen van een veiligheidsbril bij het bewerken van een stalen nagel, terwijl dit wel op de verpakking van de stalen nagels staat vermeld. De arbeidsinspectie heeft in het rapport ook opgenomen dat er geen wettelijke verplichting is tot het dragen van een veiligheidsbril bij het slaan van spijkers in een gevel en dat het dragen van een veiligheidsbril ook niet gebruikelijk is.
     
    Dragen veiligheidsbril geen wettelijke verplichting
    De kantonrechter te ’s-Gravenhage oordeelt dat het dragen van een veiligheidsbril bij dergelijke werkzaamheden geen wettelijke verplichting is. De werknemer zou niet zodanige risico’s lopen dat de werkgever hier rekening mee had moeten houden en een veiligheidsbril verplicht had moeten stellen. De mededeling op de verpakking van de nagels moet worden gezien als vrijwaring van productaansprakelijkheid door de producent.
     
    De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet aansprakelijk is voor de schade die de werknemer geleden heeft naar aanleiding van het ongeval. Dat het letsel zich hoogstwaarschijnlijk niet zou hebben voorgedaan als de werknemer een veiligheidsbril zou hebben gedragen, is niet voldoende reden om aan te nemen dat de werkgever  in redelijkheid een veiligheidsbril ter beschikking had moeten stellen. De werkgever is haar zorgplicht nagekomen en is niet aansprakelijk voor de letselschade.
     
    Rechtbank ’s-Gravenhage, 6 april 2012, LJN: BW3175

  •  
     

    LJN: BX7857, Rechtbank Arnhem , 686715 Cv Expl. 10-4135

     

     

    Datum uitspraak:

    14-09-2012

    Datum publicatie:

    20-09-2012

    Rechtsgebied:

    Civiel overig

    Soort procedure:

    Eerste aanleg – enkelvoudig

    Inhoudsindicatie:

    art. 7:658 BW. Arbeidsongeval. Medewerker valt bij werkzaamheden van bovenste verdiepingsvloer op een steiger met een vloer die ongeveer 2,25 meter lager lag. Volgens de Arbeidsinspectie is geen sprake van overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Is werkgever desondanks aansprakelijk?

    Vindplaats(en):

    Rechtspraak.nl

     

     

     

    Uitspraak

    vonnis

    RECHTBANK ARNHEM

    Sector kanton

    Locatie Nijmegen

    zaakgegevens 686715 \ CV EXPL 10-4135 \ 199 jt
    uitspraak van 13 mei 2011

    vonnis

    in de zaak van

    [eisende partij]
    wonende te [woonplaats]
    gemachtigde FNV Bouw Advocaten
    eisende partij

    tegen

    1.
    de besloten vennootschap Anco Holland B.V.
    gevestigd te Groesbeek
    gemachtigde Tijhuis Gerechtsdeurwaarders Arnhem
    2.
    de vennootschap onder firma Bouwcombinatie Riz-Strukton V.O.F.
    gevestigd te Utrecht
    gemachtigde Tijhuis Gerechtsdeurwaarders Arnhem
    3.
    de besloten vennootschap Riz Bouw B.V.
    gevestigd te IJsselstein
    gemachtigde Tijhuis Gerechtsdeurwaarders Arnhem
    4.
    de besloten vennootschap Strukton Bouw & Vastgoed B.V.
    gevestigd te IJsselstein
    gemachtigde mr. H.W. Gierman
    5.
    de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.
    gevestigd te 's-Gravenhage
    gemachtigde Tijhuis Gerechtsdeurwaarders Arnhem
    gedaagde partijen

    Eisende partij wordt hierna [eisende partij] genoemd.
    Gedaagde partijen worden hierna genoemd Anco, Bouwcombinatie, RIZ, Stukton en NN alsmede gezamenlijk gedaagden. Gedaagde partijen met uitzondering van NN worden gezamenlijk aangeduid als gedaagden 1-4.

    1. De procedure
    Het verloop van de procedure blijkt uit:
    – de dagvaardingen van 4, 7 en (tweemaal) 11 mei 2010 met producties
    – de conclusie van antwoord van Strukton
    – de conclusie van antwoord van Anco, Bouwcombinatie, RIZ en Nationale Nederlanden met producties
    – de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis en uitbreiding grondslag met producties
    – de conclusie van dupliek van Strukton
    – de conclusie van dupliek van Anco, Bouwcombinatie, RIZ en Nationale Nederlanden.

    2. De feiten
    2.1 [eisende partij], geboren op [dag en maand] 1968, is van 1 november 2000 tot 15 mei 2009 in dienst van Anco geweest als dakdekker.

    2.2 RIZ en Strukton zijn de vennoten van Bouwcombinatie. NN is de verzekeraar van Anco en RIZ.

    2.3 RIZ was hoofdaannemer voor de bouw van 191 woningen in het project Terwijde Eiland nummer 7 te Leidsche Rijn, Utrecht (hierna: het werk). RIZ heeft het werk in onderaanneming uitbesteed aan Bouwcombinatie. Bouwcombinatie heeft een gedeelte van het werk, namelijk het aanbrengen van de dakconstructie, kapbetimmeringen en dakpannen, in onderaanneming uitbesteed aan Anco.

    2.4 [eisende partij] is op 16 februari 2006 omstreeks 9.45 uur een ongeval op het werk overkomen.

    2.5 [eisende partij] is door het UWV vanaf 1 februari 2008 voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard.

    3. De vorderingen en het verweer
    3.1 [eisende partij] vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
    primair voor recht verklaart dat Anco en/of Bouwcombinatie en/of RIZ en/of Strukton en/of NN, voor zover mogelijk hoofdelijk, aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het aan [eisende partij] overkomen ongeval op 16 februari 2006,
    subsidiair Anco en/of Bouwcombinatie en/of RIZ en/of Strukton en/of NN, voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt tot betaling aan [eisende partij] van alle door hem als gevolg het ongeval geleden en te lijden schade, zowel materiaal als immaterieel, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 februari 2006 dan wel vanaf een andere datum van opeisbaarheid, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
    Anco en/of Bouwcombinatie en/of RIZ en/of Strukton en/of NN hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.500,- en de proceskosten.

    3.2 [eisende partij] voert hiertoe, kort samengevat, het volgende aan.
    Primair is hij van mening dat gedaagden 1-4 ex art. 7:658 BW volledig aansprakelijk zijn voor de gevolgen van zijn ongeval doordat hij circa één meter voor de rand op de tweede verdiepingsvloer van de woning waaraan hij werkzaamheden (naden en oneffenheden in de prefabwand/muurplaten en de aansluiting met de grond op de tweede verdieping opvullen met Purschuim en folie) zou gaan verrichten, is gestruikeld over een uit de vloer stekend draadeinde van circa 10 centimeter hoog. Hij is daardoor op de circa 60 centimeter lager gelegen valbescherming van de steiger en vervolgens op de circa 2,25 meter lager gelegen steigervloer gevallen. Het niet tijdig en adequaat verwijderen van het draadeinde levert een onnodig gevaarlijke situatie op en daarmee schending van de zorgplicht van gedaagden 1-4. Dit temeer nu zij de valbeveiliging aan de rand van de verdiepingsvloer over de volle lengte van de rand voortijdig hebben weggehaald, zonder deugdelijke andere technische veiligheidsmaatregelen te nemen en bij gebreke daarvan zonder andere maatregelen te nemen in de zin van waarschuwing, instructie, toezicht en dergelijke passende maatregelen.
    Subsidiair acht [eisende partij] gedaagden 1-4 aansprakelijk op grond van art. 7:611 BW. Hun genoemde gedragingen waardoor hij schade lijdt, zijn in strijd met goed werkgeverschap. Daarnaast geldt dat zij geen deugdelijke verzekering hebben afgesloten voor ongevallen. Voorts verwijt hij Anco in het bijzonder dat zij geweigerd heeft haar verzekeraar in te schakelen met als gevolg dat hij mogelijk geen aanspraak meer kan maken op dekking van haar verzekering.
    Voorts baseert hij zijn vordering jegens Bouwcombinatie, RIZ en Strukton op de artt. 6:170, 6:162 en 6:248 BW.
    [eisende partij] grondt zijn vordering jegens NN op art. 7:954 BW.
    Zijn huidige en toekomstige schade bestaat uit materiële schade, waaronder verlies aan verdienvermogen en schade door verlies aan zelfredzaamheid en mogelijkheid tot het verrichten van huishoudelijk en onderhoudswerk alsmede opvoedingstaken met betrekking tot zijn kinderen, en immateriële schade door blijvende fysieke en psychische beperkingen.

    3.3 Gedaagden voeren gemotiveerd verweer.

    4. De beoordeling
    Art 7:658 BW
    4.1 De kantonrechter beantwoordt eerst de vraag of Bouwcombinatie, RIZ en/of Strukton werkgever(s) is (zijn) in de zin van art. 7:658 lid 4 BW. Bouwcombinatie heeft Anco opdracht gegeven om in onderaanneming bepaalde werkzaamheden te verrichten. [eisende partij] heeft als werknemer in dienst van Anco deze werkzaamheden (deels) verricht. Het is dus niet zo, anders dan [eisende partij] kennelijk meent, dat Bouwcombinatie, RIZ en/of Strukton [eisende partij] als inleenkracht arbeid hebben laten verrichten. Het antwoord op de gestelde vraag is dan ook dat zij geen werkgevers zijn in de zin van art. 7:658 lid 4 BW.

    4.2 Anco betwist niet dat [eisende partij] op 16 februari 2006 tijdens zijn werkzaamheden over de rand van de tweede verdiepingsvloer waar hij werkzaamheden zou moeten gaan verrichten is gevallen, waardoor hij op de circa 60 centimeter lager gelegen valbescherming van de steiger en vervolgens op de circa 2,25 meter lager gelegen steigervloer is gevallen met letsel als gevolg. Anco betwist wel de door [eisende partij] gestelde oorzaak van de valpartij.
    Hiermee staat vast dat [eisende partij] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden door zijn valpartij op 16 februari 2006. Art. 7:658 lid 2 BW brengt dan mee dat Anco als zijn werkgever aansprakelijk is voor de door [eisende partij] ten gevolge van die val geleden schade, tenzij Anco stelt en bewijst dat zij de in art. 7:658 lid 1 BW genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [eisende partij]. Hiervoor behoeft niet vast te staan aan welke oorzaak de val van [eisende partij] te wijten is. Die oorzaak is wel in zoverre van belang, dat Anco zal kunnen volstaan met aan te tonen hetzij dat zij heeft voldaan aan alle verplichtingen die ingevolge art. 7:658 lid 1 BW op haar rustten teneinde een ongeval zoals dat aan [eisende partij] is overkomen te voorkomen, hetzij dat nakoming van die verplichtingen het ongeval niet zou hebben voorkomen (HR 10 december 1999, NJ 2000, 211).

    4.3 Anco heeft zich niet beroepen op opzet of bewuste roekeloosheid van [eisende partij]. Zij heeft aangevoerd dat er sprake was van een veilige werkplek, dus dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. In dit verband heeft zij in haar conclusie van antwoord onder meer gesteld dat de randbeveiliging kon en moest worden verwijderd teneinde de muurplaten te kunnen verwijderen en dat de valbeveiliging in de gegeven omstandigheden (er was sprake van een maximale valhoogte van 2,25 meter) afdoende was en voldeed aan alle (wettelijke) vereisten. In haar conclusie van dupliek nuanceert zij deze stelling als volgt. Het was noodzakelijk bij het plaatsen van de muurplaten de randbeveiliging te verwijderen. Na plaatsing van de muurplaten werd wederom geïnventariseerd of er voldoende maatregelen waren getroffen om de risico’s op valgevaar tot aanvaarbare proporties te reduceren. Dat bleek het geval: de geplaatste muurplaten hieven het risico op plotseling valgevaar op. Er was derhalve wederom sprake van een vorm van randbeveiliging. De rand van de verdiepingsvloer was immers door die muurplaat wederom niet “onbeschermd”. Het risico op valgevaar werd voorts verder gereduceerd doordat voor de gehele gevel een deugdelijke steiger aanwezig was die voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Verder verwijst zij naar het door de Arbeidsinspectie opgemaakte ongevalsrapport, waarin geen overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet zijn geconstateerd.

    4.4 De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.
    De uit art. 7:658 lid 1 BW voortvloeiende zorgplicht houdt in algemene bewoordingen in dat de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen treft en aanwijzingen geeft als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever in de gegeven omstandigheden aan deze zorgplicht heeft voldaan, geldt als uitgangspunt dat de omvang van deze zorgplicht in de eerste plaats en in elk geval wordt bepaald door hetgeen op grond van de regelgeving op het terrein van de arbeidsomstandigheden van de werkgever gevergd wordt (HR 12 december 2008, NJ 2009, 332). Indien aan deze regelgeving is voldaan, betekent dat overigens niet dat de situatie op de plek van het arbeidsongeval voor de toepassing van art. 7:658 BW niet als gevaarlijk kan worden aangemerkt (HR 5 november 2004, NJ 2005, 215). Dit houdt dus in dat een werkgever in strijd met zijn zorgplicht kan hebben gehandeld, ook al heeft hij voldaan aan alle gestelde eisen in de arbeidsomstandighedenwetgeving.

    4.5 Art. 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalt, voor zover hier van belang:
    1. Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.
    2. Er is in elk geval sprake van valgevaar (…) als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.
    (…)
    4.Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht (…) zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

    4.6 Beleidsregel 3.16 Voorzieningen bij valgevaar houdt, voor zover hier van belang, in:
    (…)
    3. Hekwerken cq. Randbeveiligingen worden als doelmatig aangemerkt indien:
    a. ten aanzien van de constructie
    1e zij aan de bovenzijde zijn voorzien van een stevige leuning op tenminste 1,0 meter boven het werkvlak;
    2e zij bij open constructies aan de onderzijde aansluitend op het werkvlak zijn voorzien van een kantplank van 15 cm hoog;
    (…)
    4.Hekwerken cq. randbeveiligingen kunnen bij niet schuine werkvlakken achterwege blijven, indien de arbeid op meer dan 4,0 m afstand van de rand van het werkvlak wordt uitgevoerd en de arbeidszone alsmede de weg daar naar toe duidelijk gemarkeerd zijn. Indien de arbeidszone en de weg daar naar toe tevens zijn afgezet, kan deze afstand tot 2,0 m beperkt worden.
    (…)
    6. Onder het ‘verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat’ wordt ook verstaan het zich begeven naar de arbeidsplaats. (…)

    4.7 Anco beroept zich op het ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie met nummer 410600083 van 24 maart 2006, op ambtsbelofte opgemaakt door inspecteur van de Arbeidsinspectie [naam inspecteur]. Hierin is onder het kopje “Bevindingen onderzoek” vermeld:
    “Uit onderzoek op de plaats van het ongeval is mij gebleken dat er op de 2e verdiepingsvloeren van de woning, gelegen op een hoogte van ongeveer 5,5 meter boven het maaiveld, het gevaar bestond van een hoogte te vallen.
    Vanwege het feit dat ter plaatse een steigerconstructie voor de gevel van de woning stond opgesteld was dit valgevaar gereduceerd tot ongeveer 2,25 meter. Uit de tegenover mij afgelegde verklaringen is gebleken dat de steigervloer die tevens dienst deed als valhoogte beperkende voorziening op het moment van het ongeval vrij was van obstakels waardoor het gevaar te vallen op of langs uitstekende delen van het bouwwerk niet of nauwelijks aanwezig was. (…)
    Tijdens mijn onderzoek heb ik geen verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de oorzaak van het, ingevolge artikel 9, 1e lid van diezelfde wet, meldingsplichtige arbeidsongeval. (…)”
    Anders dan Anco meent, is de bevinding van de Arbeidsinspectie dat de Arbeidsomstandighedenwetgeving niet is overtreden niet voldoende om aan te nemen dat geen sprake is geweest van een gevaarlijke situatie. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Voordat de muurplaat was bevestigd, was er een randbeveiliging aanwezig terwijl de steigerconstructie ook toen reeds aanwezig was. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dit feit niet te rijmen met de stelling dat de steigerconstructie afdoende bescherming bood tegen valgevaar. Voorts kan een muurplaat, waarmee klaarblijkelijk wordt gedoeld op een houten balk die over de volledige breedte van de tweede verdiepingsvloer aan de voor- en achterkant van de woningen met metalen beugels wordt aangebracht om het dak te fixeren aan de betonnen verdiepingsvloer, anders dan Anco aanvoert, gelet op beleidsregel 3.16 lid 3, niet worden gezien als een vorm van randbeveiliging. Bovendien impliceert art. 3.16 lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit, in aanmerking genomen de gebruikte bewoordingen “in ieder geval”, niet dat bij een valhoogte van minder dan 2,5 meter er geen sprake is van valgevaar. Daarbij komt dan nog dat uit het onder 4.4 laatstgenoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat, indien de werkplek voldeed aan de gestelde eisen in de arbeidsomstandighedenwetgeving en bijbehorende beleidsregels, er toch sprake kan zijn geweest van een gevaarlijke situatie en Anco niet heeft voldaan aan haar zorgplicht.

    4.8 De kantonrechter acht het wenselijk een deskundigenbericht in te winnen. Hij is voornemens de volgende vragen aan de deskundige(n) te stellen.
    1) Moest de randbeveiliging worden weggehaald om de muurplaat te kunnen bevestigen?
    2) Kon de randbeveiliging worden teruggeplaatst nadat de muurplaat was bevestigd ten behoeve van de door [eisende partij] nog te verrichten werkzaamheden?
    3) Is de steigerconstructie in redelijkheid te beschouwen als een valhoogte beperkende voorziening?
    4) Indien de werkplek waar [eisende partij] zijn werkzaamheden zou gaan verrichten in uw visie voldeed aan de gestelde eisen in de arbeidsomstandighedenwetgeving en bijbehorende beleidsregels merkt u de werkplek dan desondanks als gevaarlijk aan?
    5) Indien u vraag 4 bevestigend beantwoordt: welke maatregelen had Anco kunnen treffen om het valgevaar te voorkomen?
    6) Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden
    kunnen zijn?
    4.9 De zaak wordt naar de rol verwezen teneinde [eisende partij], Anco en NN – eerst Anco en NN – in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over aantal, specialisatie en naam (namen) van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Partijen wordt in overweging gegeven gezamenlijk (een) deskundige(n) voor te stellen.

    4.10 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
    5. De beslissing
    De kantonrechter

    bepaalt dat Anco en NN op de rolzitting van 10 juni 2011 hun reactie kunnen geven over de aangekondigde deskundigenrapportage;

    houdt iedere verdere beslissing aan.

    Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2011.

    vonnis

    RECHTBANK ARNHEM

    burgerlijk recht, sector kanton

    Locatie Nijmegen

    zaakgegevens 686715 \ CV EXPL 10-4135 \ 199 jt
    uitspraak van 26 augustus 2011

    vonnis

    in de zaak van

    [voornamen] [eisende partij]
    wonende te [woonplaats]
    gemachtigde mr. S.G.M. van Veldhuizen
    eisende partij

    tegen

    1.
    de besloten vennootschap Anco Holland B.V.
    gevestigd te Groesbeek
    gemachtigde Tijhuis Gerechtsdeurwaarders Arnhem
    2.
    de vennootschap onder firma Bouwcombinatie Riz-Strukton V.O.F.
    gevestigd te Utrecht
    gemachtigde Tijhuis Gerechtsdeurwaarders Arnhem
    3.
    de besloten vennootschap Riz Bouw B.V.
    gevestigd te IJsselstein
    gemachtigde Tijhuis Gerechtsdeurwaarders Arnhem
    4.
    de besloten vennootschap Strukton Bouw & Vastgoed B.V.
    gevestigd te IJsselstein
    gemachtigde mr. H.W. Gierman
    5.
    de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.
    gevestigd te 's-Gravenhage
    gemachtigde Tijhuis Gerechtsdeurwaarders Arnhem
    gedaagde partijen

    Eisende partij wordt hierna [eisende partij] genoemd.
    Gedaagde partijen worden hierna genoemd Anco, Bouwcombinatie, RIZ, Strukton en NN alsmede gezamenlijk gedaagden. Gedaagde partijen, met uitzondering van NN, worden gezamenlijk aangeduid als gedaagden 1-4.

    1. De procedure

    Het verloop van de procedure blijkt uit:
    – het tussenvonnis van 13 mei 2011
    – de akte na tussenvonnis van Anco, Bouwcombinatie, RIZ en NN
    – de akte van [eisende partij] met producties.

    2. De verdere beoordeling van het geschil

    2.1 De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van
    13 mei 2011. Beide partijen kunnen zich verenigen met de door de kantonrechter daarin voorgestelde vragen aan de deskundige. De door [eisende partij] voorgestelde aanvullende vragen worden niet overgenomen, nu deze deels al besloten liggen in de in het tussenvonnis opgesomde vragen en deels niet relevant zijn.

    2.2 De kantonrechter acht onderzoek door een deskundige nodig naar de hierna te noemen vragen. Als deskundige om dit onderzoek te verrichten zal de hierna te noemen persoon benoemd worden.

    2.3 Aan de hand van de opgave van de deskundige wordt het voorschot op zijn loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 5.600,-. Dit bedrag dient door Anco en NN aan de griffier te worden betaald.

    2.4 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

    3. De beslissing

    De kantonrechter

    beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
    1) Moest de randbeveiliging worden weggehaald om de muurplaat te kunnen bevestigen?
    2) Kon de randbeveiliging worden teruggeplaatst nadat de muurplaat was bevestigd ten behoeve van de door [eisende partij] nog te verrichten werkzaamheden?
    3) Is de steigerconstructie in redelijkheid te beschouwen als een valhoogte beperkende voorziening?
    4) Indien de werkplek waar [eisende partij] zijn werkzaamheden zou gaan verrichten in uw visie voldeed aan de gestelde eisen in de arbeidsomstandighedenwetgeving en bijbehorende beleidsregels, merkt u de werkplek dan desondanks als gevaarlijk aan?
    5) Indien u vraag 4 bevestigend beantwoordt: welke maatregelen had Anco kunnen treffen om het valgevaar te voorkomen?
    6) Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang
    zijn voor een goed begrip van de zaak?

    benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:
    dr. ir. P.H.J.J. Swuste
    TU Delft: Faculteit Techniek, Bestuur en Management
    Afdeling Veiligheidskunde
    Jaffalaan 5
    2628 BX Delft
    (Postbus 5015, 2600 GA Delft);

    bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

    bepaalt dat Anco en NN binnen twee weken na datum van dit vonnis kopieën van de processtukken aan de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen, Postbus 1006, 6501 BA Nijmegen toestuurt;

    bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op € 5.600,- (incl. btw) en bepaalt dat Anco en NN dit bedrag binnen twee weken na datum van dit vonnis moeten betalen door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;

    bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis stelt en dat de deskundige pas dan met het onderzoek hoeft te beginnen;

    bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is betaald met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is;

    bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet worden gedaan aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

    bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp,

    bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het rapport moet blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken;

    bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport in drievoud inlevert ter griffie van deze rechtbank voor 30 november 2011, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige;

    verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de kant van Anco en NN of voor bepaling datum vonnis;

    houdt iedere verdere beslissing in de zaken tegen Anco, Bouwcombinatie, RIZ, Stukton en NN aan.

    Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter mr. P.E.M. Messer-Dinnissen op

    vonnis

    RECHTBANK ARNHEM

    burgerlijk recht, sector kanton

    Locatie Nijmegen

    zaakgegevens 686715 \ CV EXPL 10-4135 \ 199
    uitspraak van 14 september 2012

    vonnis

    in de zaak van

    [voornamen] [eisende partij]
    wonende te [woonplaats]
    gemachtigde mr. S.G.M. van Veldhuizen (FNV Bouw Advocaten)
    eisende partij

    tegen

    1. de besloten vennootschap Anco Holland B.V.
    gevestigd te Groesbeek
    gemachtigde mr. C. Fledderus
    2. de vennootschap onder firma Bouwcombinatie Riz-Strukton V.O.F.
    gevestigd te Utrecht
    gemachtigde mr. C. Fledderus
    3. de besloten vennootschap Riz Bouw B.V.
    gevestigd te IJsselstein
    gemachtigde mr. C. Fledderus
    4. de besloten vennootschap Strukton Bouw & Vastgoed B.V.
    gevestigd te IJsselstein
    gemachtigde mr. H.W. Gierman
    5. de naamloze vennootschap Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.
    gevestigd te 's-Gravenhage
    gemachtigde mr. C. Fledderus
    gedaagde partijen

    Eisende partij wordt hierna [eisende partij] genoemd.
    Gedaagde partijen worden hierna Anco, Bouwcombinatie, RIZ, Strukton en NN alsmede gezamenlijk gedaagden genoemd.

    1. De procedure

    1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
    – het tussenvonnis van 26 augustus 2011 en de daarin genoemde processtukken
    – het deskundigenbericht in concept van 13 december 2011
    – de brief van de gemachtigde van [eisende partij] van 30 januari 2012 met vragen en opmerkingen inzake het deskundigenbericht in concept
    – de brief van de gemachtigde van Anco en NN van 2 februari 2012 inzake het deskundigenbericht in concept
    – de brief van de deskundige van 23 februari 2012
    – de conclusie na deskundigenbericht van Anco en NN met een productie
    – de conclusie na deskundigenbericht van [eisende partij].

    2. De verdere beoordeling van het geschil

    Zaak tegen Anco en NN

    2.1 De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 26 augustus 2011.

    2.2 De brief van de deskundige van 23 februari 2012 komt erop neer dat de deskundige naar aanleiding van de brieven van de gemachtigden van [eisende partij], Anco en NN het deskundigenrapport in concept niet wijzigt. Daarmee is het rapport definitief geworden.
    2.3 Bij het tussenvonnis van 26 augustus 2011 zijn de volgende vragen aan de deskundige gesteld:
    1) Moest de randbeveiliging worden weggehaald om de muurplaat te kunnen bevestigen?
    2) Kon de randbeveiliging worden teruggeplaatst nadat de muurplaat was bevestigd ten behoeve van de door [eisende partij] nog te verrichten werkzaamheden?
    3) Is de steigerconstructie in redelijkheid te beschouwen als een valhoogte beperkende voorziening?
    4) Indien de werkplek waar [eisende partij] zijn werkzaamheden zou gaan verrichten in uw visie voldeed aan de gestelde eisen in de arbeidsomstandighedenwetgeving en bijbehorende beleidsregels merkt u de werkplek dan desondanks als gevaarlijk aan?
    5) Indien u vraag 4 bevestigend beantwoordt: welke maatregelen had Anco kunnen treffen om het valgevaar te voorkomen?
    6) Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?
    2.4 In het deskundigenrapport van 13 december 2011 heeft de deskundige de vragen als volgt beantwoord:
    ad 1: Het kan de gewoonte zijn dat de dakrandbeveiliging verwijderd wordt om de muurplaat te kunnen bevestigen. De muurplaat kan ook over de dakrandbeveiliging heen getransporteerd worden. Als de dakrandbeveiliging verwijderd wordt, dan ontstaat er een gevaarlijke situatie en deze kan hersteld worden als eenzelfde of een andere dakrandbeveiliging na transport zo snel mogelijk her/geplaatst wordt.
    ad 2: Ja, mogelijk niet de zelfde maar een dakrandbeveiliging kan in nagenoeg alle gevallen worden geplaatst (zie http://www.werkveiligophoogte.nl ). De Richtlijn 2001/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 tot wijziging van Richtlijn 89/655/EEG van de Raad betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats is daar duidelijk over. § 4.1.5 stelt: ‘Wanneer de uitvoering van specifieke werkzaamheden vereist dat een collectieve valbeveiliging tijdelijk wordt verwijderd, moet worden gezorgd voor doeltreffende vervangende veiligheidsvoorzieningen. De werkzaamheden mogen niet worden uitgevoerd zolang deze vervangende voorzieningen niet zijn getroffen. Na de definitieve of tijdelijke beëindiging van de speciale werkzaamheden worden de collectieve valbeveiligingen weer aangebracht'.
    ad 3: Ja, als de nadruk wordt gelegd op `valhoogte beperkende maatrelen'. Door de vraag zo te formuleren wordt de steiger beschouwd als een maatregel aan de rechterkant van de centrale gebeurtenis (bedoeld worden maatregelen die die de gevolgen van de val voorkomen of beperken, aldus blz. 4 van het deskundigenrapport, ktr.). Veilige steigers, op hetzelfde niveau als de betreffende werkvloer, zijn maatregelen links van de centrale gebeurtenis `val van hoogte' (bedoeld worden maatregelen die de val voorkomen, aldus blz. 4 van het deskundigenrapport, ktr.).
    ad 4: De werkplek is niet voldoende veilig door de minimale aanwezigheid van veiligheidsbarrières en de discrepantie het formele veiligheidsmangement en de condities op de betreffende werkplek is erg groot (zie ook de paragraaf 'Ongeval van dhr [eisende partij] op 16 februari 2006').
    ad 5: Plaats dakrandbeveiliging of doelmatige hekwerken.
    Laat werken met een gebiedsbegrenzende gordel.
    Algemeen; beoordeel de werkplekken regelmatig maar zeker voor aanvang van de werkzaamheden op veiligheid en breng de condities op de werkplek in overeenstemming met het geformaliseerde veiligheidsbeleid.
    ad 6: Verontrustend is de constatering dat de ongevalsregistratie en -onderzoek bij Anco gebrekkig functioneert. Dat kan betekenen dat medewerkers met vergelijkbare ongevalsscenario's als dhr [eisende partij], maar waarbij gevolgen zijn uitgebleven (bijna ongeval), of veel minder ingrijpend zijn geweest, niet geregistreerd worden en dat er geen onderzoek wordt opgezet naar oorzaken van deze ongevallen. De informatie van het bedrijf over kans en frequentie van voorkomen van de centrale gebeurtenis 'val van hoogte' is daardoor onbetrouwbaar en het bedrijf is niet in staat om te leren van deze ongevallen. Dit geldt niet alleen voor `val van hoogte', maar voor alle dominante centrale gebeurtenissen die op een bouwplaats voor kunnen komen. `Val van hoogte is in zoverre speciaal, daar deze centrale gebeurtenis een hoge mortaliteit kent.

    2.5 Anco en NN kunnen zich niet verenigen met het rapport. Ze werpen op dat het plaatsen van een dakrandbeveiliging in dit geval niet mogelijk was alsmede dat een gebiedsbegrenzende gordel niet bruikbaar was, althans het ongeval niet had voorkomen. Nu deze tegenwerpingen echter niet feitelijk zijn onderbouwd, worden ze gepasseerd.
    Daar verder geen relevante verweren zijn gevoerd, maakt de kantonrechter de conclusies uit het deskundigenrapport tot de zijne.

    2.6 Dit betekent dat daarmee in rechte vaststaat dat Anco niet heeft voldaan aan de uit art. 7:658 lid 1 BW voor haar voortvloeiende zorgplicht. Anders dan Anco en NN menen, heeft Anco niet voldaan aan deze zorgplicht met enkel de plaatsing van de steiger met een vloer die op circa 2,25 meter lager gelegen is dan de verdiepingsvloer waarvan [eisende partij] is gevallen. Hierbij wordt in aanmerking genomen het reële risico op ernstig letsel bij een val van hoogte, welke risico zich heeft verwezenlijkt bij het onderhavige ongeval ondanks de aanwezigheid van de hiervoor bedoelde steiger. Ter adstructie wordt verwezen wat betreft de val op zich naar de op dat punt niet (voldoende) weersproken verklaring van [eisende partij], die als bijlage 2 bij het door de Arbeidsinspectie opgemaakte rapport is gevoegd, inhoudende: “Ik wilde aan de achterzijde van de woning een overstap maken naar de naastgelegen vloer en struikelde over een in de vloer aanwezig draadeind. Ten gevolge daarvan viel ik voorover en ik kwam tijdens mijn val met mijn borst terecht op de bovenste leuning van het leuningwerk dat op de onderliggende steigervloer was aangebracht. Even daarna klapte ik terug en viel op mijn rug op de steigervloer.”
    Dat het letsel wellicht (veel) ernstiger was geweest zonder de aanwezigheid van de steiger, leidt (uiteraard) niet tot eeen ander oordeel.
    De stelling van van Anco en NN dat op de werkgever niet de plicht rust een absolute waarborg tegen alle aan het werk verbonden risico’s te bieden, kan hun niet baten. Immers, art. 7:658 lid 1 BW vereist een hoog veiligheidsniveau van de werkplek (HR 11 april 2008, NJ 2008, 465) en niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, gezien de ruime strekking ervan (HR 12 december 2008, NJ 2009, 332).

    Zaak tegen Bouwcombinatie, RIZ en Strukton

    2.7 In het tussenvonnis van 13 mei 2011 is reeds overwogen dat Bouwcombinatie, RIZ en/of Strukton geen werkgevers van [eisende partij] (die in dienst was van Anco) waren in de zin van art. 7:658 lid 4 BW. Dit betekent dat de vordering jegens hen niet kan worden gegrond op de artt. 7:658 of 7:611 BW.

    2.8 Voorts gaat het beroep op de artt. 6:162 en 6:170 BW niet op. [eisende partij] heeft namelijk geen feiten of omstandigheden aangevoerd, waaruit zou kunnen volgen dat het ongeval van [eisende partij] is veroorzaakt door een fout (van een ondergeschikte) van Bouwcombinatie, RIZ of Strukton.

    2.9 Nu er geen sprake is van een contractuele verhouding tussen [eisende partij] en Bouwcombinatie, RIZ en/of Strukton, kan reeds daarom art. 6:248 BW de vordering ook niet dragen, wat er verder ook zij van de stelling van [eisende partij] dat art. 6:248 BW “de niet arbeidsrechtelijke pendant” van art. 7:611 BW is.

    Slotsom

    2.10 Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen jegens Bouwcombinatie, RIZ en Strukton worden afgewezen. [eisende partij] wordt in zoverre in de kosten van de procedure veroordeeld.

    2.11 Jegens Anco zijn de primaire en subsidiaire vordering beide in beginsel voor toewijzing vatbaar. Overigens zal zijn bedoeld om deze vorderingen als nevengeschikte vorderingen in te stellen. De kantonrechter wijst de subsidiaire vordering jegens Anco toe. Nu uit toewijzing van de subsidiaire vordering volgt dat Anco aansprakelijk is voor de gevolgen van het [eisende partij] overkomen ongeval op 16 februari 2006, wordt de primaire vordering afgewezen bij gebreke van belang daarbij.

    2.12 Jegens NN is de primaire vordering niet toewijsbaar. NN is niet aansprakelijk voor de gevolgen van het [eisende partij] overkomen ongeval op 16 februari 2006. Art. 7:954 BW, waarop de vordering jegens NN is gebaseerd, geeft namelijk enkel een zogenaamde directe actie jegens de verzekeraar van de aansprakelijke persoon. Deze actie betreft de bevoegdheid van een benadeelde om rechtstreeks van een verzekeraar betaling aan hem te vorderen van hetgeen de aansprakelijke persoon van zijn aansprakelijkheidsverzekeraar heeft te vorderen. Er is dan ook geen sprake van hoofdelijke verbondenheid. Het voorgaande brengt met zich dat de subsidiaire vordering jegens NN toewijsbaar is, inclusief de niet-betwiste wettelijke rente, met dien verstande dat de gevorderde hoofdelijke veroordeling wordt afgewezen.
    2.13 Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft [eisende partij] het volgende opgemerkt: “Ingevolge de algemene voorwaarden maakt FNV Bouw aanspraak op de buitengerechtelijke kosten die zij voor haar leden heeft gemaakt en die [eisende partij] door lidmaatschapspremie betaalt.” Hieruit volgt dat geen sprake is van eigen schade van [eisende partij] (het zijn kosten die FNV Bouw maakt), zodat reeds daarom de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen.

    2.14 Anco en NN worden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure voor zover hen betreffende veroordeeld. Hierbij wordt uitgegaan van drie punten (dagvaarding, conclusie van repliek, akte en conclusie na deskundigenbericht) ad
    € 600,- per punt. De kosten van de deskundige ad € 5.600,- inclusief btw blijven voor rekening van Anco en NN. Deze kosten zijn reeds (als voorschot) voldaan.

    2.15 [eisende partij] wordt als de in het ongelijk gelijk gestelde partij in de kosten van de procedure voor zover Bouwcombinatie, RIZ en Strukton betreffende. Wat betreft Bouwcombinatie en RIZ wordt voor de conclusie van antwoord en conclusie van dupliek telkens een half punt gerekend, nu zij dezelfde gemachtigde hebben als Anco en NN.

    3. De beslissing

    De kantonrechter

    3.1 veroordeelt Anco en NN, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de ander is bevrijd, tot betaling van alle door [eisende partij] als gevolg van het hem op 16 februari 2006 overkomen ongeval geleden en te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met dien verstande dat NN enkel gehouden is tot betaling aan [eisende partij] van het bedrag dat zij als verzekeringsuitkering verschuldigd is aan Anco;

    3.2 veroordeelt Anco en NN, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de ander is bevrijd, in de proceskosten voor zover de procedure jegens hen betreffende, tot op heden aan de zijde van [eisende partij] begroot op € 175,86 aan dagvaardingskosten, € 208,- aan vastrecht en
    € 1.800,- aan salaris gemachtigde;
    3.3 veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten voor zover betreffende de procedure jegens Bouwcombinatie en RIZ, tot deze uitspraak aan de kant van Bouwcombinatie, Riz en Strukton begroot op € 600,- aan salaris voor de gemachtigde;

    3.4 veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten voor zover betreffende de procedure jegens Strukton, tot deze uitspraak aan de kant van Strukton begroot op € 1.200,- aan salaris voor de gemachtigde en, indien dit bedrag niet binnen 14 dagen na deze uitspraak worden voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de 15e dag na deze uitspraak tot de dag van de algehele voldoening;

    3.5 verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

    3.6 wijst het meer of anders gevorderde af.

    Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012

  • LJN: BI1152, Gerechtshof Leeuwarden , 24-002840-06
    Print uitspraak

     

    Datum uitspraak:
    15-04-2009

    Datum publicatie:
    15-04-2009

    Rechtsgebied:
    Straf

    Soort procedure:
    Hoger beroep

    Inhoudsindicatie:
    Het eerste lid van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) bepaalt dat indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de werkgever door zijn werknemers doet verrichten in een bedrijf of een inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, de werkgever doeltreffende maatregelen neemt ter voorkoming van dat gevaar. De memorie van toelichting bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) noemt bezoekers en voorbijgangers als voorbeeld van personen ten aanzien van wie de betreffende veiligheidsnorm zich uitstrekt. Gelet op de gebezigde bewoordingen betreft het hier geen limitatieve opsomming. Het ligt dan ook niet in de rede dat een matroos, niet zijnde een werknemer van verdachte maar wel werkzaam op het terrein van verdachte, niet onder de bescherming van voornoemde wet zou vallen. Het hof verwerpt het verweer. Verdachte wordt ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) veroordeeld tot een geldboete van € 2.375,-. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met undue delay.

    Vindplaats(en):
    NJFS 2009, 125
    Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    Parketnummer: 24-002840-06
    Parketnummer eerste aanleg: 18-635029-06

    Arrest van 15 april 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Groningen van 13 november 2006 in de strafzaak tegen:

    [verdachte],
    gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],

    ter terechtzitting vertegenwoordigd door [gemachtigde], facilitair manager en veiligheidscoördinator van verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. E.F.A. Dams, advocaat te Groningen.

    Het vonnis waarvan beroep
    De economische politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

    Gebruik van het rechtsmiddel
    De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

    Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
    Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

    De vordering van de advocaat-generaal
    De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 2.375,–.

    De beslissing op het hoger beroep
    Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

    Tenlastelegging
    Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

    zij op of omstreeks 24 oktober 2005, te [plaats], in de gemeente [gemeente], in ieder geval in Nederland, als werkgever/werkgeefster, terwijl bij en/of in rechtstreeks verband met de arbeid, te weten het laden van een schip, die verdachte, als werkgever/werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en/of inrichting, en/of in de onmiddellijke omgeving daarvan, te weten op de kade van [verdachte], gelegen aan de [adres] te [plaats], gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor [slachtoffer], geboren op [1988], geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar, immers
    – waren er onvoldoende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat zich geen werknemers
    bevonden onder de lasten
    (art. 7.18 Arbeidsomstandighedenbesluit)
    – waren er geen of onvoldoende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat een
    arbeidsmiddel (i.c. container) veilig geplaatst kon worden
    (art. 7.4 Arbeidsomstandighedenbesluit)
    – was er geen werknemer aangewezen die aanwijzingen kon geven omtrent het veilig leiden
    van een last
    (art. 7.18a Arbeidsomstandighedenbesluit)
    (mede) ten gevolge waarvan bij het laden van het schip de [naam] met (een) container(s) met behulp van een vast opgestelde hijskraan de kraanmachinist zich er niet van verzekerd heeft dat zich niemand in het laadbereik van die kraan bevond, is op enig moment een container, hangende aan die kraan, tegen de den van dat schip gebotst, waar genoemde [slachtoffer] zijn linkerhand had, wat tot gevolg heeft gehad dat [slachtoffer]'s linkerhand bekneld is geraakt tussen container en den, waarbij [slachtoffer] ernstig (en blijvend) letsel heeft opgelopen.

    Overwegingen ten aanzien van het bewijs
    De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof gesteld dat [slachtoffer] niet beschouwd kan worden als een "andere persoon dan de werknemer", als bedoeld in artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998). De raadsman is van mening dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat dit artikel voor verdachte een zelfstandige plicht creëert om doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming van gevaar voor een niet bij haar in dienst zijnde matroos.

    Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
    Het eerste lid van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) bepaalt dat indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de werkgever door zijn werknemers doet verrichten in een bedrijf of een inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, de werkgever doeltreffende maatregelen neemt ter voorkoming van dat gevaar.
    Blijkens de wetsgeschiedenis staat in de Arbeidsomstandighedenwet (1998) de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van werknemers in verband met de arbeid centraal. Artikel 10 van deze wet verplicht een werkgever echter om de omstandigheden in en om het bedrijf ook voor anderen die op het bedrijfsterrein komen zo veilig mogelijk te maken. De memorie van toelichting bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 879, nr. 3, p. 40) noemt bezoekers en voorbijgangers als voorbeeld van personen ten aanzien van wie de betreffende veiligheidsnorm zich uitstrekt. Gelet op de gebezigde bewoordingen betreft het hier geen limitatieve opsomming. Het ligt dan ook niet in de rede dat [slachtoffer], niet zijnde een werknemer van verdachte maar wel werkzaam op het terrein van verdachte, niet onder de bescherming van voornoemde wet zou vallen. Het hof verwerpt het verweer.

    Bewezenverklaring
    Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

    zij op 24 oktober 2005, te [plaats], in de gemeente [gemeente], als werkgeefster, terwijl bij de arbeid, te weten het laden van een schip, die verdachte, als werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf, te weten op de kade van [verdachte], gelegen aan de [adres] te [plaats], gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor [slachtoffer], geboren op [1988], geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar, immers bij het, met behulp van een vast opgestelde hijskraan, laden van het schip de [naam] met containers heeft de kraanmachinist zich er niet van verzekerd dat zich niemand in het laadbereik van die kraan bevond, ten gevolge waarvan op enig moment een container, hangende aan die kraan, tegen de den van dat schip is gebotst, waar genoemde [slachtoffer] zijn linkerhand had, ten gevolge waarvan [slachtoffer]'s linkerhand bekneld is geraakt tussen de container en de den en [slachtoffer] ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen.

    Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

    Overwegingen ten aanzien van de strafbaarheid van het feit
    De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof gesteld dat het ten laste gelegde geen strafbaar feit oplevert. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) een formeel delict is en de in de tenlastelegging gelegde koppeling tussen het niet treffen van doeltreffende maatregelen en het gevolg derhalve niet spoort met het strafbare feit zoals de wetgever dat heeft bedoeld.

    Het hof is van oordeel dat de het standpunt van de raadsman berust op een onjuiste lezing van de tenlastelegging en verwerpt het verweer.

    Kwalificatie
    Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:

    overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (1998), begaan door een rechtspersoon.

    Strafbaarheid
    Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

    Strafmotivering
    Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

    Op 24 oktober 2005 heeft er een ongeval plaatsgevonden op het bedrijfsterrein dat bij verdachte in gebruik was. Tijdens het laden van een schip met containers heeft de kraanmachinist, in dienst bij verdachte, zich er niet van verzekerd dat er zich niemand in het laadbereik van de kraan bevond waardoor [slachtoffer], matroos op het schip dat geladen werd, ernstig gewond is geraakt aan zijn hand. Verdachte heeft geen doeltreffende maatregelen genomen om dit ongeval te voorkomen.

    Verdachte heeft hierdoor een bepaling overtreden die tot stand is gekomen om de veiligheid en gezondheid van andere personen die zich in een bedrijf bevinden dan werknemers te waarborgen.

    Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 maart 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

    Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is een geldboete van € 2.500,– een passende sanctie. Het hof zal deze straf echter matigen, nu de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is overschreden.

    Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. De officier van justitie heeft op 27 november 2006 hoger beroep ingesteld en de onderhavige zaak behoorde derhalve op 27 november 2008 te zijn afgerond. Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf die datum sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vijf maanden. Gelet hierop zal het hof de op te leggen geldboete matigen tot een bedrag van € 2.375,–.

    Toepassing van wetsartikelen
    Het hof heeft gelet op de artikelen 23 (oud) en 24 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998).

    De uitspraak
    HET HOF,
    RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

    vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

    verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

    verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

    veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van tweeduizend driehonderdvijfenzeventig euro.

    Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. S. Zwerwer en mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier.

     

  • LJN BX1279, Rechtbank Leeuwarden, 387770 CV EXPL 12-1560 Datum uitspraak: 25-04-2012 Datum publicatie: 12-07-2012 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Voorlopige voorziening Zaaknummers: 387770 CV EXPL 12-1560 Sector toon: Sector kanton Inhoudsindicatie: Arbeidszaak: ontslag op staande voet. Werknemer heeft roekeloos gehandeld door verplichting om valbeveiliging te dragen niet na te leven.
    Uitspraak RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 387770 CV EXPL 12-1560 vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 25 april 2012 inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, procederende met toevoeging, gemachtigde: mr. E.A. van Wieren, tegen De besloten vennootschap INDUSTRIAL CLEANINGPOSTMUS B.V., gevestigd te Drachten, gedaagde, procederende bij haar directeur de heer [A]. Partijen zullen hierna "[eiser]" en "ICP" worden genoemd. Procesverloop 1.1. [eiser] heeft ICP in kort geding doen dagvaarden tegen deopenbare terechtzitting van 12 april 2012. 1.2. [eiser] heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de kantonrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, ICP veroordeelt tot: a. betaling van achterstallig salaris ten bedrage van € 3.905,42 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; b. betaling van het salaris van € 1.952,71 bruto per maand vanaf 1 april 2012 op de daarvoor geldende vervaldata totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd; c. het zorgdragen voor een deugdelijke bruto-/nettospecificatie van alle verrichte en nog te verrichten betalingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat ICP niet binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan elk van deze verplichtingen heeft voldaan; d. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 714,00; e. betaling van de kosten van het geding, waaronder de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien niet binnen vijf dagen na betekening van het vonnis deze kosten worden betaald. 1.3. ICP heeft voorafgaand aan de terechtzitting een schriftelijke conclusie van antwoord ingediend. 1.4. Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, waarbij de gemachtigde van [eiser] gebruik heeft gemaakt van een pleitnota. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt door de griffier. 1.5. Na de mondelinge behandeling van het kort geding is de zaak enige tijd aangehouden in verband met onderhandelingen tussen partijen over een minnelijke regeling. Bij faxbericht van 17 april 2012 heeft de gemachtigde van [eiser] aan de kantonrechter medegedeeld dat er geen schikking tot stand is gekomen. 1.6. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. Motivering De feiten 2. In deze procedure zal van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.1. [eiser], geboren op [datum], is sinds 1 april 2006 in dienst van ICP, laatstelijk in de functie van cleaner,op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen een salaris van laatstelijk€ 1.952,71 bruto per maand. 2.2. [eiser] is per 17 november 2011 arbeidsongeschikt geraakt vanwege gewrichtsklachten. De bedrijfsarts heeft op 21 december 2011 (schriftelijk) geadviseerd om de werkzaamheden per 9 januari 2012 te hervatten voor 50% (halve dagen), waarbij beperkingen gelden terzake "niet lang staan" en "niet veel en zwaar tillen". Op 23 december 2011 is er een nader advies van de bedrijfsarts gekomen, waarbij is uitgegaan van de ene week twee dagen werken en de andere week drie dagen. 2.3. De bedrijfsarts heeft ICP bij brief van 31 januari 2012 onder meer meegedeeld: "(…) Betrokkene breidt zijn werkzaamheden in de komende weken stapsgewijs uit naar volledige inzetbaarheid. M.i.v. 20 februari a.s. is hij in principe volledig arbeidsgeschikt. (…)" 2.4. Op 10 februari 2012diende [eiser] bij BASF te Heerenveen schoonmaak-werkzaamheden uit te voeren, bestaande uit het schoonspuiten vaneen reactor, met behulp van ademlucht (zuurstofmasker) met een hogedrukspuit. Omdat het zware lichamelijke arbeid betreft, wordt een dergelijke klus normaal gesproken door twee cleaners uitgevoerd, waarbij zij elkaar afwisselen. Wanneer de ene cleaner bezig is, bevindt de andere cleaner zich buiten het vat als tankwacht. De schoonmaakwerkzaamheden bij BASF betreffen terugkerende werkzaamheden, die [eiser] voordien al regelmatig had verricht. 2.5. De reactor bestaat uit een besloten vat met een roerwerk, met bovenin een mangat waardoor men in het vat kan komen. Via het roerwerk kan er vloeistof in het vat komen. Voorafgaand aan uit te voeren schoonmaakwerkzaamheden in de reactor dienen er enkele veiligheidsmaatregelen te worden getroffen. Allereerst wordt het roerwerk afgesloten. Daarnaast dient de cleaner die in het vat afdaalt valbeveiliging te dragen, zodat hij in geval van een calamiteit uit het vat kan worden gehaald. 2.6. Bij de schoonmaakwerkzaamheden op 10 februari 2012 konden de cleaners hun werkzaamheden niet afwisselen, omdat de collega die de klus met [eiser] zou doen – [B] – niet de beschikking had over de benodigde papieren om als cleaner te worden ingezet. Hij had namelijk niet de beschikking over een ademluchtcertificaat. Deze collega fungeerde daarom als tankwacht, waarbij hij de veiligheid in het oog moest houden. 2.7. De schoonmaakwerkzaamheden in het vat bij BASF zijn op genoemde datum rond 08.15 uur begonnen. [eiser] droeg toen bij het schoonmaken van het vat geen valbeveiliging. Rond 09.15 uur heeft een medewerker van BASF geconstateerd dat [eiser] de valbeveiliging niet droeg, waarop deze medewerker de collega van [eiser] op dit verzuim heeft gewezen. De collega heeft [eiser] vervolgens gewezen op het niet dragen van de valbeveiliging. Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] zijn collega verzocht om de valbeveiliging naar beneden te laten komen. [eiser] heeft de valbeveiliging toen niet meteen omgedaan, maar heeft deze aan het roerwerk in het vat gehangen en is verder gegaan met de schoonmaakwerkzaamheden. Rond 09.49 uur heeft een medewerker van BASF geconstateerd dat [eiser] de valbeveiliging nog steeds niet droeg en dat deze aan het roerwerk was vastgezet. Vervolgens heeft de medewerker van BASF [eiser] hierop aangesproken en hem heeft verzocht om uit het vat te komen. Hierna is [eiser], inmiddels met de valbeveiliging om, naar boven gekomen en is hij door de medewerker van BASF gewaarschuwd. Daarop heeft [eiser], voorzien van valbeveiliging, zijn werkzaamheden vervolgd. 2.8. De medewerker van BASF heeft de gang van zaken met betrekking tot het niet dragen van de valbeveiliging door [eiser] diezelfde ochtend nog bij ICP gemeld. ICP heeft daarop een vervanger voor [eiser] – de heer [C] – naar BASF gestuurd, die de werkzaamheden van [eiser] heeft overgenomen. [eiser] op zijn beurt diende zich op kantoor van ICP te vervoegen. 2.9. Door BASF is op 10 februari 2012 een schriftelijke incidentmelding gedaan. Hierin is onder meer vermeld: BESCHRIJF WAT ER GEBEURD IS Tijdensreinigen R 0201 geconstateerd dat de man in de reactor niet aangelijnd was, hierop de man aan gesproken en na ca 30 minuten een controle uitgevoerd. Tijdens deze controle bleek de lijn in de reactor achter het roerwerk niet vastgezet te zijn. Hierop dhr [D] van ICP uitgenodigd en uitgelegd dat dit absoluut niet de bedoeling is en een volgende keer niet meer geaccepteerd wordt. 2.10. ICP heeft [eiser] in een gesprek op 10 februari 2012, bevestigd bij brief van gelijke datum, op staande voet ontslagen.In deze brief meldt ICP onder meer: "Middels deze brief bevestigen wij dat je op staande voet en met onmiddellijke ingang ontslagen bent. De reden hiervoor is kort samengevat als volgt: Je hebt je, ondanks waarschuwingen van jouw collega's ter plaatse en medewerkers van BASF te Heerenveen niet gehouden aan de geldende veiligheidsvoorschriften. Je hebt hiermee jezelf, jouw collega's en de medewerkers van BASF ernstig in gevaar gebracht. De hierboven beschreven omstandigheden vormen een dringende redenin de zin van artikel 7:678 BW op grond waarvan wij de arbeidsovereenkomst per direct beëindigd hebben. (…)" 2.11. Bij brief van 10 februari 2012 heeft de gemachtigde van [eiser] zich namens [eiser] beroepen op de vernietigbaarheid van het gegeven ontslag op staande voet. ICP heeft hierna in het ontslag volhard. De standpunten van partijen 3. [eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Er is geen sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Daartoe is allereerstvan belang dat ICP de op haar rustende zorgplicht jegens haar personeel heeft geschonden door [eiser] de werkzaamheden in het vat alleen te laten verrichten, terwijl dit door minstens twee medewerkers afwisselend diende te gebeuren. Bovendien was [eiser] ten tijde van de werkzaamheden nog (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt en kon hij nog geen zware fysieke arbeid verrichten. In dat opzicht heeft ICP eveneens onvoldoende zorg betracht jegens haar werknemer [eiser]. Ook had [eiser] ten tijde van de werkzaamheden op 10 februari 2012 geen geldig ademluchtcertificaat meer, waarop hij ICP voordien al meermalen had gewezen. Volgens ICP was er echter niets aan de hand en was er slechts sprake van een administratief verzuim. Ook hier heeft ICP veiligheidsvoorschriften geschonden. Daar waar ICP zelf veiligheidsvoorschriften jegens [eiser] schendt, kan overtreding van veiligheidsvoorschriften door [eiser] geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Voorts heeft [eiser], na gewaarschuwd te zijn, uiteindelijk wel de valbeveiliging omgedaan – waarmee hij zijn verzuim heeft hersteld – en dient te worden bedacht dat de desbetreffende medewerker van BASF [eiser] na de waarschuwing zijn werkzaamheden heeft laten voortzetten. Verder heeft [eiser] niemand in gevaar gebracht toen hij de valbeveiliging niet droeg. Hij was immers alleen aan het werk in het vat. Ten slotte is de opzegging in strijd met de bijzondere opzegverboden ex artikel 7:670 BW, nu [eiser] ten tijde van de opzegging nog steeds (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was en bezig was met zijn re-integratie. Ten slotte merkt [eiser] op dat ook als hem een (ernstig) verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen, ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden een te zware sanctie vormt. 4. ICP voert verweer en voert aan dat het gegeven ontslag op staande voet als rechtsgeldig dient te worden beschouwd. Het niet naleven van de veiligheidsvoorschriften door [eiser] is voor ICP onaanvaardbaar. [eiser] heeft opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos,zichzelf of anderen aan ernstig gevaar blootgesteld door het niet dragen van de valbeveiliging. De bij de schoonmaakwerkzaamheden in acht te nemen veiligheidsmaatregelen zijn er niet voor niets en dienen ter bescherming van werknemers tegen gevaarlijke situaties. In de gegeven omstandigheden kon ICP niet volstaan met het geven van een waarschuwing aan [eiser] en was het geven van ontslag op staande voet als sanctie gerechtvaardigd. Ten aanzien van het door [eiser] aangehaalde schenden van veiligheidsvoorschriften door ICP voert ICP aan dat het bezit van een vernieuwd ademluchtcertificaat niet verplicht is. Een eenmaal behaald certificaat blijft volgens ICP geldig. De beoordeling van het geschil 5.1. Het spoedeisend belang ligt besloten in de aard van het gevorderde. 5.2. In deze kort geding procedure dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat het door ICP aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet in een bodemprocedure stand zal houden. Daarvoor dient aannemelijk te zijn dat sprake is van een, onverwijld aan [eiser] meegedeelde, dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 jo. 7:678 BW, die tot gevolg heeft dat van ICP redelijkerwijs niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst van partijen langer te laten voortduren. Een dringende reden kan onder andere aanwezig geacht worden, wanneer de werknemer opzettelijk of ondanks waarschuwing roekeloos, zichzelf of anderen aan ernstig gevaar blootstelt (artikel 7:678 lid 2 aanhef en onder h BW). Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking te nemen. Hij moet hierbij de aard en ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook indien gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was (zie o.a. HR 21 januari 2000, LJN: AA4436 en HR 20 april 2012, LJN: BV9532). 5.3. De kantonrechter stelt voorop dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] niet aan het geven van een ontslag op staande voet in de weg stond. Het opzegverbod tijdens ziekte, als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 sub a BW, is blijkens artikel 7:670b lid 1 BW immers niet van toepassing bij opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden. De dringende reden doorbreekt in een dergelijke situatie dus het opzegverbod. 5.4. Voorts overweegt de kantonrechter dat niet in geschil is tussen partijen dat de veiligheidsvoorschriften ter zake de schoonmaakwerkzaamheden in de reactor bij BASF [eiser] ertoe verplichtten om uitgerust te zijn met valbeveiliging en dat [eiser] – die reeds eerder schoonmaakwerkzaamheden terplaatse bij BASF had uitgevoerd – van deze verplichting op de hoogte was. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen dergelijke – essentiële – veiligheidsvoorschriften strikt in acht te worden genomen, gelet op de belangen die zij dienen, waaronder het voorkomen van gevaar voor de betrokken werknemer(s). Dit geldt te meer nu de werkzaamheden op de bodem van een zes meter diep vat moesten worden uitgevoerd, waaruit de cleaner niet zomaar kan "ontsnappen". In geval van een calamiteit kan hij met behulp van de valbeveiliging snel omhoog worden gehaald. 5.5. Niet alleen was [eiser] op de hoogte van de verplichting om valbeveiliging te dragen bij de schoonmaakwerkzaamheden in het vat, hij is daarop ook nog eens (indirect) expliciet aangesproken door de inlener – BASF – die [eiser]'s collega [B] heeft verzocht om [eiser] op zijn verzuim te wijzen,hetgeen ook is gebeurd. Ondanks deze waarschuwing heeft [eiser] nagelaten om zich alsnog met de valbeveiliging uit te rusten. Dit alles in aanmerking nemend, is de kantonrechtervan oordeel dat [eiser] ondanks waarschuwing roekeloos heeft gehandeld, waarbij hij zichzelf aan ernstig gevaar heeft blootgesteld. Dit levert reeds een dringende reden op in de zin der wet voor ontslag op staande voet, waardoor van ICP niet kon worden gevergd om de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Het is derhalve niet relevant of [eiser] ook anderen dan hemzelf aan gevaar heeft blootgesteld. 5.6. Wanneer deze dringende reden vervolgens wordt afgewogen tegen de door [eiser] genoemdeomstandigheden van het geval, was onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst naar voorlopig oordeel nog steeds gerechtvaardigd en behoefde ICP niet met een minder vergaande sanctie te volstaan. Ook al had ICP een collega moeten meesturen die de schoonmaakwerkzaamheden in het reactorvat afwisselend met [eiser] had kunnen doen, dan nog onthief het nalaten daarvan door ICP [eiser] geenszins van zijn verplichting om zich met valbeveiliging uit te rusten bij het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden in het reactorvat. Datzelfde geldt voor het (eventueel) – partijen twisten erover of zulks noodzakelijk was – niet meer in bezit zijn van een geldig ademluchtcertificaat bij het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden in het reactorvat. Of een vernieuwd certificaat nu wel of niet vereist was, ook dan had [eiser] zich nog steeds met valbeveiliging moeten uitrusten bij het uitvoeren van de werkzaamheden in het reactorvat. Anders gezegd: [eiser] kan zich in de gegeven omstandigheden, waarbij hij – ondankswaarschuwing – zich niet heeft gehouden aan een essentieel veiligheidsvoorschrift niet vrijpleiten door te wijzen op tekortkomingen zijdens ICP. 5.7. Een en ander overziende, is de kantonrechter van oordeel dat het door ICP gegeven ontslag op staande voet voorshands als rechtsgeldig dient te worden aangemerkt. Dat brengt mee dat de door [eiser] ingestelde vorderingen zullen worden afgewezen. 5.8. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van ICP worden vastgesteld op nihil, nu ICP zich niet heeft laten bijstaan door een (professionele) rechtshulpverlener en ook overigens niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten aan de zijde van ICP. Beslissing De kantonrechter, rechtdoende in kort geding: 1. wijst de vorderingen af; 2. veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van ICP vastgesteld op nihil. Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2012 in tegenwoordigheid van de griffier. c 119

  • LJN BW9939, Rechtbank 's-Gravenhage, 10/756133-07
    Datum uitspraak: 28-06-2012 Datum publicatie: 29-06-2012 Rechtsgebied: Straf Soort procedure: Eerste aanleg – meervoudig Zaaknummers: 10/756133-07 Inhoudsindicatie: Overtreding van artikel 10, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet , begaan door een rechtspersoon. Ten laste van de verdachte vennootschap is bewezen verklaard dat door het niet nemen van doeltreffende maatregelen ter voorkoming van gevaar een bemanningslid dat op het schip […] werkzaamheden verrichtte, te weten het plaatsen van twistlocks op containers, is komen te overlijden. Het bemanningslid is bekneld geraakt tussen eenreeds op het schip geplaatste container en een container die met behulp van een spreader vanaf de kade door een werknemer van de verdachte vennootschap werd opgetild en geplaatst op de reeds aanwezige container.
     ROTTERDAM ZITTING HOUDENDE TE 'S-GRAVENHAGE Sector strafrecht Meervoudige economische kamer Parketnummer: 10/756133-07 Datum uitspraak: 28 juni 2012 (Verkort vonnis) De rechtbank Rotterdam, zitting houdende te 's-Gravenhage, rechtdoende in economische strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte vennootschap: [verdachte vennootschap], gevestigd: [adres] De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 26 maart 2008 en 14 juni 2012. De verdachte vennootschap is ter terechtzitting vertegenwoordigd door [X], geboren op [geboortedatum] 1961 en domiciliekiezende te Rotterdam, zijnde Manager Algemene Zaken van de verdachte vennootschap. De vertegenwoordiger van de verdachte vennootschap, bijgestaan door de raadslieden mr. P.F.W.A. van Dam en mr. H.W.A.A. de Jong, advocaten te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser heeft gevorderd dat de verdachte vennootschap terzake van het haar bij gewijzigde dagvaardingtenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van€ 15.000,–. De tenlastelegging. Aan de verdachte vennootschap is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 21 januari 2007 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland, als werkgever/werkgeefster, terwijl bij en/of in rechtstreeks verband met de arbeid, te weten het laden en/of lossen van een of meer container(s) op/van zeeschepen, die verdachte, als werkgever/werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en/of inrichting, en/of in de onmiddellijke omgeving daarvan, te weten op en/of vanaf en/of naast de kade van [verdachte vennootschap] [adres], alwaar het schip "[naam schip]" afgemeerd lag, gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor bemanningsleden van (die) zeeschepen, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar, immers heeft zij, verdachte, werkzaamhedenlaten uitvoeren, bestaande uit het vanaf de kade met een containerbrugkraan (12) laden van een of meer 45ft-container(s) op bay 17 van het schip "[naam schip]" en – waren geen, althans onvoldoende doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat een of meer perso(o)n(en) zich onder en/of in de nabijheid van (een) container(s), die op dat schip werd(en) geladen, kon(den) bevinden en/of – werd met die containerbrugkraan (een van) die container(s) verplaatst naar en/of geplaatst in bay 17, terwijl zichin bay 17 een of meer perso(o)n(en) kon(den) bevinden en/of – waren geen, althans onvoldoende doeltreffende maatregelen genomen om te voorkomen dat de zogenaamde pinbox, waarin een of meer perso(o)n(en) aanwezig kon(den) zijn, zich bevond in bay 17, terwijl in die bay (een van) die container(s) werd(en) geladen en/of – was niet voorzien in rechtstreekse en/of doeltreffende communicatie tussen de perso(o)n(en) die zich in bay 17 en/of in die zogenaamde pinbox kon(den) bevinden en de bestuurder van die containerbrugkraan en/of – was vanuit die containerbrugkraan onvoldoende zicht op de plaats in bay 17 waar (een van) die container(s) geplaatst werd(en), als gevolg waarvan – terwijl onder leiding van verdachte werkzaamheden werden uitgevoerd – – een derde, zijnde [slachtoffer], zich als bemanningslid in bay 17 van het schip "[naam schip]" bevond, terwijl daar een 45ft-container werd geplaatst en/of – (vervolgens) toen die/een container geplaatst werd, die [slachtoffer] zich onder die container bevond en/of onder die container bekneld is geraakt en/of tussen die container en de daarnaast staande container bekneld is geraakt, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden; (artikel 10 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet) De bewijsmiddelen. De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte vennootschap het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht. De bewezenverklaring. Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vennootschaphet op de dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht – zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte vennootschap niet in haar verdediging is geschaad – de inhoud van de tenlastelegging, zoals hieronder weergegeven, te weten dat: zij op 21 januari 2007 te Rotterdam als werkgeefster, terwijl bij en/of in rechtstreeks verband met de arbeid, te weten het laden van containers op zeeschepen, die verdachte, als werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en in de onmiddellijke omgeving daarvan, te weten op en vanaf de kade van [verdachte vennootschap] [adres], alwaar het schip "[naam schip]" afgemeerd lag, gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor bemanningsleden van dat zeeschip, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar, immers heeft zij, verdachte, werkzaamheden laten uitvoeren, bestaande uit het vanaf de kade met een containerbrugkraan (12) laden van 45ft-containers op bay 17 van het schip "[naam schip]" en was vanuit die containerbrugkraan onvoldoende zicht op de plaats in bay 17 waar een van die containers geplaatst werd. Nadere bewijsmotivering. Namens de verdachte vennootschap is aangevoerd dat op basis van artikel 16 lid 4 sub a van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 juncto artikel 1.19 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet niet geldt aan boord van zeeschepen, zoals in dit geval de [naam schip]. In artikel 1.19 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt de Arbeidsomstandighedenwet immers uitgesloten voor arbeid verricht in dan wel op een zeeschip met een buitenlandse vlag. Voorts wordt in artikel 1.19 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de Arbeidsomstandighedenwet uitgesloten voor laad- en losarbeid verricht door een werknemer die behoort totde bemanning van een zeeschip met een buitenlandse vlag. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu in casu het laatste geval aan de orde is en de Arbeidsomstandighedenwet dus niet van toepassing is, de verdachte vennootschap moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar betoog en overweegt hiertoe dat de Arbeidsomstandighedenwet, daaronder begrepen de daarop gebaseerde regelgeving, tot doel heeft te zorgen voor een acceptabel niveau van arbeidsomstandigheden en veiligheid in en rond de bedrijven. De wet richt zich (mede) op de plicht van de werkgever om te zorgen voor een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid, de veiligheid daaronder begrepen. In dit geval richt de wet zich tot de verdachte vennootschap en niet tot het in de Rotterdamse haven onder buitenlandse vlag aangemeerde schip [naam schip] c.q. de eigenaar daarvan. Derhalve dient de verdachte vennootschap – daargelaten de vraag of de wet van toepassing is ten aanzien van het schip [naam schip] (en haar bemanning) – op grond van artikel 10 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 doeltreffende maatregelen te treffen ter voorkoming van gevaar, dat in het kader van de te verrichten werkzaamheden voor derden kan ontstaan. Voorts is door de verdediging – onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting en de rechtspraak – betoogd dat het slachtoffer [slachtoffer] niet beschouwd kan worden als "een andere persoon dan de werknemer" als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Deze bepaling strekt zich immers slechts uit tot zogenoemde derden, zoals bezoekers of voorbijgangers. Daarbij zijn er aanwijzingen dat het niet de bedoeling is geweest van de wetgever om personen als het slachtoffer de bescherming van voornoemd artikel te bieden, nu de wetgever juist bemanningsleden van buitenlandse schepen heeft willen uitzonderen van de bescherming van de Arbeidsomstandighedenwet voor wat betreft hun laad- en loswerkzaamheden. Voorts vond het ongeval buiten het bedrijfsterrein van de verdachte vennootschap plaats en niet in de omgeving daarvan in de zin van voornoemd artikel. De verdachte vennootschap had op het schip helemaal geen zeggenschap, aldus de verdediging. De rechtbank is van oordeel dat het slachtoffer in casu wel kan gelden als "een andere persoon dan de werknemer" zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Vaststaat dat het slachtoffer niet krachtens arbeidsovereenkomstofpubliekrechtelijke aanstelling dan wel onder gezag van de verdachte vennootschap als werknemer arbeid verrichtte. Dit betekent dat hij ten opzichte van de verdachte vennootschap geen werknemer was in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Duidelijke aanwijzingen die erop duiden dat in het onderhavige geval in het kader van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 niet zou moeten worden uitgegaan van het begrip "een andere persoon dan de werknemer" heeft de rechtbank echter niet aangetroffen.Weliswaar noemen zowel de Memorie van Toelichting als de Nota naar aanleiding van het verslag bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 bezoekers en voorbijgangers als personen ten aanzien waarvan de betreffende veiligheidsnorm zich bij uitstek uitstrekt. Het betreft hier echter geen limitatieve opsomming. Blijkens de wetsgeschiedenis staan in de Arbeidsomstandighedenwet de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van werknemers in verband met de arbeid centraal, doch worden tevens de veiligheiden gezondheid van derden in dat verband zonder enige twijfel mede in ogenschouw genomen. Het ligt derhalve niet in de rede dat het slachtoffer, niet zijnde een werknemer van de verdachte vennootschap, maar wel werkzaam op het schip dat lag afgemeerd aan de kade van die vennootschap en op welk schip de verdachte vennootschap haar werknemers werkzaamheden deed verrichten, niet onder de bescherming van voornoemde wet zou vallen. Bovendien kan naar het oordeel van de rechtbank het laden van containers op eenschip door de werknemers van de verdachte vennootschap vanaf de kade van het bedrijf van de verdachte vennootschap worden aangemerkt als arbeid die wordt verricht in een bedrijf en in de onmiddellijke omgeving daarvan, zoals bedoeld in artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank tevens in aanmerking te worden genomen dat de onderhavige werkzaamheden onderdeel uitmaken van de "core business" van de verdachte vennootschap. De verdachte vennootschap is derhalve verplicht om doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming van gevaar voor de gezondheid en veiligheid van personen, zoals het slachtoffer, die zich op het schip in de directe omgeving van het bedrijf, namelijk afgemeerd aan de kade van het bedrijf van de verdachte vennootschap, bevinden, indien daar door werknemers van de verdachte vennootschap werkzaamheden worden verricht. Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte vennootschap alle veiligheidsmaatregelen heeft getroffen dievan haar onder de gegeven omstandigheden mochten worden verwacht en dat deze maatregelen wel degelijk doeltreffend en adequaat waren, mits die maatregelen ook zouden zijn nageleefd door het slachtoffer. De verdediging heeft derhalve vrijspraak bepleit. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. Voorop staat dat op en in de omgeving van een containerschip altijd gevaar te duchten is in verband met laden, lossen en overige verkeersbewegingen van containers in combinatie met de opde schepen aanwezige en werkzame bemanningsleden. Aan alle leidinggevenden van een containerschip wordt voor aanvang van de werkzaamheden van de bemanningsleden op het schip door de verdachte vennootschap een zogenaamde Safety Procedure uitgereikt, waarop een aantal op te volgen veiligheidsvoorschriften voor de bemanningsleden staat vermeld en waarop de bemanningsleden door de leidinggevenden van het containerschip dienen te worden gewezen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat deze werkinstructie ook ziet op een situatie zoals die zich op 21 januari 2007 heeft voorgedaan. Vaststaat dat het slachtoffer [slachtoffer] zich op 21 januari 2007 bovenop een container van de derde laag in bay 17 van het in Rotterdam bij de verdachte vennootschap afgemeerde containerschip [naam schip] bevond. Bay 17, waar op dat moment door werknemers van de verdachte vennootschap containers werden geladen, was ten tijde van het ongeval uitgerust met een zogenoemde pinbox, welke een aangewezenruimte is waar bemanningsleden van het containerschip veilig kunnen verblijven tijdens het laden en lossen van de containers. De pinbox bevond zich op een locatie gelegen tussen een reeds op de – vanuit het zicht van de kraanmachinist – buitenste rij van de derde laag geplaatste container en het kraanhuis en op korte afstand van die reeds geplaatste container. Het slachtoffer heeft zich buiten de op bay 17 geplaatste pinbox begeven, nadat op de betreffende bay de eerste container van de volgende, vierde laag op de derde laag was geplaatst en voordat de tweede container van de vierde laag op de derde laag zou worden geplaatst. Aannemelijk is dat het slachtoffer [slachtoffer] de zogenoemde twistlocks, waarmee de containers aan elkaar worden bevestigd en zeevast worden gezet, wilde plaatsen dan wel deze wilde controleren. Met een hijskraan, bestuurd door een werknemer van de verdachte vennootschap, werd de tweede te plaatsen container met behulp van een spreader van de grond opgetild en diagonaal verplaatst.Vanwege het feit dat een hoge (in casu de vierde) laag, moest worden geladen, hing de containerlast op geringe afstand onder de kraancabine waarin de kraanmachinist zich bevond, waardoor het zicht achter en onder de containerlast werd beperkt. De te plaatsen container werd vervolgens in bay 17 – over de in diezelfde bay gesitueerde pinbox heen – neergezet op het dak van de container waarop achteraf het slachtoffer zich bleek te bevinden. Als gevolg van deze handeling is het slachtoffer bekneld geraakt tussen de container waarop hij zich bevond en de neerwaarts bewegende container in de spreader, waardoor hij is doodgedrukt. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], allen werkzaam als kraanmachinist voor de verdachte vennootschap, komt naar voren dat containers altijd vanaf de kade gezien van buiten naar binnen in de bay worden geplaatst, omdat de kraanmachinist anders niet goed kan zienwat er achter de geplaatste containers gebeurt. Het deed zich weleens voor dat er werd geladen in de bay waar de pinbox stond. Bovendien gebeurde en gebeurt, aangezien daartoe geen andere mogelijkheid bestaat, het laden van de laatste laag in dezelfde bay als waar de pinbox staat. Nadat de twistlocks door het bemanningslid op het dak van de containers zijn uitgelegd, dient het bemanningslid in de pinbox plaats te nemen en daar voor zijn eigen veiligheid te blijven als er wordt geladen. Voorts is uit de getuigenverklaringen naar voren gekomen dat het soms voorkwam dat onervaren bemanningsledenonder de lading doorliepen of dat zij de twistlocks verkeerd uitlegden. De door de verdediging ter onderbouwing van haar standpunt naar voren gebrachte argumenten dat de kraanmachinist van de verdachte vennootschap erop mocht vertrouwen dat, juist vanwege het aan een kraanconstructie inherente gebrek aan voortdurend onbeperkt zicht, het slachtoffer zich in overeenstemming met de veiligheidsinstructies gedurende het laadproces in de pinbox had moeten ophouden en zich had moeten houden aan het absolute verbod om zich onder een container te bevinden, zijn naar het oordeel van de rechtbank zeker in het licht van voornoemde getuigenverklaringen niet redengevend voor het wegnemen van de strafrechtelijke verwijtbaarheid van de verdachte vennootschap. De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de verdachte vennootschap een concrete instructie voor haar werknemers ter beschikking heeft, waaruit volgt dat de pinbox vanuit veiligheidsoogpunt op een bepaalde locatie dient te worden geplaatst. Er ontbrak een daartoe aangewezen en voorgeschreven plek voor de pinbox, opdat de kraanmachinisten vanuit de containerbrugkraan voldoende zicht hebben op de plaats waar de containers worden geplaatst en de containers op een veilige manier – volgens eigen methode – van buiten naar binnen op het schip kunnen worden geladen. Dientengevolge heeft de verdachte vennootschap de situatie in het leven geroepen c.q. in stand gehouden dat het zicht van kraanmachinisten vanuit de containerbrugkraan tijdens het laadproces (van een hoge laag) onder omstandigheden ernstig kan worden belemmerd. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat het voorkomt dat in dezelfde bay wordt geladen als waar de pinbox staat. Ook zijn er wel eens onervaren of misschien onvoorzichtige bemanningsleden die in strijd met de veiligheidsinstructies onder een lading doorlopen. Juist omdat er altijd momenten zullen zijn dat het zicht voor de kraanmachinist wordt beperkt, dienen er veiligheidsvoorschriften in het leven te worden geroepen die ervoor zorgen dat gevaar in dit verband zo veel mogelijk wordt ondervangen. Er dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheden dat de weersomstandigheden slecht kunnen zijn, dat het een nieuw schip met onervaren bemanningsleden betreft en met het gegeven dat iemand soms onbegrijpelijke, onzorgvuldige of onverhoedse handelingen kan verrichten en zich derhalve op gevaarlijke verboden plaatsen kan bevinden. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat een bemanningslid zich buiten de pinbox in de bay kan bevinden, terwijl er in die bay wordt geladen en er – mede door de plaats van die pinbox – onvoldoende zicht op de plaats is waar een container dient te worden geplaatst. Aangezien in de onderhavige situatie de pinbox op een dusdanige wijze was geplaatst dat voor de kraanmachinist het zicht op de plek waar de container geplaatst diende te worden en waar het slachtoffer [slachtoffer] bekneld is geraakt, werd beperkt en er geen doeltreffende maatregelen zijn genomen om een dergelijke gevaarlijke situatie te voorkomen, staat – zelfs al zou sprake zijn van enige vorm van eigen schuld van het slachtoffer – de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte vennootschap voor het ten laste legde handelen naar het oordeel van de rechtbank dan ook vast. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen ten laste is gelegd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte vennootschap. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte vennootschap is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden. Strafmotivering. Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de omstandigheden van de verdachte vennootschap, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte vennootschap is bewezen verklaard dat door het niet nemen van doeltreffende maatregelen ter voorkoming van gevaar een bemanningslid dat in dienst van het bedrijf [bedrijf] op het schip [naam schip] werkzaamheden verrichtte, te weten het plaatsen van twistlocks op containers, is komen te overlijden. Het bemanningslid is bekneld geraakt tussen een reeds op het schip geplaatste container en een container die met behulp van een spreader vanaf de kade door een werknemer van de verdachte vennootschap werd opgetild en geplaatst op de reeds aanwezige container. Een werkgever is verplicht om de omstandigheden in en in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf voor zowel eigen werknemers als ook voor anderen die op of in de omgeving van het bedrijfsterrein komen om werkzaamheden te verrichten, zo veilig mogelijk te maken. Werknemers van zowel de eigen onderneming als werknemers van andere bedrijven moeten er op kunnen vertrouwen dat in alle omstandigheden afdoende maatregelen zijn genomen om hun veiligheid en welzijn in verband met de arbeid te waarborgen. Dit staat los van de eigen verantwoordelijkheid die werknemers en derden hebben op het gebied van de (eigen) veiligheid. De verdachte vennootschap heeft in casu onvoldoende maatregelen genomen om de veiligheid van de in de omgeving van het bedrijfsterrein aanwezige personen te waarborgen en de rechtbank rekent dit de verdachte vennootschap zeer aan. Tevens rekent de rechtbank het de verdachte vennootschap aan dat eerder plaatsgevonden bedrijfsongevallen waaruit letsel bij derden voortvloeide, kennelijk onvoldoende aanleiding zijn geweest om adequate maatregelen te treffen op het gebied van veilige werkomstandigheden. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is derhalve in het nadeel van de verdachte vennootschap in aanmerking genomen dat zij blijkens het op haar naam gesteld uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 12 juni 2012 reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en zij, op het moment dat het strafbare feit zich voordeed, nog in een proeftijd liep van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank overweegt evenwel dat het bewezen verklaarde feit een oud feit betreft en dat de verdachte vennootschap – gelet op de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte vennootschap – sinds het voorval verschillende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van een dergelijk tragisch ongeval in de toekomst. De regels zijn immers aangescherpt, aangezien de containers niet meer (diagonaal) mogen worden geladen in de bay waar de pinbox staat, de bemanningsleden van het containerschip een noodknop ter beschikking hebben en er camera's op het kraanhuis – vanuit het zicht van de kraanmachinist – achter de containerlast zijn geplaatst. Voorts neem de rechtbank op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking dat het feit waarvoor de verdachte vennootschap wordt veroordeeld dateert van voor de veroordeling door de rechtbank te Rotterdam van 9 april 2008. Alles afwegende wordt de door de officier van justitie geëiste geldboete passend en geboden geacht. De toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: – 23, 24, 51 en 63 van het Wetboek van Strafrecht ; – 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten; – 10 van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. Beslissing. De rechtbank, verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte vennootschap het bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 10, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet , begaan door een rechtspersoon; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte vennootschap deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte vennootschap meer of anders is ten lastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte vennootschap daarvan vrij; veroordeelt de verdachte vennootschap tot: een geldboete van € 15.000,– (zegge: VIJFTIENDUIZEND euro). Dit vonnis is gewezen door mrs V.F. Milders, voorzitter, V.J. de Haan en E.C.M. Bouman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juni 2012. Mr. Milders en mr. Bouman zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

  • LJN: BW8434, Rechtbank Dordrecht , AWB 11/949 Print uitspraak

    Datum uitspraak: 12-06-2012
    Datum publicatie: 14-06-2012
    Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
    Soort procedure: Eerste aanleg – meervoudig
    Inhoudsindicatie: Arbowet. Bedrijfsongeval. Matiging boete. Een metalen strip die met een bovenloopkraan door een bedrijfsruimte wordt vervoerd valt, waarbij een werknemer letsel oploopt. Uit het oogpunt van inventarisatie als bedoeld in het vierde lid, onder b, 1e, van Beleidsregel 33 veranderen de aan het vervoer met een bovenloopkraan verbonden risico’s niet bij het vervoer van verschillende materialen, evenmin als de op grond daarvan te nemen maatregelen naar hun aard daardoor veranderen. Eiseres stelt zich terecht op het standpunt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden voor deze eerste factor voor verlaging van de boete. In die situatie komt het in beginsel voor risico van verweerder indien hij in het primaire besluit en het bestreden besluit niet subsidiair is ingegaan op feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de tweede en derde factor voor verlaging van de boete volgens Beleidsregel 33. In dit geval is er echter geen aanleiding voor verdere verlaging van de boete, omdat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de stelling van eiseres dat ook is voldaan aan de tweede verlagingsfactor.
    Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    RECHTBANK DORDRECHT
    Sector Bestuursrecht

    procedurenummer: AWB 11/949

    uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

    in het geding tussen

    Van de Grijp Buizen B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
    gemachtigde: mr. G. Bloem, advocaat te Zoetermeer,

    en

    De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,
    gemachtigde drs. R.N. Ramsoedh, werkzaam bij verweerder.

    1. Ontstaan en loop van het geding

    Verweerder heeft bij besluit van 16 februari 2011 aan eiseres een boete van € 9.000,00 opgelegd wegens het niet naleven van artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit).

    Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 maart 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

    Bij besluit van 8 juli 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

    Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 22 juli 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

    De zaak is op 18 januari 2012 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.
    Eiseres is ter zitting verschenen, vertegenwoordigd door haar directeur [naam A] en bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam B], [naam C], en [naam D]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

    2. Overwegingen

    2.1. Het wettelijk kader
    2.1.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) legt de werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van werknemers.

    Ingevolge artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, voor zover van belang, zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden, vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur, voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

    Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Ter zake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

    2.1.2. De voorschriften en verboden als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Arbowet zijn vastgelegd in het Arbobesluit.

    Ingevolge artikel 3.17 van het Arbobesluit, zoals dit luidde ten tijde in geding en voor zover thans van belang, wordt het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, voorkomen en indien dat niet mogelijk is zo veel mogelijk beperkt.

    Ingevolge artikel 9.1 van het Arbobesluit dient de werkgever hetgeen is bepaald in artikel 3.17 na te leven.

    Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.17 van het Arbobesluit.

    2.1.3. Bij de uitvoering van de bij of krachtens de Arbowet vastgestelde regels past de minister de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregels) toe.
    Volgens het vierde lid, onder b, van Beleidsregel 33, zoals dat gold ten tijde in geding en voor zover van belang, kunnen één of meer factoren aan de orde zijn die achtereenvolgens leiden tot verlaging van het normbedrag:
    1e. Indien de werkgever aantoont dat hij de risico's van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.
    2e. Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.
    3e. Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd. In het achtste lid van Beleidsregel 33 is tot uitdrukking gebracht dat de hoogte van de boete afhankelijk is van de aard van het letsel, de categorie-indeling van het beboetbare feit en het aantal werknemers van het bedrijf.

    2.2. Het bestreden besluit
    Verweerder handhaaft in het bestreden besluit het standpunt dat eiseres haar verplichting als bedoeld in artikel 3.17 van het Arbobesluit dat het gevaar om te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dient te voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk te beperken, niet heeft nageleefd. Verweerder stelt dat de oorzaak waardoor de strip uit de platenklemmen kon vallen was gelegen in een combinatie van een aantal factoren. Als eerste was er sprake van een lange, smalle en relatief lichte last. Door de lengte boog de strip door aan de uiteinden, waardoor de strip in het midden bij de platenklemmen bol stond. Door het relatief lage gewicht van de strip was de klemkracht van de platenklemmen relatief laag. Ten tweede was er gevaar aanwezig, omdat de strip tegen de pers en de buizen kon botsen, omdat de doorgang smaller was dan de lengte van de strip. Ten derde bevond het slachtoffer zich in de directe nabijheid van de strip, waardoor het gevaar bestond dat hij geraakt kon worden door de vallende strip. Eiseres heeft naar de opvatting van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de overtreding haar niet te verwijten valt. Verweerder wijst er op dat het hijsen en transporteren van (lange) strips niet specifiek in de risico-inventarisatie wordt genoemd. Uit het boeterapport blijkt evenmin dat de risico's van deze werkzaamheden waren geïnventariseerd. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij de nodige maatregelen had genomen om te voorkomen dat de strip zou vallen. Evenmin is gebleken dat eiseres een veilige werkwijze heeft ontwikkeld. Het feit dat een veiligheidsdeskundige geen onveilige situatie heeft geconstateerd kan niet als een verzachtende omstandigheid worden aangemerkt. Om die reden ziet verweerder, gelet op zijn beleid, geen aanleiding om de boete te matigen. Van vooringenomenheid aan de zijde van de Arbeidsinspectie en de boeteoplegger is naar de mening van verweerder geen sprake. Verweerder wijst er op dat de reconstructie zoals deze door de inspecteur is uitgevoerd niet overeenkomt met de situatie ten tijde van het ongeval. Verweerder meent ten slotte dat er geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die reden zijn om van de in de beleidsregel bepaalde hoogte van de boete af te wijken.

    2.3. De gronden van beroep
    Eiseres meent dat het ongeval een ongelukkig incident is geweest dat niet te voorzien was en niet vanzelfsprekend een gevaar oplevert in de zin van artikel 3.17 van het Arbobesluit. Haar Risico Inventarisatie & Evaluatie (hierna: risico-inventarisatie) is opgesteld volgens het model van MKB/TNO en extern getoetst door een deskundige van "5xbeter". Deze risico-evaluatie voldoet naar de mening van eiseres aan de wettelijke eisen. Eiseres overlegt in dit kader een verklaring van [naam D], veiligheidsdeskundige, van 30 augustus 2011. Daarbij voert eiseres verder aan dat zij bij de uitleg die verweerder thans volgt nooit kan weten of zij voldoende heeft gedaan om overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit te voorkomen, althans voldoende om een beroep te kunnen doen op de boeteverlaging volgens het vierde lid, onder b, van Beleidsregel 33. Uit de reconstructie van de arbeidsinspectie blijkt verder dat er veilig wordt gehesen door eiseres. Bij de reconstructie had eenzelfde strip als ten tijde van het ongeval gebruikt kunnen worden. Eiseres komt tot de conclusie dat verwijtbaarheid ontbreekt nu aan alle vereisten van beleidsregels 33 is voldaan. Naar de opvatting van eiseres zijn de hijsinstructies aantoonbaar gegeven en verstrekt. Verder heeft eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het fair playbeginsel wegens vooringenomenheid van de arbeidsinspecteur Chr. F. Bremmer.

    2.4. Het oordeel van de rechtbank

    2.4.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 31 augustus 2010 heeft in de bedrijfshal van eiseres in [vestigingsplaats] een bedrijfsongeval plaatsgevonden (hierna: het bedrijfsongeval). Bij het verplaatsen van een stalen strip is de heer [naam E], een werknemer van eiseres (hierna: betrokkene) zodanig gewond geraakt dat hij ter observatie of behandeling moest worden opgenomen in het ziekenhuis. De stalen strip was zes meter lang, veertien centimeter breed, vijftien millimeter dik en woog omstreeks honderd kilogram. Bij het verplaatsen van de stalen strip maakte betrokkene gebruik van een bovenloopkraan, een ketting 2-sprong en twee horizontale platenklemmen. De platenklemmen waren bevestigd aan de uiteinden van de kettingen van de 2-sprong. Betrokkene had de platenklemmen zoveel mogelijk in het midden van de strip bevestigd. Aan iedere zijde van de strip één klem. Omdat de stalen strip onvoldoende breed was om de klemmen exact tegenover elkaar te kunnen plaatsen, heeft hij de klemmen op geringe afstand van elkaar op de strip bevestigd. Vervolgens heeft hij de kraan bediend met de afstandbediening en de strip gehesen. Toen de strip van de grond was, bogen de uiteinden van de strip 50 tot 80 centimeter door naar beneden. Daardoor stond het midden van de strip enigszins bol. Daarna moest hij de strip naar wals nr. 10.308 brengen. Op weg naar die wals moest hij met de strip een 300-tons pers passeren. Naast die pers stonden buizen op de vloer. De doorgang tussen de pers en de buizen bedroeg ongeveer drie meter. Betrokkene moest de strip circa zeventig graden draaien om voorbij de pers en de buizen te komen. Nadat tijdens het manoeuvreren de strip vrijwel gelijktijdig zowel tegen de pers als één van de buizen botste, viel de strip uit de platenklemmen en werd de linkervoet van betrokkene geraakt door de strip.

    2.4.2. Gezien deze feiten en omstandigheden stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres artikel 3.17 van het Arbobesluit heeft overtreden. Deze bepaling tendeert naar een risico-aansprakelijkheid in het licht van de geobjectiveerde redactie van de zinsnede in het criterium "het gevaar (…) wordt voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, zo veel mogelijk beperkt". Dit spreekt temeer gelet op de reikwijdte van deze bepaling volgens de Nota van Toelichting bij het huidige artikel 3.17 van het Arbobesluit (Stb. 2004, 69, p. 32), gelezen in samenhang met de Nota van Toelichting bij het Arbobesluit (stb. 1997, 60, p. 103). Volgens deze laatste toelichting is in artikel 3.17 een groot aantal situaties ondervangen. "Dat deze gebeurtenissen gevaarlijk zijn, vindt zijn oorsprong in het onverwachte en het ongewilde van de gebeurtenis. Daarop ligt ook het accent in dit artikel. Ook een uitgebreide opsomming van ongewilde bewegingen zal toch steeds een onvolledigheid van de mogelijke concrete gevaren betekenen". Volgens de toelichting bij het huidige artikel 3.17 is de formulering verruimd "omdat in de praktijk is gebleken dat twijfel zou kunnen bestaan of bepaalde gevaarsituaties, zoals knelgevaar als gevolg van (gewild) in beweging gezette onderdelen of producten, onder dit of enig ander artikel van het Arbobesluit zouden vallen en dus niet aangepakt zouden kunnen worden. Het artikel is zodanig gewijzigd dat dit voortaan betrekking heeft op alle gevallen waarin het gevaar bestaat te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, (…)." Bij de vraag of deze bepaling is overtreden speelt derhalve in beginsel geen rol of het bedrijfsongeval verwijtbaar is aan eiseres. Feiten of omstandigheden waarom het bedrijfsongeval in weerwil van deze strekking van artikel 3.17 van het Arbobesluit geen overtreding zou opleveren, zijn gesteld noch gebleken.

    Gelet op het voorgaande is verweerder bevoegd aan eiseres een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit. Daarbij dient verweerder volgens inmiddels vaste jurisprudentie zijn door hem in redelijkheid vastgestelde beleidsregels omtrent het bepalen van de hoogte van de boete als uitgangspunt te nemen.

    2.4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de berekening van het bedrag van de opgelegde boete van € 9000,- in overeenstemming is met die beleidsregels. Eiseres stelt zich evenwel terecht op het standpunt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden voor matiging van deze boete volgens het vierde lid, onder b, 1e van Beleidsregel 33. Het gaat om het risico dat materiaal dat met een bovenloopkraan door haar bedrijfsruimte wordt vervoerd valt, waarbij een werknemer letsel oploopt. De risicofactoren waardoor een dergelijke val kan worden veroorzaakt, voor zover van belang, zijn gelegen in de arbeidsmiddelen voor de bevestiging van het te vervoeren materiaal aan de bovenloopkraan in relatie tot de aard van het te vervoeren materiaal, in het risico dat het materiaal tijdens het transport ergens tegenaan botst, alsmede in de kundigheid van de werknemer die het te vervoeren materiaal aan de bovenloopkraan bevestigt en de kraan bedient.

    Eiseres heeft gelet op de door haar overgelegde documentatie over bevestigingsmiddelen aannemelijk gemaakt dat zij deugdelijke, voor de arbeid geschikte middelen ter beschikking heeft gesteld voor het vervoer van materialen met een bovenloopkraan. Volgens de verklaring van de veiligheidsdeskundige [naam D] van 30 augustus 2011is het toepassen van platenklemmen voor het verplaatsen van een metalen strip een juiste toepassing. Verweerder heeft dit ook niet betwist.
    Blijkens paragraaf 1.3.6 van de Risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: de risico-inventarisatie) van eiseres is ook het risico dat het vervoerde materiaal uit de bevestigings-middelen valt doordat het ergens tegenaan botst, onderkend en heeft eiseres met het oog daarop maatregelen getroffen (voldoende brede gangpaden). De opvatting van verweerder, stellende dat het vervoerde materiaal tegen een pers en een stapel buizen kon botsen omdat de doorgang smaller was dan de lengte van het vervoerde materiaal, gaat er aan voorbij dat de werknemer die de bovenloopkraan bedient het vervoerde materiaal door de doorgang dient te geleiden. Verweerder heeft niet betwist dat de doorgang van drie meter voldoende breed was om het met de bovenloopkraan vervoerde materiaal, met een lengte van zes meter, door die doorgang te kunnen geleiden.
    Blijkens paragraaf 2.2.4 van de risico-inventarisatie heeft eiseres voorts het risico onderkend van transport van materialen door ondeskundig personeel (afspraken over wie het materiaal in het bedrijf transporteert). Eiseres heeft ook aannemelijk gemaakt dat zij verder de in dit verband nodige maatregelen heeft getroffen in de vorm van onderwijs. Verweerder heeft niet betwist dat betrokkene een cursus veilig hijsen heeft gevolgd.

    Aan het voorgaande kan het standpunt van verweerder niet afdoen. Dit standpunt komt erop neer dat eiseres niet specifiek de risico's heeft geïnventariseerd van het transport met een bovenloopkraan van een metalen strip met een lengte van zes meter, een breedte van veertien centimeter, een dikte van vijftien millimeter en een gewicht van honderd kilogram, die met twee platenklemmen aan een bovenloopkraan is bevestigd en door een werknemer door een doorgang van drie meter tussen een stapel buizen en een pers wordt geleid, waarbij de strip vrijwel tegelijkertijd tegen die stapel buizen en de pers botst. De daaraan uit het oogpunt van inventarisatie verbonden risico's en de aard van de op grond daarvan te nemen maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onder b, 1e, van Beleidsregel 33, gelezen in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Arbowet zijn geen andere dan als hiervoor omschreven voor het vervoeren met een bovenloopkraan van materialen in het algemeen. Volgens de toelichting bij dit artikel ziet de risicio-inventarisatie op gevaren die onlosmakelijk verbonden zijn aan de aard van de werkzaamheden maar door het treffen van maatregelen wel kunnen worden beperkt (MvT, IIK 1997-1998, 25879, nr. 3). Het voorgaande spreekt te meer nu de inspecteur van de arbeidsinspectie het kennelijk nuttig vond het bedrijfsongeval te reconstrueren en de strip daarbij niet is gevallen. Juist is dat de daarbij gebruikte strip korter was maar, behoudens een andersluidende argumentatie die verweerder niet heeft gegeven, laat dit zich niet goed anders verklaren dan dat de inspecteur op het moment van de reconstructie kennelijk van opvatting was dat de lengte van de strip niet zo relevant was. Daarbij komt dat eiseres naar zij heeft verklaard nadien het bedrijfsongeval precies heeft gereconstrueerd en gefilmd, maar verweerder daar op voorhand iedere bewijskracht aan heeft ontzegd.

    Ter onderbouwing van zijn vorenbedoelde standpunt voert verweerder verder aan dat eiseres tijdens de hoorzitting heeft verwezen naar haar veiligheidsinstructie en power point presentaties, maar dat daaruit niet blijkt dat de risico's van het hijsen van platen en strippen waren geïnventariseerd. Zoals verweerders aanduiding ervan ook aangeeft betreft dit stuk geen inventarisatie van risico's maar een instructie voor het transporteren van de producten die veelal in het bedrijf van eiseres worden getransporteerd (verschillende soorten buizen). Een dergelijke instructie komt eerst aan de orde in het kader van de tweede, aanvullende factor voor verlaging van de boete met een derde als bedoeld in het vierde lid, onder b, 2e van Beleidsregel 33. Verweerders betoog miskent in die zin het cumulatieve karakter van de drie factoren voor verlaging van de boete volgens Beleidsregel 33. Het maken van een voldoende scherp onderscheid tussen die drie factoren is te meer van belang, nu artikel 3.17 van het Arbobesluit een zeer algemeen geformuleerd doelvoorschrift is en voor de vaststelling of deze bepaling is overtreden in beginsel geen rol speelt of de overtreding verweten kan worden. De vraag naar de verwijtbaarheid speelt alleen in het kader van vermindering van de op te leggen boete als punitieve sanctie in drie cumulatieve factoren van elk een derde gedeelte. Aldus bezien overschrijdt het standpunt van verweerder de grenzen van een redelijke uitleg van de eerste factor voor verlaging van de boete, mede gelet op het vereiste van lex certa en het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet daarop zal de rechtbank de aan eiseres opgelegde boete met een derde verlagen.

    2.4.4. De rechtbank ziet geen aanleiding de boete verder te verlagen in de omstandigheid dat verweerder om kennelijke redenen van efficiency in het primaire besluit en het bestreden besluit niet is ingegaan op feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de tweede en derde factor voor verlaging van de boete volgens het vierde lid, onder b, van Beleidsregel 33. Dit komt in beginsel voor zijn risico. Verweerder weet immers, althans behoort te weten, dat de rechtbank een geschil als het onderhavige finaal dient te beslechten. Daaruit volgt dat verweerder in beginsel gehouden is alle voor de tweede en derde factor relevante feiten en omstandigheden bij zijn primaire besluit en het besluit op bezwaar subsidiair te betrekken indien, zoals in deze zaak, verweerder van opvatting is dat reeds niet wordt voldaan aan de eerste factor voor verlaging. Door dit niet te doen onthoudt verweerder immers op voorhand ten aanzien van de tweede en derde verlagingsfactor een instantie aan eiseres, hetgeen in strijd moet worden geacht met het systeem van rechtsbescherming volgens de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Eiser heeft echter slechts gesteld te hebben voldaan aan de voorwaarden voor de factor voor verlaging van de boete volgens het vierde lid, onder b, 2e van Beleidsregel 33, maar daarvoor geen enkel concreet aanknopingspunt geboden. Niet is gebleken dat eiseres een schriftelijke instructie heeft voor het interne transport van een strip als aan de orde bij het bedrijfsongeval, welk materiaal wel vaker wordt getransporteerd, maar niet vaak (volgens de verklaring van de getuige [naam C]). Ook anderszins is niet van instructies voor het hijsen van strips gebleken. De verklaring van betrokkene behorende bij het ongevallenboeterapport komt er op neer, dat hij op basis van zijn scholing en ervaring zelfstandig de afweging heeft gemaakt welk van de beschikbare arbeidsmiddelen het meest geschikt was voor het transport van de strip en dat hij de platenklemmen in dit geval veiliger achtte dan de hijsmagneet.

    2.4.5. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding de boete verder te verlagen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er aan de zijde van de arbeidsinspecteur sprake is geweest van vooringenomenheid en evenmin onderbouwd, in welke zin zij daardoor in haar rechtspositie meent te zijn geschaad. Voorts heeft eiseres geen feiten of omstandigheden gesteld noch zijn deze anderszins gebleken, op grond waarvan de opgelegde boete, in overeenstemming met het vierde lid, onder b, 1e , van Beleidsregel 33 verminderd met een derde, jegens haar onevenredig is.

    2.4.6. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit komt in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

    De rechtbank zal gelet op de door de wetgever in artikel 8:72a, van de Awb aan de bestuursrechtsrechter gegeven opdracht, zelf in de zaak te voorzien en de boete bepalen op
    € 6000,-.

    Nu het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 302,- te voldoen.

    De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 874,- (1 punt voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres in beroep nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres heeft weliswaar op het formulier proceskosten een bedrag van € 302,- vermeld, maar dat bedrag ziet kennelijk op voormeld griffierecht ter hoogte van dat bedrag.

    Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

    3. Beslissing

    De rechtbank Dordrecht,

    – verklaart het beroep gegrond;

    – vernietigt het bestreden besluit;

    – bepaalt de boete op € 6000,- en herroept het primaire besluit voor zover daarbij een hogere boete aan eiseres is opgelegd;

    – bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

    – bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 302,- dient te vergoeden;

    – veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiseres.

    Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. P. Putters en C.F.J. de Jongh, leden, en door de voorzitter en mr. J.V. Baan-de Vries, griffier, ondertekend.

  • uitspraak
     
    RECHTBANK LEEUWARDEN
    Sector bestuursrecht
    procedurenummer:
    uitspraak van de enkelvoudige kamer van ……. als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
     
    ln het geding tussen
     
    Anoniem BV
     
    en
    De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
    verweerder.
     
    Procesverloop
    Bij besluit van “datum” heeft verweerder aan eiseres een boete van € …….. opgelegd wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van “datum” (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
    Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend.
    De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op “datum”. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer “Anoniem”, bijgestaan door voornoemd gemachtigde. Verweerder is zoals tevoren bericht niet verschenen.
    Motivering
    Het geschil
    1.1. Eiseres betoogt dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 16, tiende lid van de Arbeidsomstandighedenwet (de Arbowet). Eiseres verwijst daartoe naar het handboek "Richtlijn steigers" en stelt dat hel gebruik van een voorloopleuning geen verplichting is, zodat het gebruik van veiligheidsgordels afdoende is. Eiseres stelt verder dat het gebruik van voorloopleuningen gevaarlijke situaties creëert. Er bestaat voorts reden tot matiging van de boete nu, afgaand op de richtlijn steigers, onduidelijkheid bestaat over de verplichting van het gebruik van voorloopleuningen. Verweerder had de boete dan ook niet in redelijkheid mogen vermenigvuldigen met factor 2.
    1.2. Verweerder steil dat er sprake is van een overtreding van artikel 16, tiende lid van de Arbowet. Het was voor eiseres verplicht om voorloopleuningen te gebruiken. Hoewel de richtlijn steigers geen onderdeel is van de wet- en regelgeving, volgt ook uit die richtlijn dat het gebruik van collectieve maatregelen voor het gebruik van een individuele maatregel gaat. Verweerder stelt dat er geen redenen zijn voor matiging van de boete omdat de hoogte ervan in redelijkheid conform haar beleid is vastgesteld en er geen gronden zijn om daarvan af te wijken.
     
    Wettelijk kader
    2.1. Ingevolge artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet), voorzover thans van belang, zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden, vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur, voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.
    Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Ter zake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.
    2.2. Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) is bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat, zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door hel aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.
    In artikel 3.16, vierde lid, van het Arbobesluit, zoals dat gold ten tijde in geding, is bepaald dat indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maalregelen gericht op individuele bescherming.
    Ingevolge artikel 9.1 is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, met uitzondering van de artikelen 1.25, 2.6, 2.26 lot en met 2.29, 2.32 tot en met 2.34 en 7.21.
    Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit, voor zover van belang, wordt de handeling of het nalaten in strijd met die voorschriften als beboetbaar feit, ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt.
    2.3. Bij de toepassing van deze bepalingen hanteert de minster de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregels).
    In bijlage 1 van de Beleidsregels is bepaald dal bij een overtreding van artikel 3.16, eerste lid van hel Arbobesluit er een boetenormbedrag geldt van € …….
    Ingevolge het tweede lid, onder c, van beleidsregel 33, betalen werkgevers van bedrijven of instellingen met 10 tot en met 39 werknemers 30 procent van het uitgangspunt van het boetenormbedrag van bijlage 1.
    In het vierde lid, onder a van beleidsregel 33 is bepaald dat het normbedrag met twee wordt vermenigvuldigd in geval van ernstige overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven zoals genoemd in bijlage 2 van de Beleidsregels.
    In het vierde lid, onder b, onder l^ 2° en 3° van beleidsregel 33 is uiteengezet onder welke omstandigheden aanleiding bestaat de boete te matigen (hierna: de matigingsgronden).
    Onder \° is bepaald dat indien de werkgever aantoont dal hij de risico's van de
    werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft
    geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, de boete met een derde wordt gematigd.
    Volgens 2" wordt de boete met nog een derde gematigd indien de werkgever bovendien
    aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven.
    Ingevolge 3° wordt geen boete opgelegd indien de werkgever bovendien aantoont dat hij
    adequaat toezicht heeft gehouden.
    In het negende lid van beleidsregel 33 is bepaald dat geen boete wordt opgelegd indien de verwijtbaarheid ontbreekt.
     
    Beoordeling van het geschil
    3.1. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dal een door eiseres ingeleende werknemer op “datum” werkzaamheden heeft verricht op de derde slag van een steiger, waarbij de valhoogte ongeveer 9 meter bedroeg. Eveneens is niet in geschil dat er geen leuningen, hekwerken, steiger, stelling bordes, werkvloer of andere doelmatige voorzieningen ter voorkoming van valgevaar waren aangebracht. De ingeleende werknemer op de derde slag van de steiger droeg een niet-aangelijnde veiligheidsgordel. Aan de orde is of eiseres, al dan niet op grond van de richtlijn steigers, niet gehouden was voorloopleuningen aan te brengen op de steiger.
    3.2. De rechtbank constateert eerst dat de door eiseres aangehaalde richtlijn steigers onderdeel is van een handboek van de Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven. Dit handboek maakt echter geen onderdeel uit van de wet- en regelgeving behorend bij de Arbowet en het Arbobesluit, zodat aan het gestelde in die richtlijn geen overwegende betekenis toekomt.Dat hel handboek tot stand gekomen met medewerking van de Arbodienst maakt dit niet anders. Dat eiseres niet wist in hoeverre zij rechten aan hel handboek kon ontlenen, kan haar niet baten. Het mag tot de zorgplicht van eiseres als werkgever worden gerekend dat zij op de hoogte is van de relevante wet- en regelgeving met betrekking tot de veiligheid en gezondheid van werknemers. Overigens is de rechtbank van oordeel dat het beloog faalt van eiseres dat in de richtlijn steigers is bepaald dat eiseres een afweging mag maken in het achterwege van voorloopleuningen. Immers, zoals uit het verhandelde ter zitting en uit de stukken is gebleken, staat in de richtlijn dat alleen wanneer collectieve veiligheidsmaatregelen niet toegepast kunnen worden, het Arbobesluit de mogelijkheid biedt om persoonlijke beveiliging (harnasgordels) te gebruiken. Bij steigermontage is aangelijnd werken daarom de laatst te overwegen veiligheidsmaatregel.
    3.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het eiseres niet zonder meer vrijstond om voorloopleuningen achterwege te laten en enkel gebruik te maken van individuele veiligheidsmaatregelen, zoals veiligheidsgordels. Daartoe wordt overwogen dat in het vierde lid van artikel 3.16 van het Arbobesluit is bepaald dal veiligheidsgordels moeten worden toegepast indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien hel aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen. Maatregelen gericht op collectieve bescherming hebben daarbij voorrang boven de maatregelen gericht op individuele bescherming. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dal collectieve maatregelen als bedoeld in hel eerste lid eerst moeten worden toegepast en dat het gebruik van een veiligheidsgordel, als individuele veiligheidsmaatregel, daarna aan de orde komt. Door eiseres is niet aannemelijk gemaakt dat een voorloopleuning, een middel als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.16 van het Arbobesluit, niet kon worden aangebracht of dat het aanbrengen of wegnemen van een dergelijke voorloopleuning grotere gevaren met zich meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dien. De enkele stelling van eiseres dat voorloopleuningen niet altijd kunnen worden gebruikt bij steigers met een slag van 3 meter, is daartoe onvoldoende. Er is dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in het vierde lid van artikel 3.16 van het Arbobesluit. Verweerder heeft derhalve het ontbreken van een voorloopleuning terecht en op juiste gronden aangemerkt als een overtreding van artikel 3.16, eerste lid van het Arbobesluit.
    3.4. De rechtbank overweegt voorts dat de boete volgens verweerders beleid, gelet op het tweede lid, onder c, van de beleidsregel 33 en de bijlage 1, en het aantal werknemers van eiseres, in beginsel dertig procent van € …..en dus € ….. bedraagt. Verweerder heeft deze boete volgens haar beleid vermenigvuldigd met factor 2 nu volgens het vierde lid, onder a van beleidsregel 33 in een geval als het onderhavige het normbedrag met twee wordt vermenigvuldigd. De rechtbank oordeelt dat dit beleid niet onredelijk is.
    3.5. Aan de orde is of verweerder had moeten afzien van het opleggen van deze boete en zo nee, of verweerder de hoogte van deze boete had moeten matigen. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat volgens vaste jurisprudentie verweerder bij een overtreding van artikel 3.16 van het Arbobesluit van de verwijtbaarheid ervan mag uitgaan, tenzij de desbetreffende werkgever feiten en omstandigheden aannemelijk maakt die tot het oordeel leiden dat hem ter zake van de overtreding geen verwijt treft (ABRvS 9 februari 2005, LJN: AS5521 en 8 oktober 2008, LJN: BF7243). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar geen verwijt gemaakt kan worden ter zake van de overtreding. Voor het afzien van het opleggen van de boete bestond dus geen aanleiding.
    3.6. De rechtbank oordeelt verder dat eiseres evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder de boete had moeten matigen, in het licht van de matigingsgronden zoals neergelegd in het vierde lid van artikel 33 van de Beleidsregels. Niet is gebleken dat eiseres de aan de werkzaamheden van 25 januari 2011 verbonden risico's in kaart heeft gebracht en de nodige maatregelen heeft getroffen als bedoeld in artikel 16, eerste lid van het Arbobesluit. Reeds hierom, gelet op de cumulatieve opsomming van de matigingsgronden, bestond voor verweerder geen aanleiding om de boete te matigen. Dat eiseres in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat zij geen maalregelen als voorloopleuningen hoefde te treffen, is eveneens geen reden de boete te matigen. In rechtsoverweging 3.2. is reeds overwogen dat het tot de zorgplicht van eiseres als werkgever worden gerekend dat zij op de hoogte is van de relevante toepasselijke wet- en regelgeving.
    3.7. De rechtbank concludeert, gelet op het hiervoor overwogene, dat verweerder in navolging van zijn boetebeleid terecht en op juiste gronden eiseres een boete van € …… heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van de Arbowet. De rechtbank acht deze boete niet onevenredig, gelet op de aard en de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan eiseres kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd.
    4. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een
    proceskostenveroordeling.
     
    procedurenummer: anoniem, datum uitspraak: “datum”
    Beslissing
    De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
    Aldus gegeven door mr. anoniem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Anoniem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op “datum”.

  •  

    Werkgever aansprakelijk na scheerlijnval?
    laatste update: 7 mei, 2012  –  109 views
    7 mei 2012
    Is de werkgeefster aansprakelijk voor schade na val van een docente over een scheerlijn tijdens een introductiekamp van eerstejaarsstudenten?
    Op 4 april 2012 oordeelde de kantonrechter te Breda dat werkgeefster daarvoor niet aansprakelijk was. Er was sprake van een zogenaamd ‘huis-, tuin- en keukenongeval’.
    Feiten
    Werkneemster is sinds 1 augustus 2001 werkzaam bij werkgeefster als instructeur ICT en docente rekenen. Voor het schooljaar 2009-2010 heeft werkneemster het introductiekamp voor eerstejaarsstudenten begeleid. Het introductiekamp vond plaats op een kampeerboerderij.
    Beenwond en gebroken arm
    Werkneemster is op een gegeven moment ‘s nachts gestruikeld over een scheerlijn van een tent toen zij haar collega’s niet telefonisch kon bereiken, die in het ‘veld’ de studenten in de gaten hielden. Werkneemster was gewaarschuwd door de eigenaresse van de kampeerboerderij omdat een aantal studenten aan het roken waren bij de hooizolder. Bij haar val heeft werkneemster een wond aan haar linkerbeen opgelopen en een gebroken arm.
    Vordering werkneemster
    Werkneemster heeft werkgeefster aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 en 7:611 BW voor de door haar opgelopen schade, onder meer bestaande in een beperking in het strekvermogen van de rechterarm. Volgens werkneemster is werkgeefster aansprakelijk voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van dit bedrijfsongeval.
    Aansprakelijk
    Voorts zou de werkgeefster niet aan haar zorgplicht hebben voldaan, zowel op het punt van de inrichting en onderhoud van de werkplek van werkneemster als ten aanzien van de instructieplicht. Werkneemster vorderde een verklaring voor recht dat werkgeefster aansprakelijk is voor geleden schade en nog te lijden schade, een veroordeling tot vergoeding van de materiële en immateriële schade en veroordeling van werkgeefster in de kosten en de nakosten.
    Verweer werkgeefster
    Werkgeefster was van mening dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden, zodat artikel 7:658 BW toepassing mist. Verder zou werkgeefster haar zorgplicht niet hebben geschonden.
    Oordeel kantonrechter
    De kantonrechter overweegt dat het eerste verweer de vraagt stelt, of het optreden van werkneemster als begeleidster van het introductiekamp, en in het bijzonder het doorbrengen van de nacht op het terrein van de kampeerboerderij, moet worden gezien als een vorm van uitoefening van haar werkzaamheden. Volgens de kantonrechter is het vrijwillig karakter van deelname aan met name de slaapdienst relatief. De kantonrechter concludeert dan ook dat in de zin van artikel 7:658 lid 2 gesproken moet worden van een ongeval tijdens de uitoefening van de werkzaamheden.
    Beperkte zeggenschap
    Met betrekking tot het tweede verweer overweegt de kantonrechter als volgt. Voor zover de kampeerboerderij als de arbeidsplaats van werkneemster in de zin van artikel 1 lid 3 sub g van de Arbeidsomstandighedenwet moet worden beschouwd, moet worden vastgesteld, dat de zeggenschap van de werkgeefster over de inrichting van die arbeidsplaats zeer beperkt was.
    Uiterst tijdelijke arbeidsplaats
    Het was de exploitant van de kampeerboerderij, bij wie de eerste verantwoordelijkheid lag voor de veiligheid van het eigen personeel en van de gebruikers en op wie de verplichting rust een risico-inventarisatie te maken. De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster ten onrechte de normen van haar reguliere werkplek op die van haar uiterst tijdelijke arbeidsplaats, de kampeerboerderij en omgeving, plakt.
    Portofoon en zaklamp
    Volgens de kantonrechter ligt op het grensvlak van inrichting, arbeidsmiddelen en veiligheid (artikel 3 lid 1 sub a/b, c en e/f Arbeidsomstandighedenwet) de al of niet ter beschikking stelling van zaklampen en portofoons. Werkgeefster mocht er van uitgaan, dat haar docenten, althans het leeuwendeel ervan, beschikte(n) over een eigen mobiele telefoon, dat die mobiele telefoons bereik hadden en dat de mobiele telefoons ‘aan’ stonden gedurende het kamp. Werkgeefster mocht er ook van uit gaan dat van de mobiele telefoons als communicatiemiddel gebruik zou worden gemaakt. Verder hoefde werkgeefster de docenten niet van portofoons te voorzien en mocht zij van haar docenten verwachten dat zij nummers hadden uitgewisseld.
    Struikelgevoeligheid
    Tevens is de kantonrechter van oordeel dat van werkgeefster niet verwacht hoefde te worden dat de ten behoeve van het kamp beschikbaar gestelde zaklampen, ook vervolgens werden gedistribueerd.
    Tot slot overweegt de kantonrechter dat als de zeggenschap over de inrichting van de arbeidsplaats beperkt is of geheel ontbreekt, betekenis toekomt aan de instructiebevoegdheid van de werkgever. De zorgplicht hield niet in, dat de docenten ook nog eens specifiek op de ‘struikelgevoeligheid’ van scheerlijnen van tenten moesten worden gewezen.
    Conclusie
    Geconcludeerd kon worden dat er sprake was van een ongeluk, dat in de categorie huis-, tuin- en keukenongevallen thuishoort, ofwel de ongelukkige samenloop van omstandigheden en dat er van aansprakelijkheid van werkgeefster op grond van schending van de zorgplicht niet kon worden gesproken. De vorderingen van werkneemster werden afgewezen.
    Kantonrechter Breda, 4 april 2012, http://www.rechtspraak.nl, LJN-nr: BW4044
    Dit artikel is geschreven door mw. mr. Mattia Savenije, werkzaam bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten.
    Voor meer informatie over de uitspraken of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Nathalie Wolters (Van Diepen Van der Kroef Haarlem, 023 542 42 92) of mw. mr. Mieke Dijkman (Van Diepen Van der Kroef Den Haag, 070 360 3151).
    FlexLawyers, de samenwerking tussen FlexService Solutions en Van Diepen Van der Kroef Advocaten, biedt u tegen een scherpe prijs toegang tot specialisten in het arbeidsrecht.

     

  • N: BV0172, Rechtbank ‘s-Hertogenbosch , AWB 11 / 735 Print uitspraak

    Datum uitspraak: 22-12-2011
    Datum publicatie: 04-01-2012
    Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
    Soort procedure: Eerste aanleg – meervoudig
    Inhoudsindicatie: Arbeidsomstandighedenwet art. 16 Arbeidsomstandighedenbesluit art. 9.5a “Degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn” Vrijwilligers van een buurtvereniging assisteerden bij het ophalen van oud papier. Een arm van een vrijwilliger raakte bekneld in de kraakperswagen. Verweerder heeft een boete opgelegd aan de buurtvereniging wegens overtreding van art. 7.3, tweede lid, Arbobesluit. “Degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn”, is verplicht tot naleving van deze bepaling. De rechtbank oordeelt dat dit niet altijd de vrijwilligersorganisatie is. Vrijwilligers kunnen feitelijk werkzaamheden verrichten voor een andere (rechts)persoon, waarbij de financiële tegenprestatie voor die werkzaamheden ten goede komt aan een vrijwilligersorganisatie. Gelet op het doel van de wetgever is die andere (rechts)persoon dan degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn. De papierinzameling vond plaats door een bedrijf dat in alle stadia van het werkproces de feitelijke leiding in handen had. Dat bedrijf is “degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn”. Verweerder heeft ten onrechte een boete opgelegd aan de buurtvereniging.
    Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

    Sector bestuursrecht

    Zaaknummer: AWB 11/735

    Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2011

    inzake

    [eiseres],
    te Bladel,
    eiseres,
    gemachtigde: mr. B. d’Hooghe,

    tegen

    de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
    te Den Haag,
    verweerder,
    gemachtigde: mr. R. Crommelin.

    Procesverloop
    Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1.350,00 wegens overtreding van artikel 7.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit).

    Bij besluit van 20 januari 2011 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

    De zaak is behandeld op de zitting van 13 oktober 2011, waar eiseres is verschenen, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [penningmeester], voorzitter onderscheidenlijk penningmeester van eiseres, en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

    Overwegingen
    1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
    Uit het op ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 6 juli 2010 blijkt dat op 15 juli 2009 een aantal personen, onder wie het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), werkzaamheden hebben verricht bestaande uit het ophalen van oud papier. Hierbij werd gebruik gemaakt van een zogenoemde kraakperswagen, die was voorzien van een containermechanisme met veiligheidsbeugels en zwenkarmen om containers te kunnen tillen en legen. Wanneer het containermechanisme in werking was, bestond er knelgevaar.
    Het slachtoffer was op enig moment bezig met het legen van een krat oud papier, waarbij hij aan de linkerzijde van de kraakperswagen stond binnen het bereik van de zwenkarmen. Een collega heeft een container in het mechanisme geplaatst in de veronderstelling dat het slachtoffer klaar was met het legen van het krat. Deze container werd vervolgens opgetild en geleegd, waarbij de linkerarm van het slachtoffer bekneld is geraakt in het mechanisme. Het slachtoffer is naar aanleiding van dit ongeval opgenomen in het ziekenhuis en heeft blijvend letsel aan het ongeval overgehouden, te weten weefsel- en functieverlies van de linkerarm.
    Het slachtoffer werkte als vrijwilliger voor eiseres.
    De gemeente Bladel heeft de papierinzameling binnen de gemeente aanbesteed aan Sita Recycling Services B.V. (Sita), die de feitelijke inzameling heeft uitbesteed aan Papiergroothandel W. Box Veldhoven B.V. (Box). Bij de maandelijkse inzameling van oud papier wordt Box in de wijk van eiseres geassisteerd door vrijwilligers van eiseres, waarmee eiseres een bepaald bedrag aan inkomsten genereert. Eiseres heeft een schema opgesteld waarin de vrijwilligers voor het ophalen van het oud papier zijn ingedeeld en zij deelt voor aanvang van de werkzaamheden veiligheidsvesten uit aan de vrijwilligers. Bij de uitvoering van de werkzaamheden worden de vrijwilligers geïnstrueerd door Box.

    2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een overtreding van artikel 7.3, tweede lid, van het Arbobesluit. Op grond van het bepaalde in artikel 9.5a van het Arbobesluit is degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn verantwoordelijk voor de naleving van onder meer artikel 7.3, tweede lid, van het Arbobesluit. Volgens verweerder is eiseres ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’ en was zij dan ook verplicht de in artikel 7.3, tweede lid, van het Arbobesluit vervatte norm na te leven. De vraag onder wiens gezag de desbetreffende vrijwilliger werkte, is niet het aanknopingpunt voor de toepasselijkheid van artikel 7.3, tweede lid, van het Arbobesluit. Bepalend is wie de meest geëigende persoon is om beschermende maatregelen te treffen. De wetgever heeft bepaald dat bij vrijwilligers de meest geëigende persoon om beschermende maatregelen te treffen de vrijwilligersorganisatie is, aldus verweerder.

    3. Eiseres betoogt dat uit interpretatie van de relevante wettelijke bepalingen volgt dat met de in artikel 9.5a van het Arbobesluit gebruikte formulering ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’ de werkgever wordt bedoeld. In de Arbowetgeving wordt als werkgever aangemerkt degene onder wiens gezag de werkzaamheden worden verricht. In dit geval is Box de werkgever omdat de vrijwilligers bij het inzamelen van het oud papier onder haar gezag werkzaam zijn.
    Eiseres wijst ter onderbouwing van haar standpunt allereerst op de omstandigheid dat is gekozen voor de formulering ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’. Dit ziet op het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid of aanwezigheid van degene voor wie de werkzaamheden feitelijk worden verricht.
    Daarnaast wijst eiseres op het uitgangspunt van de Arbowetgeving dat een werkgever jegens zijn werknemers de verplichtingen uit het Arbobesluit naleeft. Achtergrond hiervan is dat werknemers voor hun veiligheid en gezondheid afhankelijk zijn van degene onder wiens gezag zij werken, de werkgever. Deze persoon is dan ook de meest geëigende persoon om verantwoordelijk te zijn voor naleving van de Arboregels. Om te zorgen dat vrijwilligers ook worden beschermd, is in artikel 9.5a een opsomming van specifieke voorschriften opgenomen die een werkgever ook ten opzichte van vrijwilligers moet naleven.
    Ten slotte voert eiseres aan dat met de huidige Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) niet is beoogd fundamentele wijzigingen aan te brengen ten opzichte van de daarvóór geldende vrijstellingsregeling voor vrijwilligers en dat in de geschiedenis van de totstandkoming van de huidige Arbowet in verschillende stukken de werkgever wordt aangewezen als de verantwoordelijke voor de bescherming van vrijwilligers.

    4. Het wettelijk kader luidt als volgt.
    Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Arbowet wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen mede verstaan onder:
    a. werkgever:
    1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;
    2°. (…);
    b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die als vrijwilliger arbeid verricht.
    Ingevolge artikel 16, zevende lid, aanhef en onder c, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de verplichting tot naleving van daarbij aangewezen voorschriften van deze wet of de daarop rustende bepalingen, voor zover zij betrekking hebben op arbeid waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden, zich mede richt tot degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn;
    Ingevolge het tiende lid zijn de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

    5. Ingevolge artikel 7.3, tweede lid, van het Arbobesluit worden om te voorkomen dat het gebruik van arbeidsmiddelen gevaren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers oplevert, de arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers worden gesteld, uitsluitend gebruikt voor het doel, op de wijze en op de plaats waarvoor zij zijn ingericht en bestemd.
    Ingevolge artikel 9.5a, eerste lid, aanhef en onder f, voor zover thans van belang, is degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden die zijn opgenomen in de artikelen 7.3, tweede tot en met vierde lid.

    6. In dit geding is de vraag aan de orde of eiseres dient te worden aangemerkt als ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’ als bedoeld in artikel 9.5a, eerste lid, aanhef en onder f, van het Arbobesluit. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

    7. In artikel 9.5a van het Arbobesluit is neergelegd welke bepalingen van het Arbobesluit ten opzichte van vrijwilligers moeten worden nageleefd en door wie. In dit artikel wordt degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn aangewezen als de verantwoordelijke voor de naleving van de in deze bepalingen vervatte verplichtingen. Artikel 9.5a is gebaseerd op artikel 16, zevende lid, van de Arbowet, waarin is bepaald tot wie de na te leven verplichtingen zich richten. In dit artikel is geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verplichting tot naleving van bepaalde voorschriften zich mede richt tot degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn. In artikel 16, tiende lid, van de Arbowet is al bepaald dat verplichtingen aan de werkgever kunnen worden opgelegd. Indien met ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’ feitelijk de werkgever is bedoeld, zou ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’ niet als aparte categorie in de wet zijn opgenomen. Uit voormelde bepalingen in onderlinge samenhang bezien blijkt dan ook dat de wetgever met ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’ een aparte categorie heeft geïntroduceerd van personen die verantwoordelijk zijn voor de naleving van bepaalde verplichtingen ten opzichte van vrijwilligers en dat hiermee niet de werkgever is bedoeld.

    8. Vervolgens is aan de orde wie moet worden aangemerkt als ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de huidige Arbowet blijkt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de naleving van bepaalde verplichtingen ten aanzien van vrijwilligers in de wet op te nemen vanwege de zeer ernstige gevaren waaraan vrijwilligers tijdens het uitoefenen van het vrijwilligerswerk kunnen worden blootgesteld (Kamerstukken II, vergaderjaar 2005-2006, 30 552, nr. 3, pagina 12). Doel van de opname van deze verplichtingen in de Arbowet is om vrijwilligers te beschermen tegen deze gevaren. Daarom heeft de wetgever de zorg voor vrijwilligers in risicovolle situaties neergelegd bij de meest geëigende persoon om beschermende maatregelen te treffen. Dat is degene die bij wie vrijwilligers werkzaam zijn. De rechtbank kan verweerder niet volgen in de stelling dat uit de parlementaire geschiedenis voortvloeit dat dit altijd de vrijwilligersorganisatie is. Het is ook mogelijk dat vrijwilligers feitelijk werkzaamheden verrichten voor een andere (rechts)persoon, waarbij de financiële tegenprestatie voor die werkzaamheden ten goede komt aan de vrijwilligersorganisatie. Gelet op het doel van de wetgever is die andere (rechts)persoon in dat geval degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn.

    9. In dit verband is van belang dat de papierinzameling in de gemeente Bladel plaatsvindt door Box. Bij de inzameling door Box wordt gebruik gemaakt van een kraakperswagen van Box, die wordt bestuurd door een chauffeur die in dienst is van Box. Box maakt bij de inzameling van het oud papier gebruik van vrijwilligers van verschillende buurtverenigingen. Deze vrijwilligers assisteren Box bij het ophalen van het papier. De route van papierinzameling voert langs verschillende wijken in de gemeente. Iedere wijk heeft zijn eigen buurtvereniging. Aan het begin van een bepaalde wijk stappen de vrijwilligers van de desbetreffende buurtvereniging op de kraakperswagen en aan het einde van die wijk stappen zij af. Vervolgens stappen bij het binnenrijden in een nieuwe wijk vrijwilligers van een andere buurtvereniging op. Box geeft de vrijwilligers instructies. In bijlage 9 bij het boeterapport is een document opgenomen, getiteld “Transportprocedures Box B.V. BH FG 50”. Hierin is in paragraaf 1.2.3.2. “Veilig werken met verenigingen” vermeld dat veel van de inzamelwerkzaamheden in samenwerking met verenigingen plaatsvinden waarbij vrijwilligers als beladers werkzaam zijn. Ook is hierin vermeld dat het voor de veiligheid belangrijk is dat deze vrijwilligers duidelijke instructies krijgen van de chauffeurs. Het gaat dan om een algemene instructie bediening, instructie veiligheidsvoorzieningen kraakperswagen en een algemene veiligheidsinstructie. Tijdens de werkzaamheden moet men goed opletten en waar nodig de vrijwilligers bijsturen, aldus de transportprocedure.
    Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de papierinzameling in de gemeente Bladel een taak is van Box waarbij Box in alle stadia van het werkproces de feitelijke leiding in handen heeft. De vrijwilligers van eiseres hebben deelgenomen aan de papierinzameling door Box. Box moet dan ook worden aangemerkt als “degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn”. Dit sluit aan bij het doel van de wetgever. Het geven van instructies aan vrijwilligers vergt in dit geval een zekere deskundigheid en ervaring in het omgaan met de kraakperswagen. Die deskundigheid en ervaring zijn aanwezig bij degene die verantwoordelijk is voor het werkproces. Dat is Box en niet eiseres.
    De omstandigheid dat eiseres geld voor de inzameling van het oud papier ontvangt, is onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat eiseres moet worden aangemerkt als ‘degene bij wie vrijwilligers werkzaam zijn’.

    10. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van eiseres. Zij was niet verplicht om beschermende maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, van het Arbobesluit. Eiseres heeft deze bepaling dan ook niet overtreden. Hieruit volgt dat verweerder niet bevoegd was een boete op te leggen aan eiseres.

    11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het besluit van 31 augustus 2010 wordt herroepen. Dit betekent dat de boete ongedaan wordt gemaakt.

    12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

    13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
    • 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift;
    • 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting;
    • 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;
    • 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
    • waarde per punt € 437,00
    • wegingsfactor 1.
    Het door eiseres genoemde bedrag van € 302,00 aan verschotten komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu zij deze verschotten niet heeft gespecificeerd. De reiskosten van € 11,20 voor het bijwonen van de zitting op basis van openbaar vervoer, komen wel voor vergoeding in aanmerking.
    Beslissing
    De rechtbank,

    – verklaart het beroep gegrond;

    – vernietigt het bestreden besluit;

    – herroept het besluit van 31 augustus 2010;

    – bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

    – bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 302,00;

    – veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.759,20.

    Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten als voorzitter en mr. F.P.J.M. Otten en mr. F.M. Tadic als leden in tegenwoordigheid van mr. drs. J.J.M. Goosen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2011.

    De griffier is buiten staat
    de uitspraak te ondertekenen.

  • Jurisprudentie
    Arbeidsomstandigheden
    13-12-2011
    Met de deur (net niet) in huis vallen…

    Wie ‘s morgens de deur uit om naar zijn werk te gaan en op de stoep struikelt, zal niet gauw zijn werkgever aansprakelijk stellen voor de schade. Als dat echter gebeurt vlak voordat hij het kantoor van zijn werkgever betreedt, lijkt de relatie tussen werk en ongeluk veel groter. Althans in het geval van de onderhavige mevrouw. Maar zelfs tot een stap voor de drempel van de personeelsingang, blijft het woon-werkverkeer.
    Een vrouw is werkzaam bij een gemeentelijke dienst van een middelgrote gemeente. Wanneer zij naar haar werk gaat, komt ze vlak voor de deur van de personeelsingang ten val vanwege een pvc-buis die in de weg lag. De pvc-buis werd op dat moment omgedraaid door een bouwvakker die met werkzaamheden bezig was buiten het gebouw. De medewerkster van de gemeentelijke dienst valt en raakt gewond aan haar hoofd.
    Daarop stelt de vrouw haar werkgever, het college van B&W, aansprakelijk voor haar val. Ze eist een schadevergoeding. Het college wijst echter alle aansprakelijkheid af, waarop de werkneemster in beroep gaat bij de rechtbank. Hier vangt zij ook bot. De werkneemster laat het er niet bij zitten en gaat in beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

    Ook CRvB afwijzend
    De CRvB is heel kort van stof en ziet eveneens geen reden om een schadevergoeding toe te kennen. Er zou recht op vergoeding zijn als de ambtenaar schade lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever aantoont dat deze zijn verplichtingen is nagekomen om het werk zodanig in te richten en daarvoor zodanig maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkheden schade lijdt (artikel 7:658 BW). Wanneer de werkgever aantoont dat de schade in belangrijke mate is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van de werknemer, dan kan hij zich vrijwaren van zijn aansprakelijkheid.

    Maar volgens het CRvB is er helemaal geen schade ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden van de ambtenaar. Het staat vast dat de werkneemster op weg was naar het werk en net voor de deur van haar werkgever ten val is gekomen. Het ongeluk vond dus plaats voor aanvang van het werk. Bovendien is de ambtenaar ten val gekomen op de openbare weg en niet op het terrein van de gemeentelijke dienst. De Raad constateert dat iedereen die in de buurt had gelopen van de personeelsingang, dit ongeval had kunnen overkomen. De CRvB oordeelt dan ook dat er geen sprake was van werkzaamheden, omdat de ambtenaar nog buiten was.

    Ongeval tijdens woon-werkverkeer
    Toch houdt de werkneemster vol en beroept zich op een uitspraak van de Raad van 22 november 2001. Hierbij oordeelde de CRvB dat onder ‘uitoefening van werkzaamheden’ ook moest worden gerekend het betreden van het gebouw om daar aan het werk te gaan. De Centrale Raad is echter van mening dat het hier niet gaat om een vergelijkbaar geval. In de zaak van 2001 betrof het een werknemer die gewond raakte bij het betreden van het gebouw (als de werkneemster over de deurmat van de personeelsingang was gestruikeld, bijvoorbeeld), zou het oordeel wellicht geheel anders zijn geweest). Uit niets blijkt dat de ambtenaar al het gebouw was binnengekomen, waar zij aan het werk zou gaan.

    Er is dus sprake van een ongeval tijdens woon-werkverkeer. Dit wordt niet gerekend tot arbeidsongevallen. Wat ze niet heeft gedaan, maar wat de ambtenaar wellicht nog wel had kunnen doen, is het aansprakelijk stellen van het bouwbedrijf waar de bouwvakker die de pvc-buis omdraaide, werkte. Misschien had ze op basis van een ander artikel in het Burgerlijk Wetboek meer kans gehad bij de rechter. Nu blijft ze met lege handen staan.

    Uitspraak: Centrale Raad van Beroep, 9 juni 2011

  • Aansprakelijkheid van de werkgever voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt 

     

    Inleiding en achtergrond

    Artikel 7:658 BW regelt de aansprakelijkheid van de werkgever voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De werkgever is voor deze schade aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij zijn zorgplicht is nagekomen of de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Indien de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, is hij niet voor de schade van de werknemer aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. Er is sprake van een schuldaansprakelijkheid, geen risicoaansprakelijkheid.

    Naast deze algemene wettelijke regel heeft de Hoge Raad, bij wijze van jurisprudentiële aanvulling op de zorgplicht ex artikel 7:658 BW, in 2008 beslist dat een werkgever verplicht is te zorgen voor een behoorlijke verzekering tegen schade die werknemers in de uitoefening van hun werk zouden kunnen lijden als gevolg van een verkeersongeval, waarbij zij als een bestuurder van een motorvoertuig betrokken kunnen raken. Deze regel is ingegeven door de gedachte dat de werkgever nauwelijks zeggenschap heeft over hetgeen tijdens verkeersdeelname van een werknemer gebeurt, zodat het bepaalde in artikel 7:658 BW bij dat soort ongelukken zelden soelaas zal bieden. Later is deze regel uitgebreid tot werknemers die (i) als fietser of voetganger schade lijden als gevolg van een ongeval waarbij een voertuig is betrokken of (ii) als fietser schade lijden als gevolg van een eenzijdig fietsongeval. Deze verzekeringsplicht volgt uit het beginsel van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW. Heeft de werkgever nagelaten een dergelijke verzekering voor verkeersongevallen af te sluiten, dan is hij aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval tot het bedrag dat door zo'n verzekering zou zijn gedekt. Dat geldt dus ook en juist als de werkgever geen schuld heeft aan het ongeval.

    Naar aanleiding van de zojuist genoemde rechtspraak uit 2008 is de vraag opgekomen of de daarin aanvaarde verzekeringsplicht niet nog verder moet worden uitgebreid. In dat verband is wel bepleit dat niet goed valt in te zien waarom verkeersongevallen wel onder een verzekeringsplicht zouden vallen, terwijl de werknemer terzake van andere aan het werk verbonden risico's niet verzekerd behoeft te worden zodat hij daaruit voortvloeiende schade slechts zou kunnen verhalen wanneer de werkgever terzake van het ontstaan daarvan een verwijt valt te maken. In de lagere rechtspraak is om die reden wel een verzekeringsplicht aangenomen voor de schade die een werknemer van een supermarkt leed ten gevolge van een roofoverval. In de literatuur is zelfs gepleit voor het aanvaarden van een algemene verzekeringsplicht voor alle aan het werk verbonden gevaren, juist omdat het erg arbitrair zou zijn om terzake van bepaalde verkeersongevallen wel een verzekeringsplicht aan te nemen en die terzake van andere, minstens net zo grote aan het werk verbonden risico's, niet te aanvaarden.

    De zaken: TNT Post en Rooyse Wissel

    In de eerste zaak waarin de Hoge Raad op 11 november jl. arrest wees, ging het om de vraag of de werkgever op grond van goed werkgeverschap (ex artikel 7:611 BW) ook gehouden is om een verzekering af te sluiten in geval van een eenzijdig voetgangersongeval. Het ging in deze zaak om een postbode van TNT die bij het bezorgen van de post was uitgegleden. De Kantonrechter te Utrecht had in deze zaak inderdaad, in het verlengde van de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad, een verzekeringsplicht op grond van artikel 7:611 BW aangenomen. Op verzoek van TNT werd daartegen door De Brauw sprongcassatie ingesteld.

    In de tweede zaak – waarin het ging om een socio-therapeut in een TBS-kliniek die door een TBS-patiënt was mishandeld en daardoor letsel had opgelopen – lag de vraag voor of de verzekeringsplicht die voor verkeersongevallen is aangenomen ook geldt voor "reguliere" arbeidsongevallen op de werkplek. Het Gerechtshof te Den Bosch had die vraag bevestigend beantwoord en beslist dat de TBS-kliniek, zo een dergelijke verzekering afgesloten kon worden, inderdaad als goed werkgever gehouden was om het risico van geweldsincidenten door middel van een verzekering af te dekken. Het arrest van het Hof Den Bosch was dus een voorbeeld van een verstrekkende uitbreiding van de verzekeringsplicht. Ook in deze zaak ging De Brauw voor de werkgeefster in cassatie.

    Oordeel Hoge Raad in beide arresten

    De Hoge Raad is in beide zaken op de rem gaan staan terzake van de verzekeringsplicht van de werkgever op grond van artikel 7:611 BW. De Hoge Raad is niet bereid om die verzekeringsplicht verder uit te breiden dan in eerdere rechtspraak is aanvaard.

    In het TNT-arrest overweegt de Hoge Raad dat uit zijn eerdere rechtspraak volgt dat de door hem, op grond van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW), aanvaarde verzekeringsplicht slechts betrekking heeft op schade die werknemers lijden in de uitoefening van hun werkzaamheden als deelnemer aan het wegverkeer, wanneer zij (i) als bestuurder van een motorvoertuig het slachtoffer worden van een verkeersongeval, (ii) als fietser of voetganger betrokken raken bij een ongeval waarbij een voertuig is betrokken, of (iii) als fietser een eenzijdig ongeval krijgen. Naar het oordeel van de Hoge Raad hangt de verzekeringsplicht in de genoemde drie gevallen samen met de bijzondere risico’s van het wegverkeer. Volgens de Hoge Raad dient een eenzijdig voetgangersongeval buiten deze reeds afgebakende categorie verkeersongevallen te blijven. Hiertoe overweegt de Hoge Raad dat struikelen of uitglijden niet als een bijzonder risico van het wegverkeer kan worden aangemerkt. Zo een ongeval kan de werknemer ook binnen de vier muren van de werkplek overkomen en dan is er, tenzij de werkgever een verwijt gemaakt kan worden, ook geen aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW. Er bestaat dan ook geen goede reden voor een verdergaande bescherming van de werknemer voor struikelen of uitglijden in het verkeer dan bij het struikelen of uitglijden op de arbeidsplaats zelf, zodat de werkgever slechts aansprakelijk is indien hij is tekortgeschoten in zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW.

    In het arrest TBS-kliniek De Rooyse Wissel herhaalt de Hoge Raad, onder verwijzing naar het TNT-arrest, dat de op artikel 7:611 BW gebaseerde verzekeringsplicht beperkt dient te blijven tot de categorie werknemers die in de uitoefening van hun werkzaamheden verkeersongevallen overkomen – als hierboven onder (i), (ii) en (iii) – genoemd. De Hoge Raad oordeelt dat het ongeval dat de socio-therapeut was overkomen, niet valt onder de genoemde verkeersongevallen waar de werkgever slechts beperkte zeggenschap over heeft (als gevolg waarvan artikel 7:658 BW veel minder snel soelaas zal bieden) en waarin derhalve bij wijze van hoge uitzondering een aansprakelijkheidsgrond ex artikel 7:611 BW dient te worden geschapen. Integendeel, in het geval van de socio-therapeut was de zeggenschap wel degelijk bij de werkgever aanwezig nu het geweldsdelict zich niet op de openbare weg, maar op werkvloer afspeelde. Volgens de Hoge Raad zou het aannemen van een verzekeringsplicht in deze situatie het wettelijk stelsel van artikel 7:658 BW, waarin voor aansprakelijkheid van een ongeval op de werkvloer een schending van de zorgplicht vereist is, te vergaand aantasten. Bovendien zou een verzekeringsplicht in een dergelijk geval een grote mate van rechtsonzekerheid in het leven roepen omdat geen duidelijke grens meer zou kunnen worden getrokken met (andere) arbeidsongevallen waarvoor (nog geen) verzekeringsplicht is aangenomen.

    De Hoge Raad beslist dat de TBS-kliniek wel aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW omdat de kliniek in de procedure bij de Kantonrechter en het Hof onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die het oordeel zouden kunnen wettigen dat zij aan haar zorgplicht om het ongeval te voorkomen heeft voldaan. De Hoge Raad verschuift de aansprakelijkheid dus van artikel 7:611 BW naar artikel 7:658 BW. Het arrest bevestigt daarmee dat op de werkgever die aan aansprakelijkheid wil ontkomen een zware stelplicht rust terzake van hetgeen hij heeft gedaan om invulling te geven aan zijn zorgplicht.

    Commentaar

    Voor de praktijk zijn deze arresten van groot belang omdat zij duidelijk de grenzen afbakenen van de verzekeringsplicht, gebaseerd op goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW. Deze bestaat alleen voor verkeersongevallen die de werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden overkomen, tenzij sprake is van een eenzijdig voetgangersongeval. Het lijkt raadzaam voor werkgevers om na te gaan of zij over een dergelijke verzekering beschikken.

    Evenmin geldt een verzekeringsplicht op grond van artikel 7:611 BW voor geweldsdelicten, noch voor andere ongevallen die plaatsvinden op de werkvloer en die dus vallen binnen het bereik van artikel 7:658 BW. In dergelijke gevallen waarin de werknemer "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" schade lijdt, kan hij alleen maar ageren op grond van artikel 7:658 BW en zal dus een schending van de zorgplicht van de werkgever aanwezig moeten zijn, wil aansprakelijkheid aangenomen kunnen worden. Vanzelfsprekend is het raadzaam om het risico van claims op basis van artikel 7:658 BW ook door een verzekering af te dekken, maar het enkele ontbreken van een verzekering doet de werkgever niet aansprakelijk zijn.

    Tot slot zij opgemerkt dat uit de rechtspraak verder volgt dat een werkgever, los van het voorgaande, onder bijzondere omstandigheden ook op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk kan zijn jegens de werknemer wanneer die werknemer anders dan in de uitoefening van de werkzaamheden – en dus buiten het bereik van artikel 7:658 BW – een ongeval overkomt. Daarbij moet met name worden gedacht aan personeelsfeestjes. In deze categorie van gevallen kan artikel 7:658 BW geen soelaas bieden, maar is een werkgever onder omstandigheden wel gehouden om een werknemer niet met zijn schade te laten zitten.

  • LJN: BT7658,Sector kanton Rechtbank Leeuwarden , 330275 \ CV EXPL 10-1992 

    Datum uitspraak: 28-09-2011
    Datum publicatie: 14-10-2011
    Rechtsgebied: Civiel overig
    Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
    Inhoudsindicatie: Arbeidszaak: arbeidsongeval. Hand werknemer bekneld tussen betonplaten, werkgever niet aansprakelijk.
    Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    RECHTBANK LEEUWARDEN
    Sector kanton

    Locatie Sneek

    zaak-/rolnummer: 330275 \ CV EXPL 10-1992

    vonnis van de kantonrechter d.d. 28 september 2011

    inzake

    [eiser],
    hierna te noemen: [eiser],
    wonende te [woonplaats],
    eiser,
    gemachtigde: mr. H.W. de Groot,

    tegen

    De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,
    hierna te noemen: [gedaagde],
    gevestigd te [plaats],
    gedaagde,
    gemachtigde: mr. S.W. Polak.

    Procesverloop
    1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 12.022,15 met rente en kosten. Voorts heeft [eiser] een verwijzing naar een schadestaatprocedure gevorderd.

    [gedaagde] heeft bij antwoord de vordering betwist.

    Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

    Door partijen zijn producties in het geding gebracht.

    Motivering
    De vaststaande feiten
    Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

    2.1. [eiser] is in september 1978 als internationaal chauffeur in dienst getreden bij [gedaagde].

    2.2. Op 20 november 2002 heeft [eiser] in opdracht van [gedaagde] een lading betonplaten afgeleverd bij [bedrijf]. Het gewicht van de afzonderlijke betonplaten bedroeg circa 3000 kg.

    2.3. Door een werknemer van [bedrijf], [X], werden betonplaten gelost. [X] maakte daarbij gebruik van een heftruck. De betonplaten waren zonder tussenruimte (koud) gestapeld. Als gevolg van deze wijze van stapelen werd eerst een klein deel van de lepel(s) van de heftruck tussen de betonplaten gewrikt. Vervolgens werd er een houten balkje/steen tussen de betonplaten gelegd om op die wijze voldoende ruimte voor de lepels van de vorkheftruck te creëren. Vervolgens werden de lepels volledig onder de betonplaat geschoven. [eiser] heeft op enig moment meegeholpen door een steen/houten balkje tussen de betonplaten te leggen. Op het moment dat hij het voorwerp plaatste zakte de betonplaat naar beneden op de hand van [eiser].

    2.4. [eiser] heeft als gevolg van het ongeval botbreuken opgelopen in zijn rechterhand. [eiser] is rechtshandig.

    2.5. De arbeidsinspectie heeft geen onderzoek ingesteld omdat er werd uitgegaan van gering letsel.

    2.6. De verzekeraar van [bedrijf], Aegon Schadeverzekeringen N.V., heeft Adinex opdracht gegeven tot het uitvoeren van een toedrachtsonderzoek. Adinex heeft ter zake het onderzoek een rapport opgemaakt. In het rapport staat vermeld:
    (…)
    Na telefonisch overleg met verzekerde zijn wij op 15 juni 2005 in de gelegenheid gesteld een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden en de oorzaak van deze schade. Op het kantoor van verzekerde hebben wij de onderhavige kwestie uitvoerig besproken met de heer [Y] alsmede hebben wij een toedrachtsverklaring opgenomen van de heftruckchauffeur, de heer [X]
    (…)
    Voor het laden en lossen van de vrachtwagens heeft men op het bedrijfsterrein van verzekerde de beschikking over in totaal 10 heftrucks
    (…)
    Eén van de vaste heftruckchauffeurs van verzekerde is de heer [X], (…) sedert 2000 werkzaam als heftruckchauffeur en terreinmeester van verzekerde. Bij verzekerde worden door de heer [X] per dag, afhankelijk van het aanbod, tussen de 5-10 vrachtwagens gelost of geladen.
    Door verzekerde zijn geen laad- en losinstructies op schrift gesteld. De werknemers van verzekerde zijn mondeling geïnformeerd omtrent het laden en lossen. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan de veiligheid rond het laden en lossen van de vrachtwagens.
    De vrachtwagens worden door de heftruckchauffeur alleen gelost. De heftruckchauffeurs vragen niet aan de chauffeur van de betreffende vrachtwagen of zij willen helpen met lossen. De chauffeurs verwijderen alleen de dekkleden van de oplegger en de spanbanden waarmee het te lossen materiaal is vastgezet.
    (…)
    Door de heer [X] werd ons het navolgende verklaard:
    (….)
    Toen de heer [eiser] 's middags op 20 november 2002 op het bedrijfsterrein kwam was ik op dat moment nog betonplaten aan het lossen van een andere oplegger van een ander transportbedrijf. Het lossen van deze vrachtwagen was ongeveer tot halverwege gevorderd. Ik heb aan de chauffeur, de heer [eiser], aangegeven dat hij even zou moeten wachten daar ik nog niet klaar was met het lossen van voornoemde oplegger.
    De betonplaten die moesten worden gelost van deze oplegger hadden afmetingen van ca. 3 x 1 m en een dikte van 20 cm. De betonplaten waren koud op de oplegger neergelegd. Om de betonplaat op te kunnen pakken worden eerst de punt van de lepels van de heftruck onder de betonplaat gestoken waarna de betonplaat iets wordt opgelicht. Vervolgens wordt een houten balkje (afmetingen ca. 8 x 8 x 20 cm) eronder geschoven, waarna men de betonplaat laat zakken op het balkje. Vervolgens kunnen de lepels van de heftruck verder onder de betonplaat worden gestoken, waarna de betonplaat kan worden opgetild en weggereden.
    De heer [eiser] heeft, toen ik een betonplaat met de punt van de lepels iets had opgetild, uit zichzelf en zonder dat ik hierom heb gevraagd, een balkje onder de betonplaat neergelegd. Op dat moment gleed de betonplaat van de lepels van de heftruck af en kwam de betonplaat op de rechterhand van de heer [eiser] terecht. Het bleek dat hij het balkje niet aan de zijkant vasthield, maar dat hij zijn rechterhand op het balkje had neergelegd dat hij onder de betonplaat had gestoken. Hierdoor kon het gebeuren dat de betonplaat op zijn rechterhand terechtkwam
    (…)
    Met de heer [eiser] is geen communicatie geweest omtrent het helpen bij het lossen. Ik heb alleen aangegeven dat hij even zou moeten wachten daar ik nog bezig was met het lossen van een andere oplegger. Het plaatsen van een houten balkje onder een -met de punten van de lepels van de heftruck opgetilde- betonplaat was de eerste handeling van de heer [eiser]. Nogmaals deel ik u mede dat ik niet aan de heer [eiser] heb gevraagd om te helpen bij het lossen zodat ik ook niet had verwacht dat de heer [eiser] deze handeling zou uitvoeren. Normaal worden door de chauffeurs alleen de dikke zeilen van de oplegger en de spanbanden verwijderd. Chauffeurs helpen niet bij het lossen van de vrachtwagens.'
    (…)
    Oorzaak
    Door tegenpartij is ongevraagd en onverwachts geholpen met het lossen van de oplegger die op dat moment door de heer [X] van verzekerde werd gelost. Tegenpartij had een houten balkje beet dat hij onder een – met de lepels van de heftruck opgetilde- betonplaat schoof. Hierbij had tegenpartij het balkje aan de bovenzijde vast zodat de betonplaat die van de lepels gleed op zijn hand terecht kon komen. Duidelijk is dat het balkje door tegenpartij verkeerd werd vastgehouden. Het balkje had aan het uiteinde aan de zijkanten moeten worden vastgepakt door tegenpartij.
    (…)

    2.7. [eiser] is door een medewerker van Adinex, H.W. Kemp, in september 2005 gehoord. [eiser] heeft verklaard:
    (…)
    Sedert september 1978 ben ik als internationaal werkzaam bij [gedaagde] (…)
    Het was de tweede of derde keer dat ik betonplaten heb gereden naar [bedrijf]. Hierbij merk ik op dat de laatste keer dat ik betonplaten reed voordat het ongeval plaatsvond, ca. 10 jaar geleden is. Als chauffeur ben ik in het bezit van het Handboek Chauffeur van [gedaagde]. Hierin staat onder het hoofdstuk 'laden en lossen' alleen omschreven dat indien nodig geassisteerd wordt bij het 'laden en lossen'. Overige laad- en losinstructies heb ik niet van [gedaagde] ontvangen, ook niet voor het laden en lossen van betonplaten.
    (…)
    Volgens mij is het ongeval gebeurt tijdens het lossen van mijn eigen trailer van [gedaagde] en niet tijdens het lossen van een trailer van een ander transportbedrijf. Ik weet het echter niet meer voor 100%. Om het lossen te bespoedigen heb ik vrijwillig geassisteerd met het lossen van de betonplaten.
    (…)
    ik weet zeker dat het een steen was en geen houten balkje. Ik heb de steen aan het uiteinde beetgepakt en onder de met de heftrucklepel opgetilde betonplaat geschoven. Ik had mijn hand zeker niet op de steen neergelegd toen ik de steen onder de betonplaat schoof.
    De betonplaat die met de heftruck was opgetild is waarschijnlijk op mijn rechterhand terechtgekomen doordat de heftruck een klein stukje achteruit is gereden, niet dat die heftruckchauffeur dat met opzet deed, maar het terrein bij [bedrijf] was zeer onvlak, het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de betonplaat is weggegleden omdat de betonplaat hooguit 20 cm was opgetild.
    (…)
    Waarschijnlijk bevond zich in de met de heftrucklepel opgetilde betonplaat een sleuf dan wel een gat die over de steen die ik vasthield is gevallen waardoor mijn rechterhand klem kwam te zitten. Ik heb zelf echter niet gezien dat zich een gat in de betonplaat bevond maar ik heb dit horen zeggen van de heer [Z]van [bedrijf], die mij na het ongeval naar het ziekenhuis heeft gebracht. Van wie de heer [Z] dit heeft gehoord weet ik niet want de heer [Z]was zelf geen getuige van het ongeval.
    (…)
    Thans ben ik blijvend voor 40% arbeidsongeschikt en ben ik nog bij [gedaagde] als internationaal chauffeur werkzaam. Hierbij zijn door [gedaagde] aan de trekker en de oplegger waarmee ik rijd aanpassingen gedaan om mijn rechterhand te ontlasten.
    (…)

    2.8. In het Handboek Chauffeur van [gedaagde], waarover [eiser] beschikte, staat vermeld:
    Laden en lossen
    U bent verantwoordelijk voor de lading en u dient er dan ook op toe te zien dat de goederen op verantwoorde wijze worden geladen en gestuwd.
    (…)
    Indien nodig assisteert u bij het laden en lossen.
    (…)

    2.9. [eiser] was op het moment van het ongeval 24 jaar in dienst bij [gedaagde]. [eiser] is na het ongeval tot 1 oktober 2010, de datum van zijn pensionering, werkzaam gebleven bij [gedaagde].

    2.10. Vanaf 18 februari 2004 was [eiser] ten gevolge van het ongeval 80% -100% arbeidsongeschikt. Sinds 20 november 2004 bedraagt het arbeidsongeschiktspercentage 35%. De rechterhand van [eiser] is thans voor 20% bruikbaar.

    Het standpunt van [eiser]
    3. [eiser] stelt dat [gedaagde] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het bedrijfsterrein van [bedrijf] viel onder de zorgplicht van [gedaagde]. [gedaagde] heeft geen toezicht gehouden op de naleving van de veiligheidsvoorschriften op de laad- en losplaatsen bij [bedrijf]. Volgens [eiser] is het bij [gedaagde] de bedoeling dat de chauffeurs helpen bij het lossen. Er zijn door [gedaagde], anders dan het Handboek Chauffeur, geen veiligheidsinstructies ter zake het laden en lossen in het algemeen dan wel het laden en lossen van betonplaten in het bijzonder gegeven. [eiser] wijst op het ervaringsfeit dat de dagelijkse omgang met (gevaarlijke) werktuigen of machines of meer in het algemeen het verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering leidt van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid.

    Volgens [eiser] had het ongeval voorkomen kunnen worden als er adequate schriftelijke veiligheidsinstructies zouden zijn opgesteld (met name ter zake het lossen van betonplaten) en [gedaagde] er op had toegezien dat deze instructies werden nageleefd. [gedaagde] had, ter voorkoming van het ongeval, een verbod op het lossen moeten geven en had moeten toezien dat dit verbod nageleefd werd. Voorts had [gedaagde] moeten controleren of [gedaagde] bij [bedrijf] zijn werk veilig kon uitvoeren.

    In reactie op het verweer betwist [eiser] dat hij hielp bij het lossen van een vrachtwagen van een derde. Voorts is [eiser] van mening dat dit ten aanzien van de aansprakelijkheid van [gedaagde] niet ter zake doet.

    Het standpunt van [gedaagde]
    4. [gedaagde] stelt dat [eiser] een ervaren internationaal chauffeur was. [gedaagde] stelt met verwijzing naar de verklaring van [X] dat [eiser] niet gevraagd is om te helpen met lossen en dat [eiser] zich uit eigen beweging heeft bemoeid met het lossen van een vrachtauto van een derde. Het lossen van een vrachtwagen van een derde kan niet gekwalificeerd worden als het uitoefenen van werkzaamheden in de zin van artikel 7:658 BW. [gedaagde] stelt, voor het geval geoordeeld wordt dat [eiser] wel schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, dat het gevaar dat een hand tussen de betonplaten kan komen zo evident is dat ter zake geen specifieke instructie gegeven hoeft te worden. Dit te minder daar het hier een ervaren chauffeur betrof en het lossen van betonblokken geen routinematige bezigheid was. [gedaagde] betwist voorts het causaal verband tussen de schending van een zorgplicht en het ongeluk nu [eiser] de werkzaamheden niet voor haar heeft verricht. Voorts heeft [eiser] verklaard dat de plaat is gevallen als gevolg van het achteruitrijden van de heftruck.

    De beoordeling van het geschil
    5.1. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek aangegeven dat [eiser] acht jaar heeft gewacht met het instellen van een vordering en dat zij zich niet aan de indruk kan ontrekken dat [eiser] deze termijn heeft gehanteerd om op die manier de werkelijke toedracht van het ongeval te verhullen. De kantonrechter overweegt dat niet duidelijk is wat [gedaagde] met deze stelling heeft beoogd. Voor zover zij zich hiermee op rechtsverwerking heeft willen beroepen overweegt de kantonrechter dat [eiser], gelet op het stadium van de procedure waarin dit verweer is opgeworpen, geen mogelijkheid heeft gehad om te reageren. Voorts is de stelling onvoldoende geconcretiseerd om daarin te kunnen lezen dat [gedaagde] bedoeld heeft dat zij als gevolg van het tijdsverloop bemoeilijkt wordt in het voeren van verweer dan wel dat zij als gevolg van het tijdsverloop in haar bewijspositie is geschaad.

    5.2. De kantonrechter overweegt dat op grond van de stukken niet duidelijk wordt of [eiser] hielp bij het lossen van zijn eigen vrachtwagen dan wel dat hij op het terrein van een derde hielp bij het lossen van een vrachtwagen van een derde partij. Of [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden van [gedaagde] kan derhalve niet worden vastgesteld. De kantonrechter overweegt dat, ook als vast zou komen te staan dat [eiser] schade heeft opgelopen als gevolg van zijn assistentie bij het lossen van zijn eigen vrachtwagen, dit niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde] kan leiden.

    5.3. Artikel 7:658 schept geen absolute waarborg voor de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Op grond van artikel 7:658 BW is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade van [eiser] tenzij [gedaagde] aantoont dat zij de zorgverplichting bedoeld in het eerste lid van artikel 7:658 BW is nagekomen. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verwacht, hangt af van de omstandigheden van het geval (HR 11 november 2005, LJN: AU3313). Daarbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat [gedaagde] slechts gehouden is die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen te voorkomen die zich zouden kunnen voordoen bij de werkzaamheden die [eiser] voor [gedaagde] moest verrichten. (Hoge Raad, 12 september 2003, LJN: AF8254).

    5.4. In het onderhavige geval gaat het om het risico dat een werknemer van [gedaagde] loopt door bij het lossen van betonplaten op het terrein van een derde te helpen -in die zin dat hij een blokje hout/steen tussen twee betonplaten stopt- en daarbij met zijn hand bekneld raakt omdat de tussen de betonplaten gewrikte lepel van de heftruck wegglijdt.

    5.5. [eiser] heeft zes verklaringen van chauffeurs overgelegd. Zij verklaren dat het gebruikelijk is dat een chauffeur helpt bij het laden en lossen. De kantonrechter overweegt dat weliswaar door [eiser] gemotiveerd onderbouwd is gesteld dat het gebruikelijk is dat werknemers van [gedaagde] helpen bij het lossen van hun vrachtwagen, maar dat deze algemene stelling ook betrekking heeft op het lossen bij [bedrijf] in het bijzonder blijkt niet uit de overgelegde verklaringen. Het had wel op de weg gelegen van [eiser] om dit aan te tonen, daar uit het door hem overgelegde rapport van Adinex -zoals geciteerd onder de vaststaande feiten- blijkt dat vrachtwagens op het terrein van [bedrijf] alleen door heftruckchauffeurs van [bedrijf] worden gelost. Voorts is gesteld noch gebleken dat [eiser] van [gedaagde] de uitdrukkelijke opdracht had om te assisteren bij het lossen van de betonplaten bij [bedrijf]. Evenmin staat vast dat [eiser] altijd helpt bij het lossen van betonplaten nu uit de verklaring van [eiser] zelf blijkt dat het 10 jaar geleden was dat hij voor het laatst betonplaten had vervoerd. Ook blijkt niet dat [eiser] door -werknemers van- [bedrijf] is verzocht te assisteren. Dat er geen verzoek is gedaan tot assistentie blijkt uit de verklaring van [X] zoals deze is opgenomen in de rapportage van Adinex. Volgens [X] is [eiser] ongevraagd assistentie gaan verlenen. [eiser] heeft tegenover een medewerker van Adinex verklaard dat hij vrijwillig hielp om het lossen te bespoedigen. Op grond van het voorgaande moet geoordeeld worden dat het niet gebruikelijk was dat medewerkers van [gedaagde] hielpen bij het lossen van betonplaten bij [bedrijf] en dat [eiser] uit eigen beweging een handje is gaan helpen.

    5.6. Voorts moet geoordeeld worden dat het (val)gevaar van zware betonplaten (3000 kg) die van elkaar gescheiden worden door tussen deze platen gewrikte lepels van een heftruck ook voor ter zake niet gewaarschuwde mensen voldoende bekend mag worden verondersteld. Bovendien volgt noch uit hetgeen van algemene bekendheid is noch uit hetgeen door partijen is aangedragen dat het risico op valgevaar van betonplaten die van elkaar gescheiden zijn door ertussen gewrikte lepels van een heftruck dusdanig van omvang is dat [gedaagde] maatregelen had moeten treffen, haar personeel ter zake had moeten waarschuwen of instrueren (stop je hand niet tussen betonplaten), had moeten controleren of het betrokken bedrijf ([bedrijf]) alle maatregelen had genomen om risico's als het onderhavige ter vermijden, of anderszins iets had moeten ondernemen om dit risico te voorkomen. Dit te minder daar gesteld noch gebleken is dat een dergelijk ongeval eerder heeft plaatsgevonden en in deze procedure niet is gebleken dat het gebruikelijk is dat chauffeurs van [gedaagde] helpen bij het lossen van betonplaten bij [bedrijf].

    5.7. De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op een schending door [gedaagde] van het in artikel 7:658 BW bepaalde. Uit het oordeel dat [gedaagde] haar zorgplicht voortvloeiend uit voormeld artikel niet heeft geschonden volgt afwijzing van de vorderingen van [eiser].

    5.10. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Voorts wordt [eiser] veroordeeld in de gevorderde nakosten.

    Beslissing
    De kantonrechter:

    wijst de vorderingen af;

    veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 600,00 (2 punten à € 300) wegens salaris;

    veroordeelt [eiser] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening voor het geval [eiser] niet op eerste vordering handelt overeenkomstig het dictum van dit vonnis;

    verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

    Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

  • LJN BT6565, Rechtbank Leeuwarden, 11/259
    Datum uitspraak: 08-09-2011
    Datum publicatie: 04-10-2011
    Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
    Soort procedure: Eerste aanleg – meervoudig
    Zaaknummers: 11/259
    Inhoudsindicatie:
    boete op grond van de Arbeidsomstandighedenwet – arbeidsongeval – opdracht – normale werkzaamheden – risico's legen gitterbox niet geïnventariseerd – geen toezicht gehouden bij gebruik vorkhetruck door persoon tussen 16 en 18 jaar

    Altijd en overal toegang tot uw eigen juridische database
    24 uur per dag toegang tot de meest uitgebreide, overzichtelijke en actuele juridische database speciaal voor uw vakgebied. Toegang tot oa JOR, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht en Sdu Commentaar Insolventierecht, de 3 commentaren van Financieel Recht, Tijdschrift voor de Ondernemingsrechtpraktijk (TOP) en Tijdschrift Financiering, Zekerheden en Insolventierechtpraktijk (FIP) http://www.sneltotdekern.nl
    gesponsorde link

    Dowload PDF-versie
    Uitspraak

    RECHTBANK LEEUWARDEN
    Sector bestuursrecht

    procedurenummer: AWB 11/259

    uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

    in het geding tussen

    [de besloten vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
    gemachtigde: mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam,

    en

    de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), voorheen de minister van SZW, verweerder.

    Procesverloop
    Bij brief van 28 december 2010 heeft verweerder eiseresmededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) (hierna: het bestreden besluit).
    Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
    De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 30 juni 2011. Namens eiseres is haar directeur [directeur] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens verweerder is niemand verschenen.

    Motivering
    Feiten
    1.1 Eiseres exploiteert een transportbedrijf te [vestigingsplaats]. [De stagiair], geboren [in 1993] (hierna: de stagiair), was op basis van een stageovereenkomst als stagiair werkzaam bij eiseres.
    1.2 Op 27 mei 2010 is de stagiair tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden voor eiseres van een vorkheftruck gevallen. De werkzaamheden van de stagiair bestonden op dat moment uit het legen van een stalen emballagekist (hierna: gitterbox), gevuld met afvalhout, in een afvalcontainer met een hoogte van 2,5 meter. De stagiair heeft de vorkheftruck voor de container gezet en heeft de gitterbox geheven totdat de bovenrand daarvan gelijk was met de rand van de container. De stagiair is in de container gaan staan en heeft van daaruit het afvalhout uit de gitterbox overgeheveld naar de container. Om bij de laatste resten hout te komen is de stagiair in de gitterbox gestapt. Daarop is de gitterbox gekanteld en is de stagiair met de gitterbox vanaf de lepels van de vorkheftruck ongeveer 2,5 meter naar beneden gevallen op de betonnen vloer naast de container. De stagiair heeft bij zijn val letsel opgelopen en is voor de behandeling daarvan opgenomen in een ziekenhuis.
    1.3 Bij besluit van 25 augustus 2010 heeft verweerder eiseres een boete ter hoogte van€ 10.800,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit .
    1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 25 augustus 2010 ongegrond verklaard.

    Geschil
    2.1 Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte een boete heeft opgelegd, omdat de overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit haar niet kan worden toegerekend. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder de boete had moeten matigen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres aangevoerd dat de stagiair geen opdracht heeft gekregen voor het legen van de gitterbox en dat dit ook geen onderdeel uitmaakt van het opruimen van de bedrijfsloods. Eiseres erkent dat de risico's van het legen van de gitterbox niet zijn omschreven. Dat gebeurt volgens eiseres bij geen enkel bedrijf en is volgens haar ook niet nodig, tenzij het op een bijzondere manier moet gebeuren, wat in haar bedrijf niet het geval is. Volgens eiseres gaat het in deze zaak ook niet om het legen van de gitterbox, maar om het gebruik van de vorkheftruck. Eiseres wijst erop dat de stagiair ten tijde van het ongeval gediplomeerd vorkheftruckchauffeur was. Dit betekent volgens eiseres dat hij tot in detail wist hoe hij moest omgaan met een vorkheftruck. Volgens eiseres was de stagiair daarom op de hoogte van de voor de hand liggende "gouden regel" dat een vorkheftruck nooit als trap moet worden gebruikt. Dit is volgens eiseres zo evident dat een nadere instructie niets zou toevoegen. Volgens eiseres is de handelwijze van de stagiair dan ook onbegrijpelijk.
    2.2 Verweerder handhaaft het bestreden besluit. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake is van een overtreding en dat deze terecht aan eiseres is toegerekend. Verweerder is van mening dat het legen van de gitterbox behoorde tot de werkzaamheden van de stagiair. Volgens verweerder kan de overtreding (volledig) aan eiseres worden verweten. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiseres de risico's van het legen van de gitterbox in de container heeft geïnventariseerd en geëvalueerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiseres voor het ongeval een veilige werkwijze had ontwikkeld voor het legen van de gitterbox in de container. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die aanleiding geven om af te wijken van zijn beleid.

    Beoordelingskader
    3.1 Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Arbowet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers. Op grond van het tiende lid zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.
    Op grond van artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding. Ter zake van de overtredingen, bedoeld in de vorige zin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.
    3.2 Op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit is een arbeidsmiddel zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt een arbeidsmiddel zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.
    Op grond van artikel 9.1 van het Arbobesluit is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, met uitzondering van de artikelen 1.25, 2.6, 2.26 tot en met 2.29, 2.32 tot en met 2.34 en 7.21.
    3.3 In beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de beleidsregels), is vermeld dat bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boeteéén of meer van de volgende factoren aan de orde kunnen zijn die achtereenvolgens leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde verdubbelde normbedrag:
    1°. indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij de overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden gegeven, zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de bestuurlijke boete met eenderde gematigd;
    2°. indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de bestuurlijke boete met nog eenderde gematigd;
    3°. indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.
    3.4 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit . De gitterbox en de vorkheftruck zijn niet zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoveel mogelijk is voorkomen.
    3.5 De rechtbank is van oordeel dat eiseres kan worden aangemerkt als overtreder, omdat zij ten tijde van het ongeval werkgever was van de stagiair en het legen van de gitterbox in de container onderdeel uitmaakte van diens werkzaamheden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de stagiair geen opdracht heeft gekregen om de gitterbox te legen en dat dit niet tot het opruimen van de bedrijfsloods behoort. Blijkens de verklaring van de stagiair heeft loodsmedewerker [de loodsmedewerker] hem op 27 mei 2010 de opdracht gegeven om de bedrijfsloods op te ruimen en de gitterbox te legen in de container. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [X], een andere stagiair. Uit de verklaring van [de loodsmedewerker] leidt de rechtbank af dat het opruimen van de bedrijfsloods behoorde tot de normale werkzaamheden van de stagiair. Dit wordt door eiseres ook niet bestreden. Uit de verklaring van [de loodsmedewerker] leidt de rechtbank verder af dat het leegmaken van de gitterbox onderdeel uitmaakt van het opruimen van de bedrijfsloods. Volgens [de loodsmedewerker] had de stagiair dit al vaker gedaan en kon hij daar zelf initiatief in nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de stagiair, [X] en [de loodsmedewerker].
    3.6 Naar het oordeelvan de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar ter zake van de overtreding geen enkel verwijt valt te maken. De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de eerste van de drie (cumulatieve) matigingsgronden die zijn neergelegd in beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder b, van de beleidsregels. Daarom heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om de boete te matigen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de risico's van de werkzaamheden waarbij zich de overtredingheeft voorgedaan, voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank is het evident dat het legen van een gitterbox, gevuld met afvalhout, in een 2,5 meter hoge container risico's met zich meebrengt. Eiseres heeft deze risico's niet geïnventariseerd en daarvoor geen maatregelen getroffen. Eiseres heeft de risico's van het gebruik van een vorkheftruck wel geïnventariseerd. Daarbij is als risico aangemerkt het gebruik van een vorkheftruck door jeugdige personen. Met het oog op dit risico heeft eiseres bepaald dat personen onder 16 jaar geen vorkheftruck mogen besturen en dat personen tussen 16 en 18 jaar een vorkheftruck slechts onder deskundig toezicht mogen besturen. In dit geval heeft eiseres de laatstgenoemde maatregel echter niet toegepast. De stagiair was ten tijde van het ongeval 16 jaar. Hij heeft een vorkheftruck gebruikt om de gitterbox op te tillen, de bedrijfsloods uit te rijden en bij de container op te heffen. Buiten debedrijfsloods was geen enkel toezicht. De omstandigheden dat verweerder veel aandacht besteedt aan veiligheid, dat de stagiair een gediplomeerd vorkheftruckchauffeur is en dat de stagiair wist dat hij de vorkheftruck niet als trap mocht gebruiken, doen aan het voorgaande niet af. Het was aan eiseres om de risico's bij het legen van de gitterbox en het gebruik de vorkheftruck voldoende te inventariseren en de nodige maatregelen te treffen. Nu niet is voldaan aan de eerste matigingsgrond, kunnen de overige matigingsgronden buiten beschouwing blijven.
    3.7 In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiseres onevenredig wordt getroffen door de opgelegde boete.
    3.8 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

    Proceskosten
    4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

    Beslissing
    De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

    Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en door mrs. C.H.de Groot en K.J. de Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Emst als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2011.

  • LJN: BT7548, Gerechtshof 's-Hertogenbosch , MHD 200.073.498 

    Datum uitspraak: 11-10-2011
    Datum publicatie: 13-10-2011
    Rechtsgebied: Civiel overig
    Soort procedure: Hoger beroep
    Inhoudsindicatie: aansprakelijkheid voor val van steiger, gebrekkige zaak, gevaarzetting.
    Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

    Uitspraak

    GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
    Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

    Sector civiel recht

    zaaknummer MHD 200.073.498

    arrest van de vierde kamer van 11 oktober 2011

    in de zaak van

    INSTUC STUCADOORSBEDRIJF V.O.F. waarvan de vennoten zijn [X.] en [Y.],
    gevestigd te [vestigingsplaats],
    appellante,
    advocaat: mr. J.G.G. Wilgers,

    tegen:

    [Z.],
    wonende te [woonplaats],
    geïntimeerde,
    advocaat: mr. W.A.M. Rupert,

    op het bij exploot van dagvaarding van 30 augustus 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg gewezen vonnis van 2 juni 2010 tussen appellante – Instuc – en haar vennoten [X.] en [Y.] als eisers en geïntimeerde – [Z.] – als gedaagde.

    1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 68674/HA ZA 09-370)

    Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede naar het tussenvonnis van 30 september 2009.

    2. Het geding in hoger beroep

    2.1. Bij conclusie van eis heeft Instuc verwezen naar de in de dagvaarding in hoger beroep opgenomen memorie van grieven, waarbij Instuc één productie heeft overgelegd, één grief heeft aangevoerd en met wijziging van haar eis heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, een verklaring voor recht te geven die inhoudt: dat [Z.] jegens Instuc niet heeft voldaan aan zijn verplichting om tijdens de uitvoering van de overeenkomst een deugdelijke steiger te leveren, althans een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen, ten gevolge waarvan [X.] van de steiger is gevallen, ten gevolge waarvan Instuc winst derfde, met bepaling dat [Z.] aansprakelijk is voor de materiële schade,
    – primair op te maken bij staat,
    – subsidiair te bepalen op de netto winstderving over 2008 ten bedrage van € 17.952,75 en over 2009 ten bedrage van € 37.342,02 tot het tijdstip waarop de vennoot [X.] weer kan werken,
    – primair en subsidiair met wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 4 augustus 2008, en [Z.] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

    2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Z.] de grief bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van Instuc in de kosten van het hoger beroep.

    2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

    3. De gronden van het hoger beroep

    De grief van Instuc houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Instuc haar stelling dat de steiger ondeugdelijk was, onvoldoende had onderbouwd, op grond waarvan de vordering werd afgewezen met veroordeling van Instuc in de proceskosten.

    4. De beoordeling

    4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

    4.1.1. [X.] – verder te noemen [X.] – en [Y.] zijn de vennoten van de vennootschap onder firma Instuc.
    Omstreeks juni 2008 zijn partijen, Instuc en [Z.], overeengekomen dat Instuc de buitenzijde van de woning van [Z.] aan de [perceel] te [plaatsnaam] zou stukadoren. Het betrof het woonhuis van [Z.], die met zijn vader een aannemersbedrijf exploiteert. De begane grond van het woonhuis bevindt zich ongeveer anderhalve meter boven maaiveld en daaronder is een souterrain. De voordeur is met een trap via een bordes te bereiken. Het terrein is enigszins geaccidenteerd.

    4.1.2. [Z.] zou ten behoeve van het werk door Instuc voor de benodigde steiger zorgen; hij heeft een rolsteiger aan [X.] ter beschikking gesteld. Deze steiger wordt in een onderzoeksrapport van GRM Expertises d.d. 20 februari 2009, dat is opgesteld op verzoek van de aansprakelijkheidsverzekeraar van het bedrijf van [Z.], als volgt omschreven:
    Deze rolsteiger bestaat uit losse onderdelen. De zijwanden bestaan uit vaste staanders met daartussen vaste liggers met een lengte van 1,85 meter. De breedte van de steiger is 1,35 meter. In verband met de stabiliteit wordt gebruik gemaakt van schoren en leuningen. De schoren kunnen op de liggers van de zijwanden worden geplaatst. Aan de schoren zitten aan de uiteinden halfronde beugels die om de steigerdelen heen vallen.
    Om een loopvloer te creëren wordt gebruik gemaakt van aluminium steigervloerdelen. Deze hebben een breedte van 61 cm en een lengte van 2,80 meter.
    Aan het rapport is een fotodossier toegevoegd. Bij foto 6, een foto van de onderzijde van de betreffende loopplank, staat vermeld:
    Aan de uiteinden van de loopplank zijn de zogenaamde klemmen zichtbaar die om de steigerpijpen vallen op het moment dat deze plank in de rolsteiger is gemonteerd.
    Bij foto 5 staat vermeld:
    Betreft de steigervloer die ten tijde van het ongeval gemonteerd was op de rolsteiger. Deze plank heeft een lengte van 2,80 meter en een breedte van 61 cm. Een tweede loopplank lag ten tijde van het ongeval op de loopplank die in de rolsteiger was gemonteerd en op het bordes.
    Bij foto 7 staat vermeld:
    Betreft een detailfoto van de haken die aan het uiteinde van de loopplank bevestigd zijn.

    4.1.3. [X.] is eind juli 2008 met het werk bij [Z.] begonnen. Nadat hij daar enkele dagen met gebruikmaking van de steiger had gewerkt is hij op 29 juli 2008 om omstreeks 12.30 uur van de steiger gevallen en heeft ernstig letsel aan zijn rechterarm/-schouder opgelopen. De steiger waarop [X.] aan het werk was stond op dat moment aan de zijde van het huis waar de voordeur met trap zich bevindt, waarbij de steiger haaks op de muur stond opgesteld en los een lange plank was geplaatst dwars over de loopplank van de steiger naar het bordes, over de trap heen. Partijen zijn het er over eens dat de door Instuc als productie 4 overgelegde foto de situatie van vlak voor het ongeluk juist weergeeft.

    4.1.4. [X.] is twee maal aan zijn arm geopereerd. Hij kan tot op heden zijn werk als stukadoor niet meer (als voorheen) verrichten en ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%.

    4.2.1. Instuc heeft met haar vennoten [X.] en [Y.] [Z.] bij exploot van 6 juli 2009 gedagvaard en gevorderd: een verklaring voor recht dat [Z.] jegens Instuc, althans jegens [X.], aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade,
    – primair op te maken bij staat,
    – subsidiair tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan [X.] van € 35.000,– en tot betaling aan Instuc ten titel van netto winstderving over 2008 een bedrag van € 17.952,75 en over 2009 een bedrag van € 37.342,02 totdat [X.] weer volledig kan werken, met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2008 en veroordeling van [Z.] in de proceskosten.

    4.2.2. De rechtbank heeft de vordering van Instuc als onvoldoende onderbouwd afgewezen met veroordeling van Instuc in de proceskosten.

    4.3.1. Met de grief heeft Instuc de vordering opnieuw in volle omvang aan de orde gesteld.

    4.3.2. Het hof oordeelt als volgt.
    Uit het op zichzelf vaststaande feit dat de overeenkomst meebracht dat [Z.] de steiger moest verschaffen en ook heeft verschaft, leidt Instuc ten onrechte af dat [Z.] de steiger ook moest verplaatsen en stellen, dat ervan uitgegaan moet worden dat dat ook zo is gebeurd, en/of dat in elk geval aan [Z.] moet worden toegerekend op welke wijze de steiger is geplaatst en gesteld, waaruit Instuc de aansprakelijkheid van [Z.] voor de door haar en/of [X.] door de val geleden schade afleidt.
    Het hof overweegt daaromtrent, dat [X.] ter comparitie bij de rechtbank zelf heeft verklaard dat hij samen met [Z.] de steiger naar de plek, waar [X.] later is gevallen, heeft gereden, dat hij, [X.], zelf die plek heeft bepaald, dat de steiger gelet op de ongelijkheid van de ondergrond niet helemaal stabiel stond, dat hij de steiger niet heeft geschoord omdat dat voor de hoogte waarop hij werkte niet nodig was, en dat hij zelf de steiger redelijk heeft gesteld.
    Er is geen grond om deze wijze van stellen en plaatsen door [X.] aan [Z.] toe te rekenen; het enkele feit dat [Z.] de steiger heeft verschaft brengt dat niet mee.

    4.3.3. Instuc legt aan haar vordering primair ten grondslag dat [Z.] zijn contractuele verplichting om een steiger te leveren, niet is nagekomen.
    Voor zover Instuc hiermee bedoelt te stellen dat [Z.] een vaste steiger ter beschikking moest stellen en geen rolsteiger, verwerpt het hof deze stelling aangezien uit de overeenkomst niet blijkt dat een vaste steiger moest worden verschaft en Instuc deze stelling verder in het geheel niet heeft toegelicht. Het staat wel vast dat [X.] voor het ongeval een aantal dagen met de rolsteiger heeft gewerkt. Er is niet gesteld of gebleken dat [X.] bezwaar heeft gemaakt tegen de afwezigheid van een vaste steiger, of dat Instuc [Z.] in gebreke heeft gesteld omdat er alleen een rolsteiger aanwezig was. Nu Instuc bovendien zelf stelt dat was afgesproken dat [Z.] [X.] zou helpen met het steeds verplaatsen van de steiger is zonder toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk hoe dat zich verdraagt met de stelling dat een vaste steiger was afgesproken.
    De primaire grondslag wordt derhalve verworpen.

    4.3.4.1. Subsidiair stelt Instuc dat [Z.] aan [X.] een gebrekkige zaak ter beschikking heeft gesteld, omdat de plank op de rolsteiger waar [X.] op stond is gekanteld ten gevolge van het ontbreken van een borging achter de klauw van de loopplank. Instuc heeft deze stelling aldus onderbouwd, dat zij stelt dat een steigerplank alleen maar kan kantelen als er een klauw losschiet, en dat de klauw niet geborgd kan zijn geweest, omdat hij is losgeschoten. Instuc beroept zich daarbij mede op een brief van de Arbeidsinspectie van 15 september 2008 aan haar advocaat. Daarin antwoordt de Arbeidsinspectie op een verzoek van Instuc om inlichtingen, onder mededeling dat de inspectie in dit geval niet bevoegd is tot verder onderzoek. De inspectie bevestigt dat een medewerker van de inspectie aan mevrouw [Y.] aan de hand van een tekening heeft uitgelegd dat de bewuste steiger, waarvan mevrouw [Y.] hem een foto (onderdeel van prod. 12 dagvaarding) had laten zien, onveilig was omdat deze niet voorzien was van leuningwerk en omdat een vloerelement voldoende geborgd moet worden tegen verschuiven en opwaaien.
    Instuc heeft ook gesteld dat een klemkoppeling – of klauw – “los zat”, dat moet worden vermoed dat de borging van de klauw kapot was, dat de steiger niet gekeurd, dus afgekeurd, was en dat de in de Europese richtlijnen 95/63 en 2001/45 voorgeschreven normen zijn geschonden.
    [Z.] heeft betwist dat een klauw van de steigerplank niet meer goed was en heeft gesteld dat de steiger deugdelijk en zonder gebreken was.

    4.3.4.2. Ook deze stellingen van Instuc worden door het hof verworpen aangezien de daarin aangevoerde grondslag onvoldoende concreet is toegelicht en geen enkele steun vindt in het dossier. De stellingen van Instuc berusten grotendeels op theoretische veronderstellingen omtrent wat er volgens haar moet zijn gebeurd.
    Instuc heeft niet toegelicht wat zij bedoelt met een “borging achter de klauw”, die zou ontbreken, los zou hebben gezeten of kapot zou zijn. Uit de brief van de Arbeidsinspectie blijkt niet dat een klauw van een vloerdeel, behalve goed aangebracht om een steigerpijp heen, ook nog eens moet zijn “geborgd” met een extra onderdeel, en zo ja met wat voor onderdeel. Uit de door GRM gemaakte foto’s van de bewuste steigeronderdelen, ook van de klauwen, blijkt niet dat daar een ondeugdelijke klauw is aangetroffen of dat een extra “borging” ontbreekt. [X.] heeft ter comparitie verklaard dat de planken met klauwen op buizen van de staanders worden gelegd, maar daaraan niet worden geborgd. Anders dan Instuc stelt is op geen enkele foto een losse klemkoppeling of een ondeugdelijke klauw te zien. Bovendien is de steiger zoals die op de foto’s, overgelegd als productie 6 bij dagvaarding, is te zien, verplaatst vanaf de plaats van het ongeval, zodat deze foto’s geen aanwijzing geven dat de situatie van de steiger bij gelegenheid van het uitvoeren van de werkzaamheden dezelfde was als op die foto’s. Aan de stelling dat de steiger niet gekeurd was en dat normen van een Europese richtlijn zijn geschonden gaat het hof voorbij, nu Instuc niet heeft aangeduid op welke normen zij doelt en een zo algemeen beroep op twee richtlijnen onvoldoende concreet is; voor de wederpartij is het dan niet duidelijk waartegen zij zich heeft te verweren.
    Voor zover Instuc zich er nog op heeft willen beroepen dat er geen schoren aanwezig waren – hetgeen [Z.] overigens betwist – wijst het hof er op dat Instuc zelf stelt dat deze bij een werkhoogte van 1,80 meter niet zijn voorgeschreven (mvgr sub 15), zoals [X.] ook ter comparitie heeft verklaard. Het hof gaat dus aan die stelling voorbij.

    4.3.5. Meer subsidiair voert Instuc aan dat [Z.] een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen doordat [X.] tijdens zijn werk moest improviseren, waardoor hij is gevallen. Met “improviseren” bedoelt Instuc kennelijk (mvgr sub 22 en 23) dat met de rolsteiger niet overal aan de muren gewerkt kon worden en dat hij bij de trap van een losse geïmproviseerde plank gebruik heeft moeten maken. Ook stelt Instuc dat [Z.] planken onder de wielen van de steiger op het gras had moeten aanbrengen.
    Het hof overweegt dat Instuc er bij haar beroep op het leerstuk van de gevaarzetting aan voorbij gaat dat niet [Z.], maar [X.] zelf de situatie met de losse plank vanaf de steiger naar het bordes in het leven heeft geroepen. [X.] verklaart immers dat hij zelf die plek heeft bepaald.
    Bovendien is de stelling van Instuc juist niet, dat [X.] van deze losse plank is gevallen, maar dat hij van de buitenste plank van de steiger zelf is gevallen. Aldus heeft [X.] ook ter comparitie bij de rechtbank verklaard. De losse plank is daarbij dan niet relevant.
    Nu tenslotte [X.] heeft verklaard dat hij zelf de steiger – gedeeltelijk op steen en gedeeltelijk op gras – heeft gesteld, kan Instuc niet aan [Z.] verwijten dat hij geen planken onder de wielen had aangebracht.
    Instuc heeft mitsdien niets aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat [Z.] een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen ten gevolge waarvan [X.] is gevallen, zodat ook deze grondslag de vordering niet kan dragen.

    4.3.6. De slotsom is dat de aangevoerde grief faalt en dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.
    Instuc zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

    5. De uitspraak

    Het hof:

    bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Middelburg van 2 juni 2010, onder rolnr. 68674/HA ZA tussen partijen gewezen;

    veroordeelt Instuc in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [Z.] begroot op € 1.188,– voor verschotten en € 1.631,– voor salaris advocaat;

    verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

    Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en P.M. Huijbers-Koopman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 oktober 2011.

  • vonnis
    RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

    Sector civiel recht

    Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 13 juli 2011

    in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 206584 / HA ZA 10-301 van

    [A],
    wonende te [woonplaats],
    eiser,
    advocaat mr. A.C.H. Jansen te Wijchen,

    tegen

    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
    HENDRIKS BOUWBEDRIJF OSS B.V.,
    gevestigd te Oss,
    gedaagde,
    advocaat mr. R. Gruben te Voorburg,

    en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 213314 / HA ZA 10-1382 van

    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
    HENDRIKS BOUWBEDRIJF OSS B.V.,
    gevestigd te Oss,
    eiseres,
    advocaat mr. R. Gruben te Voorburg,

    tegen

    1. de vennootschap onder firma 
    HEGER BOUW,
    gevestigd te Veen,
    gedaagde,
    advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,
    2. [X],
    wonende te [woonplaats],
    gedaagde,
    advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,
    3. [Y],
    wonende te [woonplaats],
    gedaagde,
    advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,
    4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
    STUC-LINE B.V.,
    gevestigd te Gemert,
    gedaagde,
    advocaat mr. J.J.S. Bezemer te's Hertogenbosch.

    Partijen in de hoofdzaak zullen hierna [A] en Hendriks worden genoemd.

    Partijen in de vrijwaring zullen hierna Hendriks, Heger Bouw, Heger Bouw c.s. (gedaagden 1 t/m 3 gezamenlijk) en Stuc-Line worden genoemd. 
    Gedaagden 2 en 3 zijn vennoten van Heger Bouw.

    1. De procedure in de hoofdzaak

    1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: 
    – het tussenvonnis van 6 oktober 2010
    – het proces-verbaal van comparitie van 27 januari 2011
    – de brief van [A] van 15 februari 2011 met een enkele opmerking naar aanleiding van het proces-verbaal
    – de brief van Hendriks van 17 februari 2011 met een reactie op de brief van [A].

    1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

    2. De procedure in de vrijwaringszaak

    2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
    – het tussenvonnis van 6 oktober 2010
    – het proces-verbaal van comparitie van 27 januari 2011 
    – de brief van Stuc-Line van 13 mei 2011 met een enkele opmerking naar aanleidingvan het (pas kort daarvoor aan mr. Bezemer toegestuurde) proces-verbaal van 27 januari 2011.

    2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

    3. De feiten

    3.1. [A] is zelfstandig stukadoor en was werkzaam op een bouwplaats toen hem daar op [datum] een ongeval overkwam. Hij werkte op een steiger op vijftien meter hoogte, is door die steiger gezakt en drie meter lager op een balkon gevallen. Hij heefthierbij letsel opgelopen, waaronder een verbrijzeld hielbeen en gekneusde ribben. 

    3.2. [A] werkte mee aan de bouw van een verpleeghuis in Tilburg. Hendriks was de hoofdaannemer van dit bouwproject. Hendriks heeft voor de uitvoering van dit project verschillende onderaannemers ingeschakeld. Aan Schraven Totaal Afbouw BV (hierna: Schraven) heeft Hendriks onder meer het aanbrengen van gevelisolatie uitbesteed. Schraven heeft dit werk op haar beurt uitbesteed aan Heger Bouw c.s.. Ook Heger Bouw c.s. hebben dit werk weer uitbesteed en uiteindelijk is dit werk feitelijk uitgevoerd deels door Stuc-line en deels door Udenstuc, de eenmanszaak van [A].

    3.3. De steiger waarop[A] stond, is daar in opdracht van Hendriks gebouwd door MB Steigerbouw B.V. (hierna: MB Steigerbouw). In opdracht van Hendriks werd de steiger voor oplevering gekeurd door Matemco. Matemco heeft de steiger goedgekeurd en voorzien van goedkeuringslabels. De steiger is opgeleverd op 18 december 2003.

    3.4. Van het ongeval van [datum] is (pas op 14 juli 2004) melding gemaakt bij de Arbeidsinspectie. De Arbeidsinspectie heeft onderzoek uitgevoerd door de bouwplaats te bezoeken en vier getuigen van het ongeval te horen. In het rapport van de Arbeidsinspectie staat onder meer dat de steigervloer uit twee delen bestond, dat die vloer plotseling onder [A] is weggevallen, en dat als de steigervloer goed in de hengsels had gelegen, het vloerdeel niet omlaag had kunnen vallen. De Arbeidsinspectie heeft een verband kunnen vaststellen tussen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 juncto artikel 13.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de oorzaak van het ongeval. Omdat [A] een zelfstandig werkend ondernemer zonder personeel was die de werkzaamheden in aangenomen werk uitvoerde, heeft de Arbeidsinspectie volstaan met het maken van het ongevalsrapport.

    4. Het geschil

    in de hoofdzaak
    4.1. [A] vordert een verklaring voor recht dat Hendriks aansprakelijk is voor de schade die [A] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval en een veroordeling van Hendriks tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordelingvan Hendriks in de kosten van het geding.

    4.2. [A] heeft zijn vordering aanvankelijk uitsluitend gegrond op het bepaalde in artikel 7:658 lid 4 BW, kort gezegd de aansprakelijkheid van de werkgever voor schade die door ingeleend personeel wordt geleden in de uitoefening van opgedragen werkzaamheden.
    Bij akte van 9 juni 2010 heeft [A] de grondslag van zijn vordering nader aangevuld door tevens een beroep te doen op de artikelen 6:173 en 6:174 BW (aansprakelijkheid van de bezitter van respectievelijk roerende zaken en opstallen), op de artikelen 6:170 en 6:171 BW (aansprakelijkheid voor fouten van (niet-)ondergeschikten), op artikel 6:76 BW (aansprakelijkheid voor hulppersonen), op artikel 7:406 lid 2 BW (aansprakelijkheid van de opdrachtgever ), en op artikel 6:162 BW.
    [A] stelt dat hij door het ongeval blijvend letsel heeft opgelopen waardoor hij zijn beroep van stukadoor niet meer kan uitoefenen. Hierdoor lijdt hij schade.

    4.3. Hendriks voert verweer. Hendriks acht zich op geen van de door [A] aangevoerde gronden aansprakelijk voor de schade van [A] en doet ook een beroep op eigen schuld aan de zijde van [A] (artikel 6:101 BW).
    Hendriks meent dat de schade in deze procedure kan worden begroot en behoudt zich het recht voor verweer te voeren voor wat betreft de hoogte van de schade. Hij doet een beroep op voordeelverrekening voor wat betreft een aanspraak die [A] heeft jegens RVS Schadeverzekering NV.

    4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

    in de vrijwaringszaak
    4.5. Hendriks vordert om gedaagden in de vrijwaring hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk te veroordelen om aan Hendriks te betalen datgene waartoe Hendriks als gedaagde in de hoofdzaak jegens [A] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding in vrijwaring, eveneens vermeerderd met wettelijke rente.

    4.6. Hendriks meent dat indien zij aansprakelijk is voor de schade van[A], gedaagden daarvoor naast Hendriks mede aansprakelijk zijn, gelet op de onderlinge verhouding tussen gedaagden enerzijds en [A] anderzijds. Hendriks doet een beroep op de artikelen 6:102 lid 1 juncto artikel 6:10 e.v. BW en voert hiertoe het volgende aan.
    Heger Bouw c.s. hebben de stukadoorswerkzaamheden (deels) in onderaanneming uitbesteed aan Stuc-Line, die op zijn beurt weer een deel van het werk heeft uitbesteed aan [A]. [A] was dus ingeleend door en in de bedrijven van Heger Bouw c.s. en Stuc-Line, zodat zij op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk zijn voor de schade van [A]. Hegerbouw c.s. en Stuc-Line waren bovendien bedrijfsmatig gebruikers van de steiger en daarom uit hoofde van artikel 6:181 BW aansprakelijk. Ook is niet uitgesloten dat een medewerker of zelfstandige hulppersoon van Hegerbouw c.s. of Stuc-Line onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld, bijvoorbeeld door wijzigingen aan de steiger aan te brengen waardoor die onveilig is geworden. Aansprakelijkheid van Hegerbouw c.s. enStuc-Line op grond van de artikelen 6:170 en 6:171, 6:76 en/of 6:162 BW is dan ook mogelijk. Tot slot zijn Hegerbouw c.s. en Stuc-Line als opdrachtgever aansprakelijk jegens [A] op grond van artikel 7:406 BW.

    4.7. Heger Bouw c.s. voert verweer. 
    In de eerste plaats merken zij op dat gedaagde sub 3 eerst op 15 januari 2008, derhalve ná het ongeval, is toegetreden tot de vennootschap, zodat zij niet in privé aansprakelijk is te houden. Ook doen zij een beroep op verjaring. Verder verwerpen zij aansprakelijkheid op de verschillende door Hendriks aangevoerde grondslagen, kort gezegd omdat ook in de verhouding tussen gedaagden en Hendriks het Hendriks was die zorg moest dragen voor een veilige steiger, omdat Heger Bouw c.s. geen feitelijke betrokkenheid hadden bij de uitvoering van de werkzaamheden, en omdat zij de van Schraven aangenomen werkzaamheden volledig hadden uitbesteed aan Stuc-Line, waarna Stuc-Line op haar beurt [A] heeft ingeschakeld, zodat tussen Heger Bouw c.s. en [A] geen contractuele verhouding bestond.

    4.8. Ook Stuc-Line voert verweer.
    In de eerste plaats doet hij een beroep op verjaring van de vordering van [A] op Stuc-Line en meent hij dat hij dit verweer ook kan inroepen tegen Hendriks.
    Stuc-Line betwist dat hij een deel van het werk had uitbesteed aan [A]. Volgens Stuc-Line hadden hij en [A]beiden een deel van het werk van Heger Bouw c.s. aangenomen, was Stuc-Line dus geen opdrachtgever van [A] en daarom ook niet aansprakelijk voor de door [A] geleden schade. Volgens Stuc-Line is het ongeval veroorzaakt door een gebrekkige steiger, waarvoor Hendriks verantwoordelijk was. Stuc-Line heeft de aanwezigheid van veiligheidslabels aan de steiger gecontroleerd en heeft geen wijzigingen in de steiger aangebracht. Indien Stuc-Line al mede aansprakelijk zou zijn, dan hoeft zij Hendriks niet te vrijwaren maar moet de schade over de verantwoordelijke partijen worden verdeeld. Nu Stuc-Line maar voor een zeer gering bedrag aan werkzaamheden in dit project heeft verricht, zou hij ook slechts een klein deel van de schade van [A] hoeven dragen.

    4.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

    5. De beoordeling

    in de hoofdzaak
    Artikel 7:658 lid 4 BW

    5.1. [A] heeft in de dagvaarding (uitsluitend) een beroep gedaan op artikel 7:658 lid 4 BW en hij heeft Hendriks dan ook gedagvaard om te verschijnenter zitting van de kantonrechter. In zijn vonnis van [datum] (zaaknr [nummer]) heeft de kantonrechter beslist dat en waarom artikel 7:658 lid 4 BW hier toepassing mist. De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard van de zaak kennis te nemen en de zaak voor verdere afdoening verwezen naar de rol van de sector civiel van de rechtbank.

    5.2. [A] heeft vervolgens de grondslagen van zijn vordering aangevuld, maar blijft bepleiten dat hem (ook) een beroep toekomt op artikel 7:658 lid 4 BW. In aanvulling op hetgeen hij voor de kantonrechter heeft aangevoerd, wijst [A] nog op uitspraken van het hof ’s Hertogenbosch van 20 maart 2007( LJN: BD4757) en van de kantonrechter in Utrecht van 26 juni 2009 ( LJN: BJ3477).

    5.3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op genoemde uitspraken [A] niet kan helpen, alleen al omdat de feitelijke situatie in die zaken een andere is dan de onderhavige. Het hof ’s Hertogenbosch oordeelde over de aansprakelijkheid van een onderaannemer voor letselschade van een tijdelijkdoor hem geleende werknemer van een andere onderaannemer. De kantonrechter in Utrecht oordeelde over de aansprakelijkheid van het uitzendbureau dan wel het inlenende bedrijf voor letselschade van een uitzendkracht.

    5.4. De jurisprudentie over de reikwijdte van artikel 7:658 lid 4 BW is niet eenduidig. Met name staat niet vast dat dit artikellid zo ruim moet worden uitgelegd dat niet alleen werknemers maar ook zelfstandigen zoals [A] hieraan aanspraken kunnen ontlenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverwegingen 3.8 en verder van het arrest van het hof Arnhem van 17 augustus 2010 (NJF 2010,354). Daar komt bij dat evenmin vaststaat dat de zelfstandige die aanspraak dan zou kunnen inroepen jegens de hoofdaannemer, indien de werkzaamheden via verschillende onderaannemers aan hem zijn uitbesteed. De rechtbank verwijst hierbij naar de arresten van het hof Amsterdam van 22 februari 2011 ( LJN: BP6622 en BP6637). De rechtbank ziet voor wat betreft de situatie waarin [A] werkzaam was geen aanleiding voor een zo ruime toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW. De rechtbank sluit zich daarom aan bij het oordeel van de kantonrechter in zijn vonnis van [datum] dat genoemd artikellid hier toepassing mist.

    5.5. Uit de stellingen van [A] begrijpt de rechtbank dat ook [A] de grond voor aansprakelijkheid van Hendriks niet zozeer gelegen vindt liggen in de aard van de verhouding tussen hem en Hendriks in het algemeen, in die zin dat Hendriks feitelijk de zeggenschap had over de arbeidsomstandigheden waaronder [A] zijn werk moest verrichten, maar meer specifiek in de zeggenschap en verantwoordelijkheid van Hendriks voor de steiger. [A] stelt uitdrukkelijk dat het belangrijkste argument voor aansprakelijkheid van Hendriks is gelegen in het feit dat Hendriks de steiger heeft laten bouwen en ter beschikking heeft gesteld aan allen die op het bouwterrein werkzaamheden moesten uitvoeren, en dat het (dus) ook Hendriks was die de zeggenschap had over de steiger en die verantwoordelijk was voor de veiligheid daarvan. [A] legt de nadruk daarmee sterk op de gebrekkigheid van de steiger en de verantwoordelijkheid daarvoor van Hendriks. Daarmee komt de rechtbank toe aan de andere bepalingen die [A] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, te weten de artikelen 6:173 en 6:174 BW, die hierna zullen worden besproken.

    Artikelen 6:173 en 6:174 BW

    5.6. [A] stelt dat het ongeval is veroorzaakt doordat de steiger waarop hij stond niet voldeed aan de eisen die daaraan onder de gegeven omstandigheden konden worden gesteld. Hij beroept zich op wat de vier getuigen van het ongeval hierover hebben verklaard en op de rapportage van de Arbeidsinspectie. Daarmee staat volgens [A] vast dat sprake was van een gebrekkige roerende zaak als bedoeld in artikel 6:173 BW dan wel een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW. Hendriks is volgens [A] aan te merken als bezitter van de steiger en derhalve aansprakelijk voor de schade van [A].

    5.7. Hendriks betwist dat sprake was van een gebrekkige steiger omdat niet exact is vastgesteld waardoor de val van [A] is veroorzaakt en door wie en op welk moment de ontbrekende strip – gesteld dat dit inderdaad de oorzaak van het ongeval was – is verwijderd dan wel ten onrechte niet is aangebracht. Hendriks beroept zich ook op de‘tenzij-clausule’ in artikel 6:173 BW en op artikel 6:181 BW. Voor wat betreft deze laatste bepaling stelt Hendriks dat de steiger (ook) werd gebruikt in het bedrijf van Schraven, Heger Bouw, Stuc-Line en [A] zodat sprake is van gezamenlijke aansprakelijkheid en [A] hooguit eenvijfde deel van zijn schade op Hendriks kan verhalen. 

    5.8. [A] meent dat het beroep van Hendriks op de ‘tenzij-clausule’ niet kan slagen omdat Hendriks ook aansprakelijk was geweest als zij het gebrek aan de steiger had gekend en omdat Hendriks niet zal kunnen bewijzen dat het gebrek pas zó kort voor het ongeval is ontstaan dat ze daar niets meer aan had kunnen doen.
    Volgens [A] is Hendriks, en ook uitsluitend Hendriks, als bedrijfsmatig gebruiker van de steiger aan te merken. 

    De rechtbank oordeelt als volgt.

    5.9. [A] doet een beroep op de artikelen 6:173 en 6:174 BW en laat daarbij in het midden of de steiger moet worden aangemerkt als een roerende zaak dan wel als een opstal. De rechtbank oordeelt dat de steiger een tijdelijke en verplaatsbare constructie is die niet kan worden aangemerkt als een opstal in de zin van artikel 6:174 BW. Het betreft een roerende zaak als bedoeld in artikel 6:173 BW.

    5.10. Ingevolge artikel 6:173 lid 1 BW is de bezitter van een roerende zaak, waarvan bekend is dat zij, zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van ontstaan daarvan zou hebben gekend.

    5.11. In artikel 6:181 lid 1 BW is bepaald dat indien de in artikel 6:173 BW bedoelde roerende zaak wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, de aansprakelijkheid uit artikel 6:173 lid 1 BW rust op degene die dit bedrijf uitoefent. 

    5.12. In artikel 6:181 lid 2 BW is bepaald dat wanneer de roerende zaak in de uitoefening van een bedrijf wordt gebruikt door die zaak ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander, die ander als de aansprakelijke persoon wordt aangemerkt.

    5.13. Tussen partijen is niet in geschil dat Hendriks ten tijde van het ongeval de bezitter was van de steiger. Ook staat vast dat de steiger werd gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, zij het dat partijen het niet eens zijn over de vraag wíe als bedrijfsmatig gebruiker van de steiger moet(en) worden aangemerkt. Dat de steiger bedrijfsmatig werd gebruikt betekent dat, indien sprake is van aansprakelijkheid wegens gebrekkigheid van die steiger, die aansprakelijkheid ligt bij de bedrijfsmatig gebruiker van die zaak en niet (tevens) bij de bezitter van de steiger. Artikel 6:181 BW heeft exclusieve werking in die zin dat geen sprake is van cumulatie van aansprakelijkheid van bezitter en bedrijfsmatig gebruiker. Het beroep van [A] op de andersluidende uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2007 (JA 2007,107) slaagt niet. Dat cumulatieve aansprakelijkheid van bezitter en bedrijfsmatig gebruiker is uitgesloten blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad van 1 april 2011 ( LJN: BP1475) inzake het paard Loretta, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk aangeeft dat en waarom toepasselijkheid van artikel 6:181 BW leidt tot verlegging en niet tot cumulatie van aansprakelijkheid.

    5.14. Partijen twisten over de vraag wie wel of niet als bedrijfsmatig gebruiker van desteiger moet(en) worden aangemerkt. Tussen hen is niet in geschil dat Hendriks als zodanig is aan te merken, maar Hendriks meent dat niet alleen zij maar ook anderen, waaronder [A] zelf, bedrijfsmatig gebruikers waren van de steiger. Hendriks voert daartoe aan dat telkens op het moment dat een andere ondernemer de steiger ging gebruiken, de verantwoordelijkheid voor de steiger op die ondernemer is overgegaan. De rechtbank begrijpt dat Hendriks hiermee een beroep doet op het bepaalde in artikel 6:181 lid 2BW.

    5.15. De rechtbank verwerpt dit beroep van Hendriks op de volgende gronden. 
    Vaststaat dat het tot de verantwoordelijkheid van Hendriks hoorde een deugdelijke steiger op te leveren en dat Hendriks dit ook heeft gedaan om de bouw van het door haar aangenomen project mogelijk te maken. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank is van oordeel dat Hendriks daarom kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker van de steiger. Ook staat vast dat Hendriks de steiger vervolgens ter beschikking heeft gesteld aan [A] en aan anderen die de steiger nodig hadden om werkzaamheden in onderaanneming uit te voeren. Hoewel de tekst van artikel 6:181 lid 2 BW daar de ruimte voor biedt, is de rechtbank van oordeel dat hier toch geen sprake is van een situatie als bedoeld in dat artikellid. Blijkens de wetsgeschiedenis is bij dit artikellid gedacht aan de situatie waarin een ondernemer een zaak gebruikt door haar tegen vergoeding (huur of leasing) ter beschikking te stellen voor gebruik in het bedrijf van een ander. Een voorbeeld hiervan is MB Steigerbouw die de steiger bedrijfsmatig gebruikte door deze tegen vergoeding aan Hendriks ter beschikking te stellen. Zolang de steiger op de bouwplaats van Hendriks stond, had alleen Hendriks, en niet tevens MB Steigerbouw, de beschikking en zeggenschap over de steiger. De aansprakelijkheid voor de steiger lag zolang bij Hendriks. Hendriks heeft de steiger op haar beurt weer ter beschikking gesteld aan anderen, maar dat is niet tegen vergoeding gebeurd. Door [A] isonweersproken gesteld dat van huur of leasing van de steiger door hem of door anderen geen sprake was. Hendriks hield ook zelf de beschikking en de zeggenschap over de steiger. Hendriks kon wellicht niet volledig in de gaten houden wat er gebeurde met de steiger tijdens het gebruik door anderen, maar zij bleef naar eigen zeggen wel toezicht uitoefenen op de steiger en voerde controles uit. Naar het oordeel van de rechtbank is de verantwoordelijkheid voor de steiger steeds bij Hendriks blijven liggen en isde aansprakelijkheid voor de steiger niet ingevolge artikel 6:181 lid 2 BW overgegaan op [A] en de anderen die de steiger voor kortere of langere tijd
    – deels gelijktijdig – hebben gebruikt. Zo’n overgang van aansprakelijkheid naar de vele gebruikers van de steiger zou ook in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de bedoeling van de wetgever met artikel 6:181 BW is geweest om te komen tot concentratie van aansprakelijkheid bij één partij, niet alleenomdat de benadeelde zich dan steeds totéén aansprakelijke partij kan wenden, maar ook omdat het (bedrijfs)risico van het gebruik van een zaak dan gemakkelijker als één risico kan worden berekend en verzekerd. Wanneer zou worden aangenomen dat [A] en alle andere feitelijke gebruikers van de steiger moeten worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker op wie aansprakelijkheid rust als bedoeld in artikel 6:181 BW, zou dit leiden tot een veelheid aan aansprakelijke personen en derhalve tot een door de wetgever niet gewenste versplintering van aansprakelijkheid.

    5.16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Hendriks en uitsluitend Hendriks moet worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker van de steiger op wie de aansprakelijkheid rust als bedoeld in artikel 6:181 lid 1 BW. 

    5.17. Over de vraag of het ongeval veroorzaakt is door een gebrek in de steiger en over het beroep van Hendriks op de ‘tenzij-clausule’ van artikel 6:173 BW oordeelt de rechtbank als volgt.

    5.18. Op grond van wat de vier getuigen hebben verklaard tegenover de Arbeidsinspectie en op grond van het verhandelde ter zitting van 27 januari 2011, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [A] is gevallen doordat vloerdelen van de steiger los zijn geraakt uit de consoles (driehoekige beugels) en zijn gevallen. Ook neemt de rechtbank als vaststaand aan dat dit heeft kunnen gebeuren doordat een veiligheidsstrip die aan de voorkant van de steiger hoort te zitten om de consoles op hun plaats te houden, ontbrak. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank ook vast dat de steiger op het moment dat [A] viel niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden daaraan mocht stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een gebrekkige steiger de oorzaak is geweest van het ongeval van [A] en niet bijvoorbeeld een misstap van [A].

    5.19. Hendriks is dan ook als bedrijfsmatig gebruiker van de steiger aansprakelijk voor de schade die [A] door dit ongeval lijdt, tenzij Hendriks met succes een beroep kan doen op dezogenaamde‘tenzij-clausule’ in het laatste zinsdeel van artikel 6:173 lid 1 BW. Dit is het geval indien het gebrek uitsluitend door eigen schuld van [A] is ontstaan of indien het gebrek vlak voor het ongeval is ontstaan, zodat Hendriks geen maatregelen had kunnen nemen om het ongeval te voorkomen, ook niet als hij van het gebrek had geweten. Door Hendriks is in dit verband onvoldoende gesteld. Hendriks beroept zich er op dat de steiger voor ingebruikname is gecontroleerd door MB Steigerbouw en door Matemco en dus bij oplevering voldeed aan de daaraan te stellen eisen waarna zich tot [datum] geen problemen met de steiger hebben voorgedaan. Maar Hendriks stelt ook dat niet bekend is door wie en/of op welk moment de ontbrekende strip is verwijderd of ten onrechte niet is aangebracht. De rechtbank kan dan ook niet komen tot de vaststelling dat het gebrek pas kort voor het ongeval is ontstaan en dat Hendriks geen maatregelen meer had kunnen nemen om het ongeval te voorkomen. Dat het op enigerlei wijze aan [A] te wijten is dat de strip ontbrak is door Hendriks niet gesteld en de rechtbank ziet ook geen enkele aanleiding om dit te veronderstellen. [A] heeft ter zitting verklaard dat nog kort voordat hij met zijn werk begon de steiger is opgehoogd – naar [A] meent door personeel van Hendriks – en dat op de ophoging de veiligheidsstrip ontbrak. Hendriks heeft dit niet uitdrukkelijk betwist maar slechts naar voren gebracht dat het thans zo is dat een steiger direct op zodanige wijze wordt opgebouwd dat iedereen erop kan werken en geen aanpassingen meer nodig zijn, en dat het niet gebruikelijk is dat Hendriks zelf aanpassingen aan de steiger aanbrengt omdat daar gespecialiseerd personeel voor nodig is. Gelet op al het voorgaande slaagt het beroep van Hendriks op de‘tenzij-clausule’ niet.

    Overige grondslagen

    5.20. Nu de rechtbank aansprakelijkheid van Hendriks aanneemt op grond van de artikelen 6:181 lid 1 juncto 6:173 lid 1 BW, behoeven de overige aangevoerde grondslagen voor aansprakelijkheid van Hendriksgeen bespreking.

    Eigen schuld

    5.21. Hendriks meent dat een deel van de schade voor rekening van [A] dient te blijven wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW. Hendriks voert hiertoe aan dat [A] onvoldoende oplettend is geweest. Hij werkte dagelijks op steigers en had moeten opmerken dat de steiger op de plek waar hij werkte niet stabiel was. Hij had dan eenvoudig kunnen zien dat de veiligheidsstrip ontbrak. [A] heeft zelf verklaard dat een monteur van MB Steigerbouw op [datum] na hetongeval heeft gezien dat een strip los lag op de steiger. [A] had die losliggende strip moeten zien.

    5.22. [A] betwist dat hij onvoldoende oplettend is geweest. Hij stelt de losliggende strip niet te hebben gezien. Hij zag de goedkeuringslabels aan de steiger hangen en mocht daarom aannemen dat de steiger veilig was.

    5.23. De rechtbank overweegt het volgende. Indien de stelling van [A] juist isdat een monteur van MB Steigerbouw na het ongeval heeft gezien dat een strip los lag op de steiger, staat voor de rechtbank nog niet vast dat [A] die strip ook heeft moeten zien liggen. Zonder andersluidende toelichting, die niet is gegeven, acht de rechtbank denkbaar dat de strip niet precies op de plek lag waar [A] aan het werk was maar elders, bijvoorbeeld op een hoger of lager gelegen steigervloer. Door Hendriks is ook onvoldoende toegelicht hoe [A] had kunnen opmerken dat de steiger instabiel was, waarna hij had moeten vaststellen dat de strip tussen de consoles ontbrak. Al met al is de rechtbank van oordeel dat Hendriks haar stelling dat en waarom sprake is geweest van eigen schuld aan de zijde van [A] onvoldoende heeft onderbouwd. Aan het leveren van bewijs – Hendriks heeft een algemeen bewijsaanbod gedaan – komt de rechtbank daarom niet toe, evenmin als aan bespreking van het beroep van [A] op de billijkheidscorrectie.

    5.24. De door [A] gevorderde verklaring voor recht dat Hendriks aansprakelijk is voor de schade die [A] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval,zal daarom bij eindvonnis worden toegewezen.

    Schade

    5.25. [A] vordert een veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat. De rechtbank ziet geen reden voor een schadestaatprocedure en zal de schade in deze procedure begroten omdat door Hendriks onweersproken is gesteld dat [A] in het buitengerechtelijk traject al berekeningen heeft voorgelegd. Ter zitting heeft [A] ook aangegeven dat het zijn voorkeur heeft de schade in deze procedure te begroten. 

    5.26. Dat [A] als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen waardoor hij schade lijdt, is niet in geschil. De rechtbank begrijpt dat de schade die [A] wenst te vorderen hoofdzakelijk bestaat uit schade wegens verlies van verdienvermogen en dat partijen het met name oneens zijn over de redelijke verwachtingen ten aanzien van de verdiencapaciteit van [A]. Partijen hebben in deze procedure hierover nog geen stellingen ingenomen. Over eventuele andere schadeposten en over de hoogte van zijn schade is door [A] in deze procedure (ook) nogniets naar voren gebracht en de rechtbank zal [A] daarom opdragen om zijn vordering te wijzigen – van verwijzing naar de schadestaatprocedure tot veroordeling tot betaling van een concreet bedrag aan schadevergoeding – en om thans gemotiveerd en onderbouwd aan te geven welk schadebedrag hij vordert en waaruit deze schade precies bestaat.

    5.27. Bij het concretiseren van zijn schadevordering dient [A] uiteraard rekening te houden met het bedrag van EUR 100.000,- dat hij reeds van Hendriks heeft ontvangen.

    Voordeelverrekening 

    5.28. Hendriks brengt naar voren dat [A] een aanspraak heeft jegens RVS Schadeverzekering N.V. (hierna: RVS) en dat de vergoeding die [A] van RVS heeft ontvangen of nog zal ontvangen op de voet van artikel 6:100 BW moet worden verrekend met de schade.

    5.29. Uit het arrest van het hof Arnhem van 3 november 2009, dat door Hendriks in het geding is gebracht, blijkt het volgende. Het hof heeft voor recht verklaard dat RVS (in haar hoedanigheid van werkgeefster van assurantietussenpersoon [naam]) jegens [A] toerekenbaar is tekortgeschoten in haar zorgplicht als assurantiepersoon door op 5 april 2004 niet een aanvraagformulier voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor [A] aan Nationale Nederlanden toe te zenden. Het hof heeft RVS ook veroordeeld tot vergoeding van de door die tekortkoming veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat. Het hof achtte aannemelijk dat [A] schade heeft geleden want indien het formulier op 5 april 2004 wel was verzonden had [A] ten tijde van hetongeval op [datum] voorlopige dekking gehad onder de‘gratis voorlopige dekking ongevallenrisico’. En, zo overweegt het hof, RVS heeft niet betwist dat [A] enkel en alleen ten gevolge van het ongeval blijvend letsel heeft opgelopen en daardoor niet meer in staat was en nooit meer in staat zal zijn om zijn werkzaamheden als stukadoor uit te oefenen, zodat het causaal verband is gegeven.

    5.30. Uit een ook door Hendriks overgelegde brief van het Nederlands Rekencentrum Letselschade van 13 maart 2007 blijkt dat de schade die [A] heeft geleden wegens niet ontvangen uitkeringen uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering in opdracht van [A] door het NRL is berekend op een bedrag van EUR 565.589,00. Aangenomen moet daarom worden dat dat het schadebedrag is dat [A] van RVS vordert.

    5.31. Desgevraagd heeft [A] ter zitting verklaard tot nu toe een bedrag van EUR 112.000,- van RVS te hebben ontvangen. Hij beschouwt dit als een deelbetaling en meent dat dit bedrag niet als opkomend voordeel verrekend moet worden met de door Hendriks te vergoeden schade omdat het [A] zelf was die een verzekering afsloot (althans daartoe stappen ondernam).

    5.32. De rechtbank is met Hendriks van oordeel dat de betalingen die [A] van RVS heeft ontvangen en naar redelijke verwachting nog zal ontvangen, verrekend moeten worden met de door Hendriks te vergoeden schade overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:100 BW. De rechtbank acht verrekening redelijkomdat de betalingen door RVS in de plaats komen van de verzekeringsuitkering die [A] had ontvangen als zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdig in behandeling was genomen. De betalingen zien dus op vergoeding van de schade die [A] lijdt doordat hij als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geworden voor zijn eigen werk als stukadoor en dat is nu juist ook de schade die [A] vordert van Hendriks. De rechtbank acht verrekening te meer redelijk gelet op de aard van de aansprakelijkheid van Hendriks – het betreft een risicoaansprakelijkheid – en omdat [A] geen premie heeft betaald voor de verzekering.

    Conclusie

    5.33. De door [A] gevorderde verklaring voor recht dat Hendriks aansprakelijk is voor de schade die [A] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval, is toewijsbaar. De rechtbank zal [A] thans opdragen om zijn vordering aan te passen en daarbij gemotiveerd en onderbouwd aan te geven welk schadebedrag hij vordert en waaruit deze schade precies bestaat. Daarbij dient hij rekening te houden met de van Hendriks en RVS (te)ontvangen bedragen.

    5.34. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

    in de vrijwaringszaak
    5.35. Hendriks baseert zijn vordering in vrijwaring op de stelling dat Heger Bouw c.s. en Stuc-Line (mede) aansprakelijk zijn voor de schade van [A] op de grondslagen die [A] ook jegens haar heeft ingeroepen. 

    5.36. Derechtbank oordeelt in de eerste plaats dat het beroep van Hendriks op artikel 7:658 lid 4 BW niet kan slagen. Zoals de rechtbank al overwoog in de hoofdzaak, is de jurisprudentie overde reikwijdte van artikel 7:658 lid 4 BW niet eenduidig en staat geenszins vast dat dit artikellid zo ruim moet worden uitgelegd dat niet alleen werknemers maar ook zelfstandigen zoals [A] hieraan aanspraken kunnen ontlenen. Daar komt bij dat niet vaststaat hoe het precies zit met de relatie tussen Heger Bouw c.s., Stuc-Line en [A]. Door Hendriks zijn geen feiten gesteld waaruit kan blijken in hoeverre Heger Bouw c.s. en/of Stuc-Line feitelijk zeggenschap hadden over de arbeidsomstandigheden waaronder [A]zijn werk moest verrichten. De rechtbank ziet daarom onvoldoende grond om te oordelen dat [A] onder het bereik van artikel 7:658 lid 4 BW valt.

    5.37. Naar het oordeel van de rechtbank kan Hendriks ook geen geslaagd beroep doen op artikel 6:173 juncto artikel 6:181 BW omdat alleen Hendriks zelf en niet ook Heger Bouw c.s. en/of Stuc-Line als bedrijfsmatig gebruikers van de steiger zijn aan merken. De rechtbank verwijst naar wat zij daarover heeft geoordeeld in de hoofdzaak. 

    5.38. Het beroep van Hendriks op de artikelen 6:76, 6:170, 6:171 en 6:162 BW is door Hendriks onvoldoende onderbouwd. Zij heeft slechts aangevoerd dat‘niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een medewerker of zelfstandige hulppersoon van Heger Bouw c.s. en/of Stuc-Line onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld.’ Hendriks wijst hierbij op de mogelijkheid dat een medewerker of hulppersoon van Heger Bouw c.s. of Stuc-Line de onveilige situatieheeft gecreëerd. De enkele gestelde mogelijkheid van een dergelijke fout is volstrekt onvoldoende om tot aansprakelijkheid van Heger Bouw c.s. en/of Stuc-Line te kunnen concluderen.

    5.39. Tot slot kan ook het beroep van Hendriks op artikel 7:406 BW niet slagen omdat hier sprake is van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW en niet van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Artikel 7:406 BW mist om die reden hier toepassing.

    5.40. De rechtbank kan dan ook niet komen tot de vaststelling dat Heger Bouw c.s. en/of Stuc-Line naast Hendriks mede aansprakelijk is/zijn voor de schade van [A]. Aan Hendriks komt dan ook geen regresvordering toe. De vordering in vrijwaring zal worden afgewezen.

    5.41. De overige verweren, waaronder de beroepen op verjaring, kunnen onbesproken blijven. 

    5.42. Hendriks zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten in de vrijwaringszaak. 

    5.43. De kosten aan de zijde van Heger Bouw c.s. worden begroot op:
    – dagvaardingEUR 0,00
    – overige explootkosten 0,00
    – vast recht 263,00
    – getuigenkosten 0,00
    – deskundigen 0,00
    – overige kosten 0,00
    – salaris advocaat 904,00 (2 punten× tarief EUR 452,00)
    Totaal EUR 1.167,00

    5.44. De kosten aan de zijde van Stuc-Line worden begroot op:
    – dagvaarding EUR 0,00
    – overige explootkosten 0,00
    – vast recht 263,00
    – getuigenkosten 0,00
    – deskundigen 0,00
    – overige kosten 0,00
    – salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)
    Totaal EUR 1.167,00

    6. De beslissing

    De rechtbank

    in de hoofdzaak

    6.1. draagt [A] op om zijn eis te wijzigen en zijn schade nader te concretiseren, en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 24 augustus 2011 voor het nemen van een akte door [A], waarna Hendriks in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen,

    6.2. houdt iedere verdere beslissing aan, 

    in de vrijwaring

    6.3. wijst de vorderingen af,

    6.4. veroordeelt Hendriks in de proceskosten, aan de zijde van Heger Bouw c.s. tot op heden begroot op EUR 1.167,00,

    6.5. veroordeelt Hendriks in de proceskosten, aan de zijde van Stuc-Line tot op heden begroot op EUR 1.167,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening,

    6.6. verklaart dit vonnis voor wat betreft onderdeel 6.4 uitvoerbaar bij voorraad.

    Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Weij en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.

  • LJN BQ4773, Rechtbank Utrecht, 636461 UC EXPL 09-9690 DJ/4066
    Datum uitspraak: 13-04-2011
    Datum publicatie: 17-05-2011
    Rechtsgebied: Civiel overig
    Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
    Zaaknummers: 636461 UC EXPL 09-9690 DJ/4066
    Sector toon: Sector kanton
    Inhoudsindicatie:
    Arbeidsongeval. Werknemer raakt met hand bekneld tussen spoorstaven die met een vorkheftruck op elkaar worden gestapeld. Het werken met een vorkheftruck met daarop een zeer zware lading moet als risicovol worden aangemerkt.

    Dowload PDF-versie
    Uitspraak

    RECHTBANK UTRECHT
    Sector Civiel
    Kantonrechter

    Locatie Utrecht

    zaaknummer: 636461 UC EXPL 09-9690 DJ/4066

    vonnis d.d. 13 april 2011

    inzake

    [eiser],
    wonende te [woonplaats],
    verder ook te noemen [eiser],
    eisende partij,
    gemachtigde: mr. B.A.M. Schümmer, advocaat te Oegstgeest,

    tegen:

    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
    Voestalphine WBN B.V.,
    gevestigd te Utrecht,
    verder ook te noemen WBN,
    gedaagde partij,
    gemachtigde: mr. P.C. Knijp, advocaat te Rotterdam.

    Het verloop van de procedure

    De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 24 februari 2010.
    WBN heeft vier getuigen doen horen. Daarvan is telkens proces-verbaal opgemaakt.
    [eiser] heeft in tegenverhoor zichzelf als partijgetuige doen horen. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
    Partijen hebben zich schriftelijk uitgelaten.
    Hierna is uitspraak bepaald.

    De verdere beoordeling van het geschil

    1. Bij vonnis van 24 februari 2010 is aan WBN het bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden die het oordeel wettigen dat zij in de omstandigheden van dit geval aan haar zorgplicht heeft voldaan. Daarbij is overwogen dat de veiligheidsmaatregelen die in redelijkheid van WBN verwacht mochten worden niet alleen betrekking hebben op de veiligheid in algemene zin maar ook op de veiligheid met betrekking tot deze specifieke situatie.

    2. WBN heeft in het kader van de bewijsopdracht de volgende getuigen doen horen: [voorman], voorman, [vorkheftruckchauffeur], vorkheftruckchauffeur, [technisch manager], technisch manager en [supervisor], supervisor.

    3. Uit deze getuigenverklaringen valt af te leiden dat WBN diverse veiligheidsmaatregelen heeft getroffen: er werden veiligheidsschoenen en veiligheidshandschoenen verstrekt en er werd op toegezien dat deze gedragen werden. Voorts blijkt uit deze verklaringen (met name uit de verklaring van [supervisor]) dat iedere medewerker kort na aanvang van zijn dienstverband een aantal veiligheidsinstructies krijgt. Hiervoor wordt de‘Checklist nieuw personeel’ gebruikt die bij conclusie van antwoord is overgelegd. Na het ontvangen van de instructies parafeert de medewerker deze checklist per onderdeel. [eiser] heeft betwist dat hij instructies zou hebben ontvangen. Hij heeft in dat verband als partijgetuige verklaard:“Een paar weken later werd ik door dhr. [supervisor] geroepen, dat hij een formulier had. Dhr. [supervisor] zei tegen mij dat op dat formulier een paar dingen stonden, dat ik daarop moest kijken en dat ik daarna even moest tekenen. Hij zei: het zijn wat formaliteiten, teken maar dan kom het wel goed. Het betreft het formulier dat is gehecht als productie 1 aan de conclusie van antwoord. (…) U houdt mij voor dat ik zojuist heb gehoord de hele verklaring van dhr. [supervisor] en wat hij allemaal heeft gezegd over hoe hij de veiligheidsvoorschriften meedeelt en handhaaft. Zij verhaal klopt niet. Ik ben niet één keer getoetst. U toont mij nogmaals productie 1 bij de conclusie van antwoord. Ik heb dat formulier een keer of 4 geparafeerd. Dat is allemaal op één dag gebeurd. Ik vertel u nader dat één paraaf later is gezet. Ik ben daarvoor nog een keer apart op kantoor geroepen met de mededing‘deze moet je nog even doen’. U vraagt mij welke veiligheidsregels mij door WBN voor het ongeval zijn bijgebracht. Ik antwoord daarop: niet. (…) Met mij is niet gesproken over de Afdeling-veiligheids/gedragsregels.”
    [supervisor] heeft hierover daarentegen verklaard: “Het is juist dat alleonderdelen van die checklist waar door het blokje een kruisje staat door mij persoonlijk met dhr. [eiser] zijn doorgenomen en dat is gebeurd op de datum waarop dhr. [eiser] zijn paraaf bij heeft gezet. Binnen onze organisatie is het verplicht om al deze punten met de werknemers door te nemen. Dat gebeurt ook met een zekere plichtmatigheid, maar ik zeg erbij dat ik het ook altijd serieus doe. Aan het begin als iemand binnenkomt, kan ik niet precies beoordelen welk niveau die persoon heeft. Ik informeer de mensen over de gevaren en dan wordt de werknemer overgedragen aan een voorman die dan verder de praktische veiligheidszaken bij de menseninprent. U vraagt mij aan wie ik dhr. [eiser] heb overgedragen. Volgens mij is dat aan dhr. [voorman] geweest. Ik denk dat de eerste introductie van een nieuwe werknemer ongeveer een halve dag duurt. Dan draag ik de desbetreffende persoon over aan zijn voorman. In mijn herinnering is het zo dat ik dhr. [eiser] in de opstartfase van de werkplek in Hilversum vrijwel dagelijks meermalen heb gesproken. Ik sprak in die tijd ook veel en dagelijks met zijn voorman dhr. [voorman]. Dat ging over meer dingen dan alleen veiligheid, maar dat kwam in die gesprekken ook met regelmaat aan de orde. Na een aantal weken heb ik zo een goed beeld van het kunnen en kennen van de desbetreffende werknemer. Ik dan ook goed zien hoe hij met de veiligheidsaspecten van zijn werk omgaat. Dan is het moment gekomen dat ik de werknemer op kantoor roep en ga aftekenen op de checklist zoals die ook is gevoegd als productie 1 bij de conclusie van antwoord. Zo is het ook bij dhr. [eiser] gegaan.”
    De kantonrechter stelt vast dat [supervisor] een uitgebreide uiteenzetting heeft gegeven van zijn werkwijze ten aanzien van de handhaving van veiligheidsmaatregelen en de checklist die hij in dit verband hanteert. Dat hij deze werkwijze hanteert wordt door [eiser] niet betwist. [eiser] erkent immers dat hij tweemaal op kantoor is geroepen in verband met de veiligheidsinstructies en dat [supervisor] de checklist met hem is doorgelopen. Ook erkent [eiser] dat hij de lijst in totaal vijfmaal geparafeerd heeft. De kantonrechter acht de verklaring van [eiser] dat hij desondanks geen veiligheidsinstructies heeft ontvangen terwijl hij daar wel voor heeft geparafeerd, mede in het licht van de uitgebreide verklaring van [supervisor] omtrent zijn werkwijze, op dit punt onvoldoende overtuigend. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [eiser] op de door hem geparafeerde onderdelen veiligheidsinstructies heeft gekregen op 4 respectievelijk 22 juli 2003.

    4. Naast veiligheidsinstructies met betrekking tot de algemene situatie op het werkterrein dient de werkgever ook veiligheidsinstructies met betrekking tot de specifieke werksituatie te geven. Ten aanzien van de concrete werkzaamheden waarbij tussen de verschillende werknemers moet worden samengewerkt is immers het van belang dat er duidelijke instructies zijn ten aanzien van vraag wie de leiding heeft bij de werkzaamheden en welke onderlinge signalen moeten worden gebruikt. Indien deze afspraken ontbreken bestaat het risico dat ongevallen ontstaan door onduidelijkheden in de onderlinge communicatie. Dit klemt temeer indien sprake is van werkzaamheden met een verhoogd risico op ongevallen, zoals in het onderhavige geval waarbij sprake is van het werken met een vorkheftruck en het stapelen van zeer zware materialen. Het ligt dan ook op de weg van de werkgever om hiervoor in voldoende mate zorg te dragen. Uit de getuigenverklaringen blijkt echter dat er niet of nauwelijks instructies bestonden met betrekking tot deze specifieke situatie en de daarbij te hanteren communicatie. Ten aanzien van het werken om- en nabij een vorkheftruck werd slechts als instructie gegeven dat de medewerker zich niet onder de vorkheftruck mag begeven wanneer deze geladen is. De kantonrechter stelt aldus echter vast dat er voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden geen duidelijke en ondubbelzinnige instructies werden gegeven met betrekking tot het stapelen van spoorstaven. [vorkheftruckchauffeur] verklaart hierover:“U vraagt mij nogmaals of er voorschriften zijn over hoe die werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Ik haal mijn schouders op. Ik weet dat niet echt, het gaat gewoon zo. Er zal heus wel iets op papier staan, maar ik weet niet wat er op papier staat.” [voorman] is hierover niet expliciet in zijn verklaring. Hij verklaart: “U vraagt mij of ik [eiser] nog mondeling instructies heb gegeven over hoe hij zijn werkzaamheden moest verrichten. Ik antwoord u daarop dat gebeurt eigenlijk werkenderwijs. Ik zei die jongens dat ze ‘hierop en daarop’moeten letten.” Voorts stelt de kantonrechter vast dat er geen duidelijke procedure was afgesproken voor de situatie waarin de vorkheftruck tussentijds gestopt moest worden. Er was niet afgesproken wanneer de vorkheftruckchauffeur de lepels kon laten zakken en er was geen stopteken afgesproken. [vorkheftruckchauffeur] verklaart hierover:“U vraagt mij of er tussen mij en [eiser] afspraken waren over hoe dat zou gaan als ik bezig was met de vorkheftruck en hij met het leggen van de ‘houtjes’. Ik antwoord daar op ‘pfff ik ben bezig met de vorkheftruck en hij is bezig met het leggen van de‘houtjes’. U vraagt mij of [eiser] of ik de leiding hadden bij het verrichten van deze werkzaamheden. Je werkt samen. We zijn collega’s. Als de één zegt ‘laat maar zakken’ dan laat je zakken en als de één zegt ‘stop’ dan stop je. Ik krijg wel eens cursussen en daar staat in hoe jehandgebaren moet geven. Als je je hand opsteekt met de palm naar voren naar de ander dan is dat een stopteken. Volgens mij is dat wettelijk vastgelegd. U vraagt mij of [eiser] en ik daar afspraken over hadden. Niet dan ik weet.” De kantonrechter constateert dat er evenmin afspraken waren over de afstand die in acht genomen moest worden ten aanzien van de heftruck. [vorkheftruckchauffeur] verklaart daarover: “Ik weet niet of er voorschriften zijn of mensen zich op een bepaalde afstand moeten houden van een vorkheftruck.” en [voorman] verklaart: “U vraagt mij of er tegen [eiser] gezegd is welke afstand hij in acht moest nemen ten aanzien van de vorkheftruck bij het laden en lossen. Ik weetdat niet, ik kan mij dat niet herinneren.”

    5. Door niet als voorwaarde te stellen dat er duidelijke afspraken werden gemaakt omtrent de vraag wie de leiding had bij het stapelen van spoorstaven, wanneer de heftruckchauffeur de lepels van de heftruck kon laten zakken en welk gebaar als stopteken werd gehanteerd en door niet toe te zien op de naleving van dergelijke afspraken, heeft WBN het risico in het leven geroepen dat er onduidelijkheid in de communicatie tussen de werknemers zou ontstaan. Juistin een geval als het onderhavige waarbij gewerkt wordt met een vorkheftruck met zeer zware belading kan een dergelijk situatie tot ernstig letsel lijden. Hierdoor ontstaat immers het risico dat degene die stophouten moet plaatsen ten gevolge onduidelijkheid in de communicatie gewond raakt. Van WBN mocht redelijkerwijs worden verwacht dat zij dergelijke voorschriften omtrent de wijze van samenwerken zou geven. Daarbij moet bovendien worden opgemerkt dat WBN zich er als werkgever van bewust moet zijn dat werknemers in de dagelijkse omgang met machines, zoals een vorkheftruck, niet altijd alle voorzichtigheid in acht nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is (Hoge Raad 14 april 1978, NJ 1979,245). Voorts is van belang dat het draaien van de stophouten geen incidentele actie betrof maar een handeling die veelvuldig voorkwam. [vorkheftruckchauffeur] heeft daarover verklaard:“Het gebeurde vaker dat mensen tijdens het laden en lossen nog draaiden aan de stophouten die lagen tussen de spoorstaven. U vraagt mij of er ook gedraaid werd aan de stophouten op het moment dat met de lepels van de vorkheftruck al begonnen was met het laten dalen van de lading. Ook dan werd er nog wel gedraaid.” Temeer gelet op het feit dat de werknemers er kennelijk een gewoonte van maakten om nog tijdens het laten zakken van de lepels de stophouten te draaien, lag het op de weg van WBN om toe te zien op afspraken hierover en haar werknemers te wijzen op het gevaar van deze wijze van handelen. Gesteldnoch gebleken is dat van dit laatste sprake is geweest. Dat, zoals WBN stelt, herhaaldelijk wordt vermeld dat men niet onder een vorkheftruck met lading mag lopen maakt dit niet anders. Daarvan was in het onderhavige geval immers geen sprake. Het betrof een handeling waarbij [eiser] zich noodgedwongen in de buurt van de vorkheftruck met daarop een zware lading bevond om zijn werkzaamheden te kunnen verrichten. De stelling van WBN dat van haar als werkgever niet kan worden verwacht dat zij waarschuwt tegen algemeen bekende gevaren gaat niet op. Anders dan in de jurisprudentie die WBN aanhaalt betreft het hier immers geen dagelijks voorkomende situatie maar een zeer specifiek soort werkzaamheden onder risicoverhogende omstandigheden.

    6. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat WBN niet is geslaagd in het bewijs van de stelling dat zij haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW is nagekomen. Dit betekent dat WBN aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [eiser] op 24 september 2003 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden ten behoeve van WBN is overkomen. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.

    7. Nu geen medische eindsituatie is bereikt kan de omvang van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade thans niet worden vastgesteld. Vaststelling van de omvang van de schade zal dan ook dienen plaats te vinden in een schadestaatprocedure. Dit betekent dat het onder 2. gevorderde eveneens zal worden toegewezen. In de schadestaatprocedure zal eveneens de vraag aan de orde komen in hoeverre de gestelde schade een gevolg is van het ongeval van 24 september 2003.

    8. WBN zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. [eiser] vordert tevens om WBN te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten voor het geval deze niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan. Deze vordering zal worden toegewezen met dien verstande dat wettelijke rente wordt toegekend vanaf 14 na betekening van het vonnis. De gevorderde nakosten zullen niet worden toegewezen, nu thans niet vaststaat dat deze gemaakt dienen te worden.

    De beslissing

    De kantonrechter:

    1. verklaart voor recht dat WBN aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het ongeval dat hem op 24 september 2003 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden ten behoeve van WBN is overkomen;
    2. veroordeelt WBNtot betaling aan [eiser] van de schade die [eiser] ten gevolge van het onder 1. bedoelde ongevalheeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 september 2003 tot de voldoening;
    3. veroordeelt WBN tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op€ 1.195,98, waarin begrepen € 1.000,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de14e dag na betekening van dit vonnis;
    4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
    5. wijst het meer of anders gevorderde af.

    Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.

  • LJN BQ6265, Rechtbank Rotterdam, AWB 10/3966 WET-T2
    Datum uitspraak: 26-05-2011
    Datum publicatie: 27-05-2011
    Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
    Soort procedure: Eerste aanleg – meervoudig
    Zaaknummers: AWB 10/3966 WET-T2
    Inhoudsindicatie:
    Arbeidsongeval. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit is overtreden. Verweerder was bevoegd een boete aan eiseres op te leggen.

    Op basis van hetgeen eiseres terzake heeft aangevoerd valt niet in te zien dat haar geen enkel verwijt valt te maken met betrekking tot het ongeval of dat zich een omstandigheid voordoet die zou moeten leiden tot verlaging van het normbedrag van de boete.

    Bij bepaling van de hoogte van de boete is verweerder van het juiste aantal werknemers uitgegaan. Uit het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Arbowet volgt dat een stagiair of ingeleende werknemer onder het werknemerbegrip valt. Niet valt in te zien dat in de Beleidsregels een ander of een meer feitelijk werknemerbegrip wordt gehanteerd dan de Arbeidsomstandighedenwet waarop zij gebaseerd zijn

    Dowload PDF-versie
    Uitspraak

    RECHTBANK ROTTERDAM

    Sector Bestuursrecht
    Meervoudige kamer

    Reg.nr.: AWB 10/3966 WET-T2

    Uitspraak in het geding tussen

    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres, gemachtigde mr. H.A. Meindersma,

    en

    de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

    1 Ontstaan en loop van de procedure
    Bij besluit van 2 september 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 mei 2010 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft verweerder eiseres krachtensartikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) een boete opgelegd van€ 5.400,–.

    Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

    Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2011. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, [A] en [B], extern adviseur P&O. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.E. van Heijningen.

    2 Overwegingen
    2.1 Op 23 februari 2010 heeft in een leslokaal van het College [naam college] te [vestigingsplaats college] een arbeidsongeval plaatsgevonden waarbij een werknemer van eiseres, [naam werknemer] (hierna: de werknemer), gewond is geraakt, doordat de ladder waarop hij zich bevond bijwerkzaamheden aan een cv-ketel, is weggegleden.

    2.2 Aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde boeteoplegging heeft verweerder ten grondslag gelegd de overtreding door eiseres van artikel 7.23a, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit), daar de ladder waarop de werknemer zich bevond niet tegen wegglijden was geborgd.

    2.3 Artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) luidt:
    “1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
    a. werkgever:
    1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;
    2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;
    b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.
    2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
    a. werkgever:
    1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;
    2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen;
    b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die als vrijwilliger arbeid verricht.”

    Artikel 16, tiende lid, van de Arbowet luidt:
    “De werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel,artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.”

    Artikel 33, tweede lid, van de Arbowet luidt:
    “Als overtreding wordt tevens aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding. Ter zake van de overtredingen, bedoeld in de vorige zin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.”

    Artikel 34, van de Arbowet , voor zover van belang, luidt:
    “1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid alsovertreding.
    2. (…)
    3. De hoogte van de bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding kan worden opgelegd is gelijk aan de geldsom van de categorie die voor de overtreding is bepaald. (…)
    4. Er zijn 2 categorieën:
    1°. de eerste categorie: € 9.000;
    2°. de tweede categorie: € 22.500.
    5. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin is aangegeven hoe de hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete wordt bepaald.
    (…)”

    Artikel 7.23a van het Arbobesluit luidt:
    “1. Ladders en trappen worden zodanig geplaatst dat hun stabiliteit tijdens het gebruik is gewaarborgd. In ieder geval worden hiertoe de volgende maatregelen genomen:
    a. de steunpunten van draagbare ladders en trappen rusten op een stabiele, stevige en onbeweeglijke ondergrond van voldoende omvang, zodat de sporten horizontaal blijven;
    b. hangladders worden stevig vastgemaakt en, met uitzondering van touwladders, zodanig dat zij niet kunnen verschuiven en dat heen en weer zwaaien wordt vermeden.
    2. Bij het gebruikvan ladders en trappen worden in ieder geval de volgende maatregelen genomen:
    a. het wegglijden van de voet van draagbare ladders en trappen tijdens het gebruik wordt tegengegaan door de boven of onderkant van de ladderbomen vast te zetten, of door middel van een antislipinrichting of een andere, even doeltreffende oplossing;
    b. toegangsladders steken tenminste 1 meter uit boven het toegangsniveau, tenzij andere voorzieningen een veilig houvast mogelijk maken;
    c. meerdelige ladders en schuifladders worden zodanig gebruikt dat de verschillende delen niet ten opzichte van elkaar kunnen verschuiven;
    d. verrolbare ladders en trappen worden vastgezet voordat zij worden betreden.
    3. Ladders en trappen worden zodanig gebruikt dat de werknemers steeds veilige steun en houvast hebben. In elk geval mag het met de hand dragen van lasten op een ladder of een trap niet een veilig houvast belemmeren.”

    Artikel 9.1 van het Arbobesluit , voor zover van belang, luidt:
    “De werkgever is verplicht tot naleving vande voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, (…).”

    Artikel 9.9c van het Arbobesluit , voor zover van belang, luidt:
    “1. Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:
    (…)
    g. van hoofdstuk 7: de artikelen (…) 7.23a, (…)”

    Volgens beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels Arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregels), voor zover thans van belang, geldt ingeval het bedrijf 5 tot en met 9 werknemers heeft€ 5.400,- als normbedrag bij de berekening van een boete voor een beboetbaar feit van de tweede categorie bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet en zoals hier aan de orde. Voor een bedrijf met minder dan 5 werknemers geldt in zo’n geval eenboete van€ 2.700,-.
    Volgens onderdeel c van het achtste lid, gelezen in verbinding met het vierde lid, onder b, kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn die achtereenvolgens leiden tot verlaging van het normbedrag:
    – indien de werkgever aantoont dat hij de risico's van de werkzaamheden waarbij de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd;
    – indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd;
    – indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.
    Volgens het negende lid wordt indien de verwijtbaarheid ontbreekt, geen boete opgelegd.

    2.4 Vaststaat dat de ladder waarop de werknemer ten tijde van het ongevalstond, is weggegleden. Uit het ongevallenboeterapport van de Arbeidsinspectie van 6 april 2010 blijkt genoegzaam dat er door de werknemer geen maatregelen zijn genomen om dit te voorkomen. De ladder was niet aan de boven- of onderkant van de ladderbomen vastgezet. Evenmin was gebruik gemaakt van een antislipinrichting. Dat de werknemer mogelijk geen bijzondere veiligheidsmaatregelen heeft genomen omdat de ladder door hem zodanig in de buurt van de hefbrug zou zijn geplaatst dat deze niet kon wegglijden, zoals door eiseres is aangevoerd, maakt niet dat er sprake was van een andere doeltreffende oplossing om het wegglijden van de voet van de ladder tegen te gaan. De ladder is immers daadwerkelijk weggegleden waardoor deze oplossing niet doeltreffend is gebleken. Aan deze constatering doet de stelling van eiseres dat de inspecteur van de Arbeidsinspectie die na het ongeval ter plaatse was niet heeft kunnen zien hoe de ladder precies heeft gestaan en dat niet duidelijk is hoe de ladder heeft kunnen schuiven, niet af. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het ongevallenboeterapport ondeugdelijk is. Verweerder heeft zich dan ook op dit rapport mogen baseren en terecht geconcludeerd dat artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit is overtreden.

    2.4.1 Deze bepaling bevat geen opzet of schuld als bestanddeel. De overtreding staat vast als aan de materiële voorwaarden van dit artikelonderde el is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheidvan de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken, zal hij dit aannemelijk moeten maken. De bewijslast rust in dat geval bij de werkgever. Verwezen wordt naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 3 juni 2009 ( LJN: BI6082).
    Hoewel de rechtbank niet in twijfel trekt dat eiseres veiligheid voor haar werknemers in een hoog vaandelheeft staan, dat zij van het onderhavige ongeval geschrokken is en alles zo goed mogelijk schriftelijk gaat vastleggen, zoals zij ter zitting heeft verklaard, valt op basis van hetgeen eiseres terzake heeft aangevoerd niet in te zien dat haar geen enkel verwijt valt te maken met betrekking tot het ongeval of dat zich een omstandigheid voordoet die zou moeten leiden tot verlaging van het normbedrag van de boete. Hoewel eiseres heeft gesteld dat zij elke werkdag ochtendbijeenkomsten houdt waarbij de werkzaamheden van de dag worden besproken en ook de veiligheidsmaatregelen aan de orde komen, waardoor de werknemer goed was geïnstrueerd en wist dat hij de ladder moest borgen, waartoe in de bedrijfswagens ook de middelen aanwezig zijn, waren de risico’s van en beschermingsmaatregelen bij werkzaamheden als hier aan de orde ten tijde van het ongeval niet schriftelijk vastgelegd. Het overgelegde rapport van Maetis arbo, bevattende een risico-inventarisatie en -evaluatie, ziet niet op de werkzaamheden van eiseres maar op onderhouds- en servicebedrijf [naam bedrijf]. Daarbij is niet relevant dat eiseres in hetzelfde pand is gevestigd en de leiding van beide bedrijven bij dezelfde personen berust. De concrete werkzaamheden van eiseres komen in dit rapport niet aan de orde terwijl een voldoende inventarisatie hiervan volgens beleidsregel 33 wel is vereist voor matiging van de boete. Het overgelegde stroomschema voor veilig werken op hoogte is, naar eiseres ter zitting heeft bevestigd, eerst na het ongeval aan haar werknemers verstrekt, zodat dit niet als een voldoende inventarisatie of instructie kan gelden.
    Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het ongeval de werknemer te verwijten is en hij het bepaalde in artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden, overweegt de rechtbank dat verweerder overtreding van dat artikel niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd en ook niet had behoeven te leggen. Op basis van deze bepaling kan, als aan alle voorwaarden is voldaan, de werknemer een boete worden opgelegd. Dit staat los van het opleggen van een boete aan de werkgever. Dit laatste is in deze procedure aan de orde en de gestelde eigen schuld van de werknemer maakt de verwijtbaarheid van eiseres in dit geval niet minder en had verweerder niet hoeven te leiden tot matiging van de boete.

    2.4.2 Eiseres heeft nog betoogd dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat haar bedrijf ten tijde van het ongeval een omvang had van 5 tot en met 9 werknemers. Blijkens de door eiseres overgelegdeverzamelloonstaat had zij ten tijde van het ongeval vier personen (naast de werknemer drie anderen, te weten [namen werknemers]) in loondienst, hetgeen door verweerder op zichzelf niet wordt betwist. Daarnaast staat echter vast dat er destijdséén stagiair ([naam stagiair]) bij haar was, die de werknemer ten tijde van het ongeval vergezelde. Dat deze stagiair een leer-/arbeidsovereenkomst had met het bedrijf [naam bedrijf], zoals ter zitting naar voren is gekomen, doet er niet aan af dat hij ten tijde vanhet ongeval feitelijk onder het gezag van eiseres arbeid verrichtte. Bepalend voor het werkgeversbegrip als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef, onder a, onder 1, van de Arbowet is het bestaan van een gezagsverhouding. Bij de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding dient acht te worden geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden. Uit het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Arbowet volgt dat een stagiair of ingeleende werknemer onder het werknemerbegrip valt, zoals dat ook in deBeleidsregels wordt gebruikt. Niet valt in te zien dat in de Beleidsregels een ander of een meer feitelijk werknemerbegrip wordt gehanteerd dan de Arbeidsomstandighedenwet waarop zij gebaseerd zijn, zoals namens eiseres is aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen boete dan ook terecht van vijf werknemers uitgegaan.

    2.5 Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van hetArbobesluit is overtreden, dat verweerder bevoegd was een boete aan eiseres op te leggen en dat hij daarbij terecht is uitgegaan van het normbedrag voor een bedrijf met een aantal werknemers van 5 tot en met 9. Hij was daarbij niet gehouden tot matiging van de boete. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit kan standhouden, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

    2.6 Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

    3 Beslissing
    De rechtbank,

    recht doende:

    verklaart het beroep ongegrond.

    Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. D. Haan en
    mr. R.H.L. Dallinga, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.

    De griffier: De voorzitter:

    Uitgesproken in het openbaar op: 26 mei 2011.

    Een belanghebbende – onderwie in elk geval eiseres wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

    Afschrift verzonden op:

  • LJN BP9897, Hoge Raad, 10/00078
    Datum uitspraak: 24-06-2011
    Datum publicatie: 24-06-2011
    Rechtsgebied: Civiel overig
    Soort procedure: Cassatie
    Zaaknummers: 10/00078
    Inhoudsindicatie:
    Arbeidsrecht. Arbeidsongeval. Stelplicht en bewijslast onder art. 7:658 BW. Ook als de werknemer die heeft nagelaten een handeling te verrichten om een veiligheidsvoorziening te realiseren, zoals een veiligheidsgordel vastmaken, dienaangaande geen opzet of bewuste roekeloosheid kan worden verweten, kan de werkgever aan aansprakelijkheid ontkomen door aan te tonen dat hij de veiligheidsmaatregelen heeft genomen en de veiligheidsinstructies heeft gegeven die van hem gevergd konden worden.

    Dowload PDF-versie
    Uitspraak

    24 juni 2011
    Eerste Kamer
    10/00078
    EV/MD

    Hoge Raad der Nederlanden

    Arrest

    in de zaak van:

    [Eiser],
    wonende te [woonplaats], Duitsland,
    EISER tot cassatie,
    advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

    t e g e n

    [Verweerster],
    gevestigd te [vestigingsplaats],
    VERWEERSTER in cassatie,
    advocaten: mr. D. Rijpma en mr. A. van Staden ten Brink.

    Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de VOF.

    1. Het geding in feitelijke instanties

    Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
    a. de vonnissen in de zaak met zaaknummer 375298 en rolnummer 4306/04 van de kantonrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 augustus 2005 en 13 december 2006;
    b. de arresten in de zaak HD 103.004.795 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 juni 2008 (tussenarrest) en 15 september 2009 (eindarrest).
    De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

    2. Het geding in cassatie

    Tegen het eindarrest van 15 september 2009 van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
    De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
    De VOF heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
    De zaak is voor [eiser] toegelicht door haar advocaat en voor de VOF door mr. E. van Staden ten Brink.
    De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
    De advocaat van [eiser] heeft op 8 april 2011 op die conclusie gereageerd.

    3. Beoordeling van het middel

    3.1 [Eiser] was op 12 maart 2003 als ingeleende werknemer werkzaam bij de VOF. In Helmond heeft hij op die dag gewerkt aan de reparatie van een golfplaten dak van een loods. Omstreeks 17.00 uur is [eiser] tijdens of na het opruimen van werktuigen en gereedschappen door het golfplaten dak van de loods gezakt en ongeveer 8 meter lager op een betonnen vloer gevallen. De precieze toedracht van het ongeval is niet komen vast te staan. Tijdens zijn val droeg [eiser] geen beveiligingsmiddelen zoals gordels of vallijnen. [Eiser] heeft als gevolg van de val ernstig lichamelijk letsel opgelopen.

    3.2 [Eiser] heeft de VOFaangesproken tot vergoeding van zijn materiële en immateriële schade.
    De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft bij tussenarrest de VOF toegelaten te bewijzen feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de VOF ten aanzien van het werk in Helmond heeft voldaan aan haar uit art. 7:658 lid 1 BW voortvloeiende zorgverplichting. In zijn eindarrest heeft het hof geoordeeld dat de VOF geslaagd is in het haar opgedragen bewijs en het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Dat oordeel steunt op getuigenverklaringen waaruit het hof heeft afgeleid (rov. 8.2.1) dat het werk voldoende veilig was door de aanwezigheid van (dak)ladders en het voorhanden zijn van veiligheidsgordels en (rov. 8.2.2) dat de VOF voldoende veiligheidsinstructies heeft gegeven.

    3.3 De klachten van onderdeel 1 zijn gericht tegen het oordeel dat de VOF voldoende veiligheidsinstructies heeft gegeven. Zij steunen op de, onder c) en d) verwoorde, volgens het onderdeel door het hof veronachtzaamde, opvatting dat (de systematiek van) art. 7:658 lid 2 BW meebrengt dat in situaties waarin het gaat om een veiligheidsvoorziening voor het aanbrengen of effectief maken waarvan van de werknemer zelf een tussenkomende handeling wordt gevergd die hij achterwege laat, de schade slechts dan voor rekening van de werknemer moet blijven indien die in belangrijke mate het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid. In gevallen waarin die opzet of bewuste roekeloosheid niet blijkt, zou steeds moet worden aangenomen dat de werkgever nalatig is geweest veiligheidsinstructies te geven die voldoende specifiek zijn toegesneden op het benutten van de veiligheidsvoorziening die concreet aan de orde is.

    3.4 Die opvatting kan niet worden aanvaard. Art. 7:658 lid 2 ontheft de werkgever van aansprakelijkheid indien hij aantoont hetzij dat hij de in lid 1 van art. 7:658 genoemde verplichtingen is nagekomen hetzij dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit kan niet aldus worden verstaan dat de werkgever die geen bewijs levert dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, om die reden niet kan hebben voldaan aan de in lid 1 van art. 7:658 neergelegde verplichting om zodanige aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt. Ook in gevallen waarin het gaat om veiligheidsvoorzieningen zoals veiligheidsgordels die de werknemer zelf moet toepassen, kan de werkgever derhalve aan aansprakelijkheid ontkomen door aan te tonen dat hij de veiligheidsmaatregelen heeft genomen en de veiligheidsinstructies heeft gegeven die van hem gevergd konden worden. Indien hij dat aantoont is hij van aansprakelijkheid bevrijd, ook indien niet kan worden aangenomen dat de schade te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De klachten van onderdeel 1 stuiten hierop af.

    3.5 Ook de onderdelen 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geennadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

    4. Beslissing

    De Hoge Raad:
    verwerpt het beroep;
    veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de VOF begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,– voor salaris.

    Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, alsvoorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 juni 2011.
    Conclusie

    Zaaknummer: 10/00078
    mr. Wuisman
    Roldatum: 25 maart 2011 (bij vervroeging)

    CONCLUSIE inzake:

    [Eiser],
    eiser tot cassatie,
    advocaat: mr. E. van Staden ten Brink;

    tegen

    [Verweerster],
    verweerster in cassatie,
    advocaten: mr. D. Rijpma en mr. A. van Staden ten Brink.

    1. Feiten en procesverloop

    1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:((1))
    (i) Eisertot cassatie (hierna: [eiser]), dakdekker, was twee perioden in 2002 en verder in 2003 vanaf 10 maart door Detachering Service Holland (hierna: DSH) als uitzendkracht te werk gesteld bij verweerster in cassatie (hierna: de VOF). De VOF exploiteert onder de naam [A] onder meer een pannen- en leidekkersbedrijf. De vennoten zijn [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), zijn echtgenote [betrokkene 2] en sedert februari 2004 [betrokkene 3].((2))
    (ii) Op 12 maart 2003 was [eiser] tezamen met een andere werknemer, [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), in opdracht van de VOF werkzaam te Eindhoven en Helmond. De werkzaamheden te Helmond bestonden uit het repareren van een golfplaten dak van een loods. Omstreeks 17.00 uur is [eiser] tijdens of na het opruimen van werktuigen en gereedschappen door het golfplaten dak van de loods gevallen en ongeveer 8 meter lager op een betonnen vloer terechtgekomen. De precieze toedracht van het ongeval is niet komen vast te staan. Tijdens zijn val droeg [eiser] geen beveiligingsmiddelen, zoals gordels of vallijnen. [Eiser] heeft als gevolg van de val ernstig lichamelijk letsel opgelopen.
    (iii) De Inspecteur van de Arbeidsinspectie, kantoor Roermond, [betrokkene 5], heeft naar aanleiding van het ongeval een ongevallenboeterapport opgemaakt en in het kader daarvan op 26 maart 2003 [eiser] gehoord.((3))
    (iv) De raadsman van [eiser] heeft de VOF bij brief van 27 maart 2003 op grond van art. 7:658 lid 4 BW aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden en te lijden materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De (verzekeraar van de) VOF heeft vervolgens de aansprakelijkheid afgewezen.

    1.2 Na een voorlopig getuigenverhoor dat op 15 april 2004 bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch is gehouden((4)), is [eiser] bij dagvaarding van 16 november 2004 een procedure tegen de VOF gestart bij de rechtbank 's-Gravenhage, welke procedure is voortgezet bij de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Helmond. In het exploot heeft [eiser] gevorderd voor recht te verklaren dat de VOF aansprakelijk is voor alle door hem tengevolge van het bedrijfsongeval geleden en nog te lijden schade en een veroordeling van de VOF tot vergoeding van genoemde schade aan [eiser], welke schade nader is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Aan deze vordering heeft hij het hierboven in 1.1 vermelde ongeval ten grondslag gelegd. Hij acht de VOF aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW (dagvaarding blz. 4 t/m 6).((5)) Omdat [eiser] eerst tegenover de arbeidsinspectie heeft verklaard goede veiligheidsinstructies van de VOF te hebben ontvangen maar later als getuigen dat weer heeft ontkend, heeft de Kantonrechter hem bij tussenvonnis van 10 augustus 2005 toegelaten bewijs te leveren van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan zijn tegenover de arbeidsinspecteur afgelegde verklaring van 26 maart 2003 wegens een of meer daaraan klevende gebreken geen, althans geen doorslaggevende betekenis, mag worden toegekend. Na stukken te hebben ontvangen en getuigen te hebben gehoord spreekt de Kantonrechter op 13 december 2006 het eindvonnis uit. Naar het oordeel van de Kantonrechter is [eiser] niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs. De Kantonrechter wijst de vorderingen af.

    1.3 [Eiser] is van beide vonnissen bij het hof te 's-Hertogenbosch in beroep gegaan. In een tussenarrest van 10 juni 2008 oordeelt het hof eerst dat de grieven 1 t/m 4 van [eiser], waarmee hij bestrijdt dat hem is opgedragen bewijs van zijn stellingen te leveren, slagen (rov. 4.5.1 en 4.5.2). Vervolgens laat het hof de VOF toe bewijs te leveren van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de VOF ten aanzien van het werk in Helmond heeft voldaan aan haar uit artikel 7:658 lid 1 BW voortvloeiende zorgverplichting (rov. 4.5.3). Na het horen van getuigen oordeelt het hof in zijn eindarrest van 15 september 2009 dat de VOF is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat het werk voldoende veilig was door de aanwezigheid van (dak)ladders en het voorhanden zijn van veiligheidsgordels (rov. 8.2.1), dat de VOF voldoende veiligheidsinstructies heeft gegeven (rov. 8.2.2) en dat de VOF niet tekort is geschoten in het toezicht op de naleving van die instructies. Bij dit laatste neemt het hof in aanmerking dat van [betrokkene 1] niet kon worden verwacht dagelijks en voortdurend aanwezig te zijn bij het uit te voeren werk en dat het gelet op de onduidelijke toedracht van het ongeval onzeker is of de aanwezigheid van [betrokkene 1] het ongeval had kunnen voorkomen. Het is nl. niet duidelijk geworden waarom [eiser] op 12 maart 2003 na beëindiging van het werk, tijdens de opruimwerkzaamheden op het dak, zich naar het – niet van (dak)ladders voorziene – dakonderdeel heeft begeven waar hij vervolgens doorheen is gezakt (rov. 8.2.3). Het hof bekrachtigt het bestreden eindvonnis van de Kantonrechter, zij het op andere gronden en vernietigt het tussenvonnis van 10 augustus 2005 vanwege de onjuiste bewijsopdracht die daarin is gegeven.

    1.4 Van het eindarrest van het hof is [eiser] bij exploot van 15 december 2009, derhalve tijdig, in cassatie gekomen. In haar conclusie van antwoord concludeert de VOF tot verwerping van het cassatieberoep. Na de schriftelijke toelichting aan weerszijden volgt nog een dupliek van de zijde van [eiser].

    2. Bespreking van het cassatiemiddel

    2.1 Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen. De in de onderdelen opgenomen klachten richten zich tegen de beslissingen van het hof in de rov. 8.2.2 en 8.2.3 uit het eindarrest, die het hof tot de slotsom voeren dat de VOF ook op het vlak van de veiligheidsinstructies niet is tekort geschoten in haar zorgplicht ingevolge artikel 7:658 lid 1 BW.

    onderdeel 1

    2.2 De klacht in onderdeel 1 komt hierop neer dat het hof in rov. 8.2.2 bij de beoordeling of de VOF met betrekking tot verstrekking van veiligheidsinstructies voldoende zorg heeft betracht, van te lichte eisen te dien aanzien is uitgegaan. Voorop wordt gesteld dat het in casu gaat omveiligheidsmaatregelen die de werknemer zelf moet treffen. Zo moet hij zelf de veiligheidsgordel aanbrengen. Dan kan niet worden volstaan met veiligheidsinstructies die algemeen luiden; de instructies moeten worden toegesneden op het benutten van de veiligheidsvoorziening die concreet aan de orde is. Bovendien moeten dan die instructies worden gegeven op een zodanig moment en op een zodanige wijze dat de werknemer, die desondanks toch slachtoffer wordt van het ontbreken van een veiligheidsvoorziening, zich bewust moetzijn geweest van zijn roekeloze gedrag. Dit laatste wordt afgeleid uit de systematiek van artikel 7:658 lid 2 BW, die immers meebrengt dat schade uit het nalaten door een werknemer van het treffen van veiligheidsmaatregelen pas dan geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening kan worden gelaten bij opzet of bewuste roekeloosheid aan zijn zijde.

    2.3 De klacht treft om de volgende twee redenen geen doel.
    In de eerste plaats kan er niet van uit worden gegaan dat het hof heeft aangenomen dat de VOF in casu kon volstaan en heeft volstaan met geven van slechts algemeen luidende instructies. In het onderdeel wordt ook niet aangegeven waaruit dat zou zijn af te leiden. De door het hof in rov. 8.2.2 weergegeven citaten uit de verklaringen van de daar genoemde getuigen duiden ook veeleer op het tegendeel.
    Verder volgt uit lid 2 van artikel 7:658 BW niet, dat op het vlak van het geven van veiligheidsinstructies er pas dan niet meer van een tekortschieten van de werkgever in zijn zorg jegens de werknemer kan worden gesproken, wanneer het niet in acht nemen door de werknemer van hem verleende veiligheidsinstructies is te beschouwen als opzet of bewuste roekeloosheid van hem. Het in genoemd lid 2 voorkomende voorbehoud van opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer heeft betrekking op de situatie, waarin los van eventuele opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer kan worden geconcludeerd tot een tekortschieten van de werkgever in de zorg voor de veiligheid van de werknemer, maar vervolgens de vraag rijst of niettemin de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van de werknemer kan worden gelaten wegens opzet of bewuste roekeloosheid aan zijn zijde. Anders gezegd, het voorbehoud strekt er niet toe om aan te geven tot hoever de zorg van de werkgever tegenover de werknemer reikt op het vlak van het geven van veiligheidsinstructies, ook niet wanneer het gaat om door een werknemer zelf uit te voeren veiligheidsmaatregelen.

    onderdeel 2

    2.4 Onderdeel 2 keert zich ook tegen rov. 8.2.2, maar nu wordt de daarin voorkomende bewijswaardering bestreden, te weten dat het hof uit de daar geciteerde verklaringen van de daar genoemde getuigen – deels niet-partijgetuigen ([betrokkene 4], [betrokkene 6] en [betrokkene 7])), deels partijgetuigen ([betrokkene 1] en [betrokkene 3]) – afleidt dat er door de VOF voldoende veiligheidsinstructies met betrekking tot het werk te Helmond zijn gegeven. Betoogd wordt dat het hof het aan de partijgetuige gewijde artikel 164 lid 2 Rv onjuist heeft toegepast, althans zijn bewijsoordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

    2.5 Artikel 164 lid 2 Rv staat de rechter niet toe bewijs ten voordele van een partij te ontlenen aan een door die partij als getuige afgelegde verklaring, tenzij die verklaring strekt tot aanvulling van ander onvolledig bewijs. Positief geformuleerd houdt deze bepaling in dat een door een partijals getuige afgelegde verklaring als bewijs in aanmerking mag worden, zodra er ander bewijsmateriaal van zodanige aard en inhoud aanwezig is dat daarmee de verklaring van de partijgetuige geloofwaardig kan worden gemaakt.((6)) Lezing van rov. 8.2.2 maakt duidelijk dat het hof deze wettelijke instructie van de waardering van verklaringen van partijgetuigen heeft gevolgd. Eerst vermeldt het hof de verklaringen van [betrokkene 4], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] die, in onderling verband bezien, erop neerkomen dat [betrokkene 1] aan hen, die het werk uitvoeren, in het algemeen aangeeft en ook voor wat betreft het werk te Helmond heeft aangegeven welke veiligheidsmaatregelen door hen dienen te worden getroffen. Dan geeft het hof de meer concrete verklaringen van [betrokkene 1 en 3] weer. Zij houden onder meer in dat ook [eiser] concreet op het gebruik van veiligheidsgordels bij het werk te Helmond is gewezen. Ten slotte volgt de slotsom dat de VOF in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Een en ander is aldus te verstaan niet alleen dat naar het oordeel van het hof de verklaringen van [betrokkene 1 en 3] als bewijs in aanmerking kunnen worden genomen omdat de verklaringen van de andere drie getuigen hen geloofwaardig maken, maar ook dat alle verklaringen in onderlinge samenhang beschouwd het aan de VOF opgedragen bewijs inzake de voor het werk te Helmond verstrekte veiligheidsinstructies opleveren. Hieruit blijkt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 164 lid 2 Rv, terwijl de door het hof in rov. 8.2.2 gevolgde gedachtengang voldoende duidelijk is. Voor het overige gaat het om een aan de feitenrechter voorbehouden oordeel.

    onderdeel 3

    2.6 Met onderdeel 3 wordt het oordeel van het hof in rov. 8.2.3 bestreden dat de VOF niet tekort is geschoten in het toezien op de naleving van de veiligheidsinstructies. Naar het oordeel van het hof kon van [betrokkene 1] niet worden verwacht dat hij dagelijks en voortdurend aanwezig zou zijn bij uit te voeren werk. Dit wordt geen adequate motivering geacht voor het oordeel dat de VOF niet in het houden van toezicht op de naleving van de veiligheidsinstructies is tekortgeschoten.

    2.7 In het oordeel van het hof dat van [betrokkene 1] niet kon worden verwacht dat hij dagelijks en voortdurend aanwezig zou zijn bij uit te voeren werk, ligt tevens het oordeel besloten dat het op het tijdstip van het ongeval niet aanwezig zijn van [betrokkene 1] of een ander om toezicht op de uitvoering van het werk te houden niet kan worden opgevat als een tekortschieten in toezicht. Dit feitelijke, immers sterk van de omstandigheden van het concrete geval afhankelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. Het oordeel moet worden bezien tegen de achtergrond van watin rechte in verband met de veiligheid op het werk is gebleken. In de eerste plaats kan worden aangenomen dat [betrokkene 1] voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden het werk heeft beoordeeld op de te treffen veiligheidsmaatregelen en dat er ook allerlei veiligheidsmaatregelen waren getroffen zoals het aanbrengen van ladders tegen en op het dak en ombouwen van planken rondom te vervangen golfplaten, terwijl de bedrijfsauto's, die gebruikt werden om naar het werk in Helmond te rijden, voorzien waren van valbeveiligingsmaterialen.((7)) Ook waren er afdoende concrete veiligheidsinstructies aan [eiser] verstrekt.((8)) Verder was ten tijde van het ongeval [eiser] al 12 jaren dakdekker.((9)) Een en ander betekent dat er in verband met het risicovolle karakter van het werk allerlei veiligheidsmaatregelen waren getroffen en de benodigde veiligheidsiinstructies waren gegeven, en dat bovendien het uit te voeren werk was opgedragen aan een ervaren dakdekker. Die omstandigheden laten toe te concluderen dat ergeen sprake is geweest van een tekort aan toezicht.

    2.9 Hetgeen het hof in rov. 8.2.3 nog overweegt omtrent de onduidelijke toedracht van het ongeval is, gezien het bovenstaande, als een overweging ten overvloede te zien. Het overwogene vormt een voor de beslissing inzake het toezicht niet noodzakelijke aanvulling. De hierop betrekking hebbende klacht in onderdeel 3 kan dan ook reeds wegens gebrek aan belang niet slagen.

    3. Conclusie

    Daar het aangevoerde cassatiemiddel geen doel treft, wordt tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd.

    De Procureur-Generaal bij de
    Hoge Raad der Nederlanden

    1. De vermelde feiten zijn ontleend aan rov. 4.2 van het tussenarrest van het hof te 's-Hertogenbosch d.d. 10 juni 2008, waarbij het hof verwijst naar de opsomming op blz. 1 en 2 van het (bij het eindarrest van het hof vernietigde) tussenvonnis d.d. 10 augustus 2005 van de rechtbank Helmond.
    2. Dit blijkt uit het proces-verbaal van het op 10 november 2008 bij het hof gehouden getuigenverhoor.
    3. Het ongevallenboeterapport d.d. 21 juli 2003 is als productie 1 bij de conclusie van antwoord in het geding gebracht.
    4. Het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor is als productie 2 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebracht.
    5. En ook op grond van artikel 7:611 BW (dagvaarding blz. 6), maar laatstgenoemde grondslag speelt in cassatie geen rol meer.
    6. Zie in dit verband HR 31 maart 2006, LJN AU7933, RvdW 2006, 335, rov. 4.5.2 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G mr. De VriesLentsch-Kostense, sub 15 t/m 18.
    7. Zie in dit verband de onbestreden gebleven rov. 8.2.1.
    8. Aldus oordeelt het hof in rov. 8.2.2, welke rechtsoverweging in cassatie tevergeefs wordt bestreden.
    9. Tussenvonnis d.d. 10 augustus 2005, blz. 2, sub 2, van de rechtbank.

  • LJN BQ5647, Rechtbank Breda, 10 / 4673 WET
    Datum uitspraak: 20-05-2011
    Datum publicatie: 23-05-2011
    Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
    Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
    Zaaknummers: 10 / 4673 WET
    Inhoudsindicatie:

    Oplegging van een bestuurlijke boete in verband met een (dodelijk) arbeidsongeval. Overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit . De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van het (deels) ontbreken van de verwijtbaarheid. Boete is terecht opgelegd.

    Dowload PDF-versie
    Uitspraak

    RECHTBANK BREDA
    Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

    procedurenummer: 10 / 4673 WET

    uitspraak van de enkelvoudige kamer

    in de zaak van

    [naam persoon] [naam bedrijf],
    wonende te [woonplaats], eiser,

    en

    de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
    verweerder.

    1. Procesverloop

    Eiser heeft beroep ingesteld tegen het ongedateerde besluit van verweerder, verzonden op 17 september 2010 (bestreden besluit), inzake het opleggen van een boete op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).

    Het beroep is behandeld ter zitting van 12 mei 2011, waarbij aanwezig waren eiser en namens verweerder mr. R.W.J. Crommelin.

    2. Beoordeling

    2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

    Op 15 mei 2009 heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden bij eiser, op het eiland [naam locatie]. Een jeugdige werknemer (slachtoffer) heeft in verband met een examenopdracht werkzaamheden verricht. Deze werkzaamheden bestonden uit (voorbereidingshandelingen voor) het aankoppelen van een hefmast aan een trekker. Het slachtoffer heeft deze werkzaamheden alleen (zonder toezicht) verricht. Het slachtoffer is op enig moment aangetroffen achter de trekker, zittend op de betonnen vloer met de hefmast op zijn schouders. Door het gewicht van de hefmast is het slachtoffer onder meer door inwendig borsttrauma om het leven gekomen.

    Naar aanleiding van dit arbeidsongeval is op 16 oktober 2009 een ongevallenboeterapport opgemaakt. De inspecteur van de Arbeidsinspectie verklaart in dit rapport dat hem onder meer het volgende isgebleken. De hefmast was niet stabiel was opgesteld. De hefmast stond op een smalle ijzeren kokerbalk. De hefmast was niet geborgd tegen omvallen. De inspecteur van de Arbeidsinspectie concludeert dat het deskundige toezicht niet zodanig was georganiseerd dat de gevaren voorkomen werden bij het aankoppelen van een werktuig aan een trekker door een jeugdige werknemer. Volgens de inspecteur is sprake van een overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet in samenhang met artikelen 7.4, derde lid, en7. 39, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit), aangewezen als beboetbaar feit in artikel 9.9c, eerste lid, onder g, van datzelfde besluit.

    Verweerder heeft eiser bij brief van 23 oktober 2009 in kennis gesteld van het voornemen om voor deze overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen van € 4.500,-.

    Bij brief van 5 november 2009 heeft eiser zijn zienswijze op het voornemen naar voren gebracht.

    Op 15 december 2009 is het arbeidsongeval door de Arbeidsinspectie en eiser gereconstrueerd. De bevindingen van deze reconstructie zijn neergelegd in een aanvullend boeterapport van 26 februari 2010.

    Bij besluit van 19 maart 2010 (primair besluit) heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 4.500,-.

    Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

    Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

    2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft de conclusie getrokken dat eiser nog meer hadkunnen doen om het arbeidsongeval te voorkomen. Het is niet terecht dat verweerder daar alles aan ophangt. De gebruikte hefmast is namelijk stabiel. Eiser heeft dit aangetoond met foto’s, de reconstructie en de toelichting tijdens de hoorzitting.

    2.3 Artikel 8 van de Arbowet luidt – voor zover relevant – als volgt:
    1. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede overde maatregelen die eropgericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken.
    4. De werkgever ziet toe op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste lid genoemde risico's alsmede op het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

    In artikel 16, tiende lid, van de Arbowet is bepaald dat de werkgever en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemenemaatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

    Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Terzake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

    Artikel 1:37 van het Arbobesluit luidt als volgt:
    1. Indien in een bedrijf of inrichting jeugdige werknemers arbeid verrichten, wordt op die arbeid adequaat deskundig toezicht uitgeoefend. De inhoud en de mate van het toezicht is afhankelijk van de uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, gebleken gevaren die kunnen ontstaan, indien deskundig toezicht ontbreekt.
    2. Indien uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 1.36, blijkt, dat jeugdige werknemers arbeid moeten verrichten waaraan specifieke gevaren, met name voor arbeidsongevallen als gevolg van een gebrek aan werkervaring, het niet goed kunnen inschatten van gevaren en het niet voltooid zijn van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige werknemer, zijn verbonden, mag die arbeid slechts worden verricht, indien het deskundig toezicht zodanig is georganiseerd dat die gevaren worden voorkomen. Indien dat niet mogelijk is, mag die arbeid niet door jeugdige werknemers worden verricht.

    Artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit luidt als volgt:
    Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.

    In artikel 7.39, aanhef en onder a, van het Arbobesluit is bepaald dat artikel 1.37, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is op jeugdige werknemers die arbeid verrichten, bestaande in het besturen van trekkers en het in rechtstreeks verband daarmee aan- of afkoppelen van aanhangwagens of werktuigen.

    Ingevolge artikel 9.9c, aanhef en onder g, van het Arbobesluit wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikelen 7.4 en 7.39 van het Arbobesluit .

    Ingevolge beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (beleidsregel 33) – voor zover relevant – wordt een boete van € 4.500,- opgelegd indien het arbeidsongeval dodelijk letsel ten gevolge heeft.

    In beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder c, is vermeld dat bij de berekening van de op te leggen boete de drie factoren aande orde kunnen zijn als genoemd in het vierde lid, onder a, en op overeenkomstige wijze leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag.

    In beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a, worden de volgende factoren genoemd die kunnen leiden tot verlaging van de bestuurlijke boete:
    1. Indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodigemaatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.
    2. Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.
    3. Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.

    In beleidsregel 33, negende lid, is bepaald dat geen boete wordt opgelegd indien de verwijtbaarheid ontbreekt.

    2.4 De rechtbank moet beoordelen of verweerder eiser terecht een boete heeft opgelegd van € 4.500,- in verband met het (dodelijke) arbeidsongeval dat op 15 mei 2009 heeft plaatsgevonden.

    Tussen partijen is niet in geschil dat de hefmast op een ijzeren kokerbalk stond. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de hefmast is omgevallen, waardoor het slachtoffer om het leven is gekomen.

    De rechtbank stelt vast dat er een reconstructie heeft plaatsgevonden. Eennatuurkundige berekening op grond van de in het dossier aanwezige (politie)foto’s maakt onderdeel uit van deze reconstructie.

    De inspecteur van de Arbeidsinspectie verklaart in het aanvullend boeterapport van 26 februari 2010 onder meer het volgende:
    “Het is bekend uit verklaringen, maar het blijkt ook uit foto’s van de Arbeidsinspectie en foto’s van de politie, dat de hefmast was geplaatst op een vierkante stalen buis van 50 bij 50 mm. […] Door het gebruik van de vierkante buis wordt de hefmast iets hellend opgesteld, waardoor deze stabieler staat, dan bij een vlakke opstelling. […] Een nadeel van het gebruik van de vierkante buis – uit het oogpunt van veiligheid – is dat het gunstige effect op de stabiliteit geheel afhankelijk is van een juiste plaatsing van de hefmast op de buis. Als bij het achteruitrijden om de hefmast af te zetten op de vierkante buis, iets minderver naar achter gereden wordt, dan heeft dat grote invloed op de stabiliteit van de hefmast, als deze ontkoppeld is vande tractor. […] Als de hefmast met het zwaartepunt precies boven de vierkante buis geplaatst is […] dan is er sprake van een gevaarlijke situatie, een situatie waarbij een geringe kracht het kantelen van de hefmast tot gevolg kan hebben. […]

    Gelet op de ligging van de vierkante buis – zoals deze is aangetroffen na het ongeval – kan de hefmast, direct voordat het ongeval gebeurde, niet stabiel op de buis gestaan hebben. De overweging daarbij is dat de relatief grote afstand waarop de buis ligt ten opzichte van de (onderplaat van de) hefmast alleen te verklaren is als de hefmast zodanig op de vierkante buis gestaan heeft, dat er sprake was van een kritische situatie ten aanzien van de stabiliteit, ook als wordt aangenomen dat de vierkante buis verplaatst is geworden door de kantelbeweging van de hefmast."

    Eiser heeft aangevoerd dat de hefmast stabiel was en heeft als bewijs hiervoor verschillende foto’s overgelegd. Eiser heeft verder ter zitting aangevoerd dat de hefmast niet omvalt, zelfs niet als de ijzeren kokerbalk op het slechtste punt onder de hefmast ligt en vervolgens aan de hydraulische slang wordt getrokken. Volgens eiser is het tijdens de reconstructie ook niet gelukt om de hefmast op deze manier te laten kantelen.

    De rechtbank is van oordeel dat uit de natuurkundige berekening opgenomen in het aanvullend boeterapport, voldoende vast is komen te staan dat een verkeerde plaatsing van de hefmast op de ijzeren kokerbalk een instabiliteit met zich meebrengt. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de hefmast onder deze omstandigheden wel stabiel is. De enkele stelling van eiser dat de hefmast niet is omgevallen tijdens de reconstructie op 15 december 2009 is hiertoe onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt dat het omvallen van de hefmast onder deze omstandigheden onmogelijk is. Dat klemt temeer nu eiser geen concrete, plausibele verklaring voor het omvallen van de hefmast heeft kunnen geven en van een andere, waarschijnlijkere, oorzaak ook niet is gebleken.

    Tussen partijen is niet in geschil dat de hefmast ten tijde van het ongeval op 15 mei 2009 nergens aan vast was gemaakt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het mogelijk was om het omvallen van de hefmast verder te voorkomen door deze bijvoorbeeld met voldoende sterke kettingen aan de muur te zetten of de lepels in een pallet te zetten met voldoende gewicht op de pallet. Dit betekent dat er sprake is van een overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit .

    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) mag in dat geval van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Als de werkgever stelt dat hem geen enkel verwijt valt te maken, dan moet de werkgever dit aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 26 april 2006, LJN: AW3971).

    De rechtbank moet de vraag beantwoorden of eiser het niet naleven van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit te verwijten valt en zo ja, in welke mate. Verwijtbaarheid ontbreekt als de werkgever alles heeft gedaan wat in redelijkheid van hem verwacht mag worden om de overtreding te voorkomen. Van de werkgever mag verwacht worden dat hij zich op de hoogte stelt van de aan de arbeid verbonden risico’s en de werknemer de nodige middelen ter beschikking stelt om deze risico’s tegen te gaan, de werknemer instructies geeft en voldoende feitelijk toezicht houdt of laat houden op de werkzaamheden.

    De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van het (deels) ontbreken van deverwijtbaarheid. Er is niet gebleken dat eiser de risico’s van het plaatsen van de hefmast voor het ongeval heeft geïnventariseerd en geëvalueerd. Hierdoor is niet voldaan aan de eerste factor van beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a. Daarom bestaat geen aanleiding om de opgelegde boete van € 4.500,- te matigen in verband met verminderdeverwijtbaarheid.

    Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan eiser terecht de boete van € 4.500,- opgelegd.

    Eiser heeft ter zitting nogaangevoerd dat er sprake was van een leer/werkstage in een solitair beroep. Daardoor is het niet mogelijk om als werkgever continu bij alle (routinematige) werkzaamheden aanwezig te zijn en toezicht te houden. De rechtbank overweegt dat in het Arbobesluit specifiek regels worden gegeven voor het houden van toezicht op jeugdige werknemers. Indien deskundig toezicht niet mogelijk is, mag die arbeid niet door jeugdige werknemers worden verricht. Het beroep van eiser kan op dit punt dan ook niet slagen.

    2.5Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het beroep ongegrond worden verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

    3. Beslissing

    De rechtbank:

    verklaart het beroep ongegrond.

    Aldus gedaan door mr. H. Lagas, rechter, en door deze en E.C. Petrusma, griffier, ondertekend.

    De griffier, De rechter,

    Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2011.

  • Rechtbank Roermond, 04/660008-08LJN: BM4018
    Datum uitspraak: 12-05-2010
    Datum gepubliceerd: 12-05-2010
    Rechtsgebied: Straf
    Soort procedure: Eerste aanleg – meervoudig
    Inhoudsindicatie: Dodelijk bedrijfsongeval door het omvallen van vierhoog gestapelde -zeer zware- pakken isolatiemateriaal. Productblad van de leverancier schrijft voor pallets niet meer dan tweehoog te stapelen. Niet is komen vast te staan dat verdachte zich rekenschap had moeten geven dat hij het slachtoffer in een gevaarlijke situatie heeft gebracht. Ook bestaat er onvoldoende verband tussen het ontbreken van een risicoinventarisatie- en evaluatieplan en het ongeval nu niet is gebleken dat genoemde instructie in het productblad een veiligheidsvoorschrift betrof en verdachte ook niet anderszins kon of behoefde te weten dat door het vierhoog stapelen van isolatiepakken een gevaarlijke situatie kon ontstaan. Vrijspraak. Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde dood door schuld in gelijke zin.

    Uitspraak:

    RECHTBANK ROERMOND
    Sector strafrecht

    Parketnummer : 04/660008-08
    Datum uitspraak : 12 mei 2010

    Tegenspraak

    Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige economische strafkamer

    in de zaak tegen:

    [verdachte],
    [geboortedatum en plaats],
    [adres en woonplaats]

    1. Het onderzoek van de zaak

    Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
    van 28 april 2010.

    2. De tenlastelegging

    De verdachte staat terecht ter zake dat:

    hij op of omstreeks 13 augustus 2007, te [plaats], in elk geval in de gemeente [naam gemeente], als werkgever als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voornoemde wet of de daarop berustende bepalingen, aangezien hij toen en aldaar een werknemer, te weten [slachtoffer], arbeid heeft laten
    verrichten op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, bestaande die arbeid uit het klaarzetten en/althans verplaatsen en/althans stapelen van pakken isolatieplaten, al dan niet met
    behulp van een shovel,terwijl hij, verdachte, (telkens) -zakelijk weergegeven-

    in strijd met het bepaalde in artikel 3.2 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,
    geen, dan wel onvoldoende zorg heeft gedragen dat de arbeidsplaats veilig toegankelijk was en veilig kon worden verlaten en/of dat de arbeidsplaats zodanig was ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk was voorkomen, immers waren op de arbeidsplaats pakken isolatieplaten tot een hoogte van vier pakken opgestapeld terwijl volgens het Technisch productblad (stapelvoorschrift) niet meer dan twee pallets (pakken) op elkaar dienden te worden gestapeld, zulks terwijl daardoor gevaar bestond voor instorten, omvallen of kantelen van die pakken isolatieplaten en/of

    in strijd met artikel 5 lid 1 en lid 3 van de Arbeidsomstandighedenwet,
    bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid geen inventarisatie en evaluatie schriftelijk heeft vastgelegd welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt en/of geen plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico's en de samenhang daartussen, te weten de risico's in verband met het klaarzetten en/althans verplaatsen en/althans stapelen van pakken isolatieplaten, een en
    ander overeenkomstig artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, heeft vastgelegd dat deel uitmaakt van de risico-inventarisatie en -evaluatie, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs had moeten weten, dat daardoor
    levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [slachtoffer], in elk geval een of meer werknemer(s) van hem, verdachte, kon ontstaan en/of was te verwachten;

    artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet;

    Althans indien terzake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

    hij op of omstreeks 13 augustus 2007 te [plaats], in elk geval in de gemeente [naam gemeente], grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig een werknemer, te weten [slachtoffer], werkzaamheden heeft laten
    verrichten, bestaande die werkzaamheden uit het -al dan niet met behulp van een shovel- klaarzetten en/althans verplaatsen en/althans stapelen van pakken isolatieplaten in de directe nabijheid van pakken isolatieplaten die tot een hoogte van vier pakken waren opgestapeld, terwijl volgens het stapelvoorschrift niet meer dan twee pallets (pakken) op elkaar dienden te
    worden gestapeld, op het moment dat één of meer isolatiepak(ken) zijn omgevallen althans gekanteld, waardoor één of meer isolatiepak(ken) op die [slachtoffer] is/zijn terechtgekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

    art. 307 Wetboek van Strafrecht;

    Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

    3. De geldigheid van de dagvaarding

    Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.
    4. De bevoegdheid van de rechtbank

    Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

    5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

    Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

    6. Schorsing der vervolging

    Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

    7. Ten aanzien van de bewezenverklaring

    7.1. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

    De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 28 april 2010 gevorderd dat het primair ten laste gelegde (zowel onderdeel 1, als onderdeel 2) bewezen wordt verklaard. De officier van justitie acht verdachte als werkgever verantwoordelijk, nu verdachte het slachtoffer had ingehuurd om voor hem werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de bouw van een hal. De officier van justitie is van mening dat de isolatieplaten niet overeenkomstig de voorschriften gestapeld waren en er was geen schriftelijk risico-inventarisatie en evaluatieplan.

    De verdediging heeft zich blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnotities op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Naar de mening van de raadsman was er sprake van een veilige, toegankelijke en overzichtelijke arbeidsplaats, die geen gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers opleverde. Bovendien was er wel een risico-inventarisatie en evaluatieplan opgesteld voor de 1ste fase van de bouw. Dit plan gold ook voor de 3de fase. Daarnaast heeft de verdediging nog opgemerkt dat verdachte weliswaar werkgever was, maar niet als verantwoordelijke kan worden aangemerkt, omdat hij voor de bouw een toezichthouder had ingehuurd.

    7.2. Overwegingen van de rechtbank

    Met betrekking tot het ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

    Verdachte heeft drie hallen laten bouwen. Tijdens de bouw van de laatste hal heeft een dodelijk ongeval plaatsgevonden. Het slachtoffer verrichtte in dienst van verdachte werkzaamheden die – voor zover hier van belang – bestonden uit het met een shovel vervoeren van isolatieplaten naar de plaats waar deze platen werden verwerkt. De isolatieplaten stonden – telkens vier pakken hoog – opgeslagen op het bedrijfsterrein van verdachte. Een van deze stapels is omgevallen en het slachtoffer is onder een pak isolatieplaten (van enkele honderden kilo’s) geraakt en vermoedelijk als gevolg hiervan overleden.

    De rechtbank stelt voorop dat verdachte heeft erkend dat het slachtoffer bij hem in dienst was en op 13 augustus 2007 werkzaamheden ten behoeve van de bouw van de hal heeft verricht. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte als werkgever van het slachtoffer dient te worden aangemerkt en dat hij in die zin ook verantwoordelijk is voor de naleving van de arbo-wetgeving. Desalniettemin acht de rechtbank verdachte niet schuldig aan hetgeen hem (zowel primair, als subsidiair) ten laste is gelegd en wel om de volgende redenen.

    Verdachte wordt verweten dat hij – kort samengevat – het slachtoffer in een gevaarlijke situatie heeft gebracht door pakken isolatiemateriaal vier-hoog te stapelen, terwijl deze pakken slechts twee-hoog gestapeld mochten worden en doordat hij geen risico-inventarisatie en evaluatieplan had opgesteld waarin het risico van het te hoog stapelen van die pakken werd vermeld.

    De rechtbank heeft in het dossier een productblad van de leverancier van de platen aangetroffen, waarop onder het kopje “transport en opslag” is aangegeven: “Niet meer dan 2 pallets op elkaar stapelen”. Uit niets blijkt echter dat het bij deze instructie gaat om een veiligheidsvoorschrift. Uit de omstandigheden zoals die blijken uit het dossier kan ook niet worden afgeleid dat verdachte anderszins wist of had moeten weten dat het vier-hoog stapelen van pakken isolatieplaten, zoals dat op het bouwterrein werd gedaan, gevaar opleverde. Voorts is niet komen vast te staan dat het een feit van algemene bekendheid is dat het vier-hoog stapelen van pakken isolatieplaten gevaar oplevert, te meer omdat uit foto’s die door de verdediging zijn overgelegd blijkt dat de platen door de fabrikant en transporteur op hun eigen bedrijfsterrein ook vier-hoog worden gestapeld.

    Gelet op het vorenstaande kan niet worden bewezen verklaard dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid kon ontstaan en/of was te verwachten door het vier-hoog stapelen van de pakken isolatieplaten. Aangezien ook anderszins niet is gebleken van (onvoldoende zorg voor) een onveilige arbeidsplaats wordt verdachte van het 1ste onderdeel van het primair ten laste gelegde vrijgesproken.

    Ten aanzien van het 2de onderdeel van het primair ten laste gelegde merkt de rechtbank op dat er naar haar oordeel geen risico-inventarisatie en evaluatieplan aanwezig was. Een dergelijk plan was wel opgesteld ten behoeve van de bouw van de 1ste hal, maar niet ten behoeve van de 3de hal. Nu de 3de hal op een ander tijdstip is gebouwd vindt de rechtbank dat hier een nieuw plan voor had moeten worden opgesteld. Aan verdachte wordt echter specifiek verweten dat hij geen plan had opgesteld waarin de risico’s van het klaarzetten/verplaatsen en stapelen van pakken isolatieplaten wordt beschreven. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen omtrent de risico’s van het vier-hoog stapelen, acht de rechtbank het ontbreken van een beschrijving van deze risico’s onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het 2de onderdeel van het primair ten laste gelegde te komen. Verdachte zal dus ook hiervan worden vrijgesproken.

    Rest het subsidiair ten laste gelegde. Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte niet had moeten/kunnen weten dat het vier-hoog stapelen van de isolatieplaten een gevaarlijke situatie zou kunnen opleveren, valt niet in te zien dat verdachte verwijtbaar heeft gehandeld door het slachtoffer [slachtoffer] werkzaamheden te laten verrichten met en/of in de buurt van de stapels isolatieplaten.

    De verdachte wordt derhalve vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

    8. Beslissing

    De rechtbank:

    verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

    Vonnis gewezen door mrs. Crompvoets, M.B.T.G. Steeghs en J.M.E. Kessels, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van C. van Est als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 12 mei 2010.

    Mrs. M.B.T.G. Steeghs en J.M.E. Kessels zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

    typ: cve

  • 18-jan 2010
    Een werknemer raakt gewond door een actie die ieder weldenkend mens zou hebben vermeden. Er was geen sprake van bewuste roekeloosheid maar toch was de werkgever niet aansprakelijk voor de schade van de werknemer.

    Onverantwoord gedrag telt volgens de kantonrechter ook mee bij het beantwoorden van de vraag of de werkgever voldaan heeft aan zijn zorgplicht. De situatie Een bakker die al vier jaar in dienst is van een bakkerij raakt gewond bij het verplaatsen van een machine van 1.80 hoog en 200 kilo zwaar. Het apparaat kantelde tijdens het verplaatsen en viel op de werknemer. Die was op dat moment alleen in bakkerij maar de werkgever was in het woonhuis er naast en, zoals gebruikelijk, beschikbaar voor vragen en hulp. De werknemer had geen opdracht gekregen om de machine te verplaatsen. De vordering en het verweer De werknemer wil onder andere een verklaring voor recht dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die hij door het ongeval heeft geleden. Daarnaast vordert hij vergoeding van die schade. De werkgever stelt dat hij voldoende maatregelen had getroffen om schade te voorkomen. De werknemer had zonder de machine te verplaatsen gewoon zijn werk kunnen doen. Het oordeel Een werkgever moet maatregelen nemen die nodig zijn om ongevallen op de werkplek te voorkomen. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer gewoon zijn werk had kunnen doen zonder de machine te verplaatsen. Er was geen sprake van bewust roekeloosheid, maar de werknemer had wel een eigen verantwoordelijkheid. Hij werkte al 4 jaar in de bakkerij en er mocht om die reden voorzichtigheid van hem verwacht worden. Er was geen extra waarschuwing nodig over het verplaatsen van de machine omdat het risico van het verplaatsen bij ieder weldenkend mens bekend kon zijn vanwege de omvang en het gewicht en de constructie van de machine. De werkgever is niet aansprakelijk voor de schade van het ongeval. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer af. Bewuste roekeloosheid, een loze bepaling? De kantonrechter bestempelt in de uitspraak de bepaling over bewuste roekeloosheid als een loze bepaling. De aansprakelijk van de werkgever voor de schade die de werknemer oploopt tijdens het werk kan vervallen als hij kan aantonen dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer (art. 7:658 lid 2 BW). De kantonrechter gaf aan dat de kans op een geslaagd beroep op die bepaling zeer klein is omdat de uitleg die de Hoge Raad geeft aan dit begrip zeer beperkt is. Zo beperkt dat het vrijwel ondoenlijk is voor de werkgevers om aan te tonen dat de werknemer bewust roekeloos heeft gehandeld. LJN BK6597 Kantonrechter Assen Artikel 7:658 BW Eerste aanleg 18 november 2009 Door mr. Ingrid Kooijman

  • donderdag, 22. februari 2007
    Werkgever verantwoordelijk voor bedrijfsongeval, ondanks opzet of schuld werknemer

    Op 14 februari 2007 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan omtrent een door de Arbeidsinspectie opgelegde boete naar aanleiding van een bedrijfsongeval.

    De Arbeidsinspectie heeft een boete opgelegd aan een groente- en fruitverwerkingsbedrijf. Eén van dat werkzaamheden die het bedrijf verrichtte was het behandelen van kratten met verpakte groenten, waarbij gebruik gemaakt wordt van een transportband. Deze transportband wordt middels metalen rollen aangedreven door een gladde aandrijfas. De aandrijfas bevindt zich aan het uiteinde van de transportband en is niet voorzien van schermen of beveiligingsinrichtingen.

    Begin 2004 vond er in dit bedrijf een ongeval plaats, toen een werknemer tijdens stagnatie van de werkzaamheden op de transportband was gaan zitten en met zijn hand in aanraking was gekomen met de aandrijfas van de transportband. De werknemer liep schaafwonden op. Vijf dagen later wilde een andere werknemer (een meewerkend voorman) dit voorval reconstrueren, waarbij hij blijvend letsel opliep aan zijn hand.

    Op grond van de Arbowet (artikel 16) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (artikel 7.7 lid 1), dienen bewegende delen van een arbeidsmiddel, die gevaar opleveren, voorzien te zijn van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen, zodat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. Omdat de aandrijfas in dit geval niet was voorzien van schermen of ander beveiligingsinrichting kreeg het bedrijf een boete opgelegd van de Arbeidsinspectie.

    Het bedrijf vecht de boete vervolgens tot aan de Raad van State aan. Het bedrijf stelt zich op het standpunt dat er ten eerste geen sprake is van gevaar, doordat de aandrijfas zodanig is gesitueerd dat werknemers bij het uitvoeren van de dagelijkse werkzaamheden hier geen gevaar van hoeven te vrezen. Ten tweede wordt gesteld dat zowel tijdens het eerste incident als tijdens de nabootsing daarvan, de werknemers beiden roekeloos gehandeld hebben. Ten derde is het de werknemers niet overkomen in verband met het verrichten van arbeid; het steken van een hand in de transportband is verboden en behoort niet tot de dagelijkse werkzaamheden. Tot slot voert het bedrijf aan dat de Arbeidsinspectie in 2000 nog een onderzoek ingesteld heeft bij het bedrijf, dat gericht was op machineveiligheid. Hoewel het bedrijf destijds al met de transportband werkte, heeft de Arbeidsinspectie toen geen aanleiding gezien om het bedrijf ter zake van de transportband te waarschuwen. Het bedrijf is dan ook van mening dat zij erop mocht vertrouwen dat bij deze band geen gevaarlijke situatie zou ontstaan bij uitvoering van de normale werkzaamheden.

    De Raad van State maakt echter korte metten met de verweren van het bedrijf en oordeelt dat de Arbeidsinspectie de boete op kon leggen en voert daartoe kortgezegd aan dat indien niet voldaan wordt aan de voorschriften van het Arbeidsomstandigheden besluit, daarmee de overtreding en de boete vast staat. Opzet of schuld is hiervoor dus geen vereiste. Enkel eventuele schulduitsluitingsgronden zouden kunnen leiden tot het matigen of intrekken van de boete. Ook is het volgens de Raad niet in geschil dat de reconstructie van het incident door de voorman, niet tot de opgedragen normale taakuitoefening behoort en dat zijn gedrag als roekeloos kan worden aangemerkt. Desalniettemin is er volgens de Raad sprake van een arbeidsongeval (in de zin van artikel 1 lid 3 Arbowet) doordat de voorman de reconstructie uitvoerde in het kader van een door hem aangevangen onderzoek naar het eerdere incident bij (stagnerende) werkzaamheden aan de transportband. Ook is er volgens de Raad gevaar aanwezig, ondanks dat de aandrijfas voor werknemers tijdens het uitvoeren van de dagelijkse werkzaamheden geen gevaar vormt en ondanks het feit dat de werknemers roekeloos gehandeld zouden hebben. Nu sprake was van gevaar, had de aandrijfas voorzien moeten zijn van schermen of beveiligingsinrichtingen, wat niet het geval was. Dat de Arbeidsinspectie en de Arbodienst het gevaar niet eerder hebben gezien, maakt dit niet anders, aangezien het bedrijf volgens de Raad namelijk een eigen verantwoordelijkheid heeft. Daarnaast had het bedrijf de gevaarlijke situatie al moeten onderkennen na het plaatsvinden van het eerste incident, zodat het bedrijf niet alles heeft gedaan wat in redelijkheid van haar mag worden verwacht om overtreding van het Arbobesluit te voorkomen, hetgeen het bedrijf verweten wordt.

    Lees de uitspraak van de Raad van State hier.
    http://www.recht.nl/proxycache.html?cid=59847

  • Uitspraak inzake bedrijfsongeval met dodelijke afloop

    Almelo , 25-1-2011

    De rechtbank Almelo acht bewezen dat het bedrijf Enrichment Technology Nederland BV nalatig is geweest bij naleving van de Arbeidsomstandighedenwet. In een van haar productiehallen heeft een noodlottig bedrijfsongeval plaatsgevonden. De werkgever had redelijkerwijs moeten weten dat bij de samengestelde machine levensgevaar voor de werknemers was te verwachten. De rechtbank acht een misdrijf uit de Arbeidsomstandighedenwet bewezen en legt het bedrijf een boete op van € 45.000,=.

    Feitenrelaas

    Het in Almelo gevestigde bedrijf Enrichment Technology Nederland BV (ETN) is opgericht in mei 2003 en heeft meer dan 800 werknemers in dienst. ETN houdt zich onder andere bezig met het ontwerpen en oprichten van fabrieken, cascades en centrifuges die geschikt zijn om uranium isotopen te verrijken.
    Op 28 april 2009 heeft bij ETN een bedrijfsongeval plaatsgevonden, waarbij een 50-jarige ervaren werknemer om het leven is gekomen. Het slachtoffer was ten tijde van het ongeval met twee collega’s werkzaam in een productiehal. Via een niet-beveiligde doorgang heeft hij een ruimte binnen een samenstel van twee grote machines kunnen betreden om deze te reinigen (verwijderen van spanen die waren ontstaan tijdens het frezen). Doordat gebruik werd gemaakt van de onbeveiligde doorgang bleef de machine functioneren en kon het gebeuren dat een (daartoe onbevoegde) collega een zogenaamde portaalrobot in werking zette waardoor het slachtoffer bekneld raakte en om het leven kwam.

    Terechtzitting

    De inhoudelijke behandeling van deze strafzaak heeft plaatsgevonden op 11 januari 2011. De officier van justitie stelde dat verdachte een aantal veiligheidsvoorschriften niet had nageleefd – waarbij het bedrijf moest weten dat een levensgevaarlijke situatie voor werknemers kon ontstaan – en eiste dat verdachte zou worden veroordeeld tot een geldboete van € 45.000,=.

    Motivering strafoplegging

    De rechtbank acht bewezen dat het bedrijf ETN een bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet gesteld voorschrift heeft overtreden en veroordeelt ETN voor dit misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers was te verwachten.
    Uit een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie van 19 december 2008 bleek dat een aantal zaken bij ETN niet in orde was. Het evaluatierapport wees uitdrukkelijk op de noodzaak om een CE-toetsing uit te voeren bij het samenstel van de twee onderhavige machines (die onafhankelijk van elkaar wel een CE-keurmerk hadden, maar als samenstel niet).
    Verdachte had de vereiste CE-toetsing nog niet laten uitvoeren. Onder deze omstandigheden heeft verdachte een in het oog springende ruimte van 67,5 cm naast de beveiligde doorgang laten bestaan. Via deze ruimte kon een werknemer de plaats van het ongeval bereiken zonder dat de beveiliging in werking werd gesteld.
    Alles overziend komt de rechtbank tot de slotsom dat ETN niet alleen in strijd met een aantal voorschriften betreffende de arbeidsomstandigheden heeft gehandeld, maar dat zij – gezien de signalen die de leiding bereikten over de handelwijze van de werknemers – redelijkerwijs moest weten dat op haar werkvloer levensgevaar was te verwachten.

    Straf

    De rechtbank heeft bij haar strafbepaling rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Voorts heeft ETN na het ongeval de nabestaanden van het slachtoffer op goede wijze bijgestaan en financieel ondersteund. Dit alles in aanmerking nemend legt de rechtbank aan verdachte een geldboete van
    € 45.000,= op.

    Bron: Rechtbank Almelo

  • Graag nog even de zolder!

    Een vrouw werkt sinds 1995 bij Thuiszorg en vanaf 2003 als huishoudelijke hulp bij cliënten thuis. In augustus 2009 vraagt een cliënte haar om, als extra klusje, de zolder/vliering te stofzuigen en vrij te maken van spinraggen. Dan zakt zij door de de vloer van de zolder en valt ruim vijf meter naar beneden.
    De Arbeidsinspectie legt, wegens overtreding van de Arbowet aan Thuiszorg een boete op van 6750 euro. In deze procedure stelt de vrouw Thuiszorg aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. Die wijst de aansprakelijkheid af en stelt dat de verhuurder van de woning en/of de cliënte aansprakelijk is. De aansprakelijkheidsvraag wordt in een deelgeschilprocedure aan de kantonrechter voorgelegd.

    Patstelling
    Die is van oordeel dat het geschil zich leent voor een deelgeschilprocedure, omdat er sprake is van een patstelling – de mogelijk aansprakelijke partijen verwijzen naar elkaar. Deze patstelling doorbroken kan worden door antwoord op de vraag of Thuiszorg als werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW (de zorgplicht). Bovendien heeft Thuiszorg de mogelijkheid om een bodemprocedure aan te spannen, ook als het oordeel ongunstig uitvalt.

    Volgens de kantonrechter heeft Thuiszorg zijn zorgplicht jegens de werkneemster geschonden. Er heeft alleen een arbocheck plaatsgevonden van de gebruikelijke werkzaamheden, maar niet van de extra werkzaamheden die een huishoudelijke hulp op verzoek van cliënten kan verrichten.

    Weigeren
    Er bestaat alleen de instructie dat als een werknemer vindt dat de arbeidsomstandigheden onvoldoende zijn, in overleg met de (wijk)manager mag besluiten bepaalde werkzaamheden te weigeren. Deze instructie is echter naar het oordeel van de rechter te algemeen en te vaag om aangemerkt te kunnen worden als een aanwijzing die redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat werknemers schade lijden in de uitoefening van hun werk.

    Ri&e
    Van een huis-, tuin- en keukenongeval is geen sprake, omdat het hier ging om het stofzuigen van een (nauwelijks beloopbare) vliering. De Arbeidsinspectie heeft bovendien geoordeeld dat de werkplek niet vrij toegankelijk was en de extra werkzaamheden niet waren beoordeeld in een zogenaamde ri&e. Gelet op dit alles is Thuiszorg tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

    Bron: Kantonrechter Rotterdam 6 oktober 2010, nr. 1144872, JAR 2010, 305; LJN BN9805

  • Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    nieuws en informatie op gebied van arbeidsomstandigheden

    Users: 4
    Posts: 901
    Categorys: 2
    Comments: 1420
    Last Post: 2019-12-12
    First Post: 2011-01-27
    Alexa Rank: 0
    Alexa Links: 0